Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Burenzaak. Geluidshinder (art. 5:37 BW). Uitzicht op erf. Art. 5:50 BW heeft geen betrekking op zijdelings uitzicht.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 77[woonplaats] 11-13444 mh

vonnis van 6 juni 2012

inzake

[eiseres]

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [eiseres]

eiseres,

gemachtigde: mr. J. Cortet,

tegen

1. [gedaagde sub 1]

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [gedaagde sub 1],

gedaagde sub 1,

procederend in persoon,

2. de vereniging

Vereniging van Eigenaars Acaciastraat 22, 22 bis, 22 bis A,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde sub 2,

3. [gedaagde sub 3]

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 3,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 4,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 5,

6. [gedaagde sub 6]

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 6,

gemachtigde gedaagden sub 2 t/m 6: mr. J. Meerdink.

Gedaagden sub 2 t/m 6 zullen hierna de VvE, dan wel afzonderlijk [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] genoemd worden.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 21 september 2011.

[gedaagde sub 1] heeft voorafgaand aan de comparitie nog stukken in het geding gebracht. De comparitie is gehouden op 17 november 2011, waarvan aantekening is gehouden. Daarna heeft op 28 februari 2012 een voortzetting van de comparitie, tevens comparitie ter plaatse, plaatsgevonden, waarvan eveneens aantekening is gehouden.

Vervolgens heeft [eiseres] aan akte uitlating na comparitie genomen, waarop [gedaagde sub 1] en de VvE door middel van een antwoordakte na comparitie hebben gereageerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. Feiten

2.1. [eiseres] is sinds 1997 eigenaar van de bovenwoning aan de [adres] bis in [woonplaats] Voorheen was haar vader eigenaar van deze woning.

2.2. [gedaagde sub 1] is eigenaar van de naastgelegen bovenwoning aan de [adres] bis A in Utrecht. Hij is lid van [naam], net zoals [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6].

2.3. Op onderstaande foto (productie E van [gedaagde sub 1]) is de achterkant van de woningen zichtbaar. De woning links is van [eiseres].

2.4. In haar brief van 23 juni 2009 aan de VvE schrijft [eiseres]:

“Hierbij wil ik uw VvE verzoeken om de verantwoordelijke (eigenaar acaciastraat 22 BIS A) erop te wijzen en te verplichten om de schade die aan mijn dakgoot (aan de achterkant van mijn woning) is veroorzaakt, te laten repareren/herstellen door een gerenommeerd bedrijf, voor 23 juli 2009.

(…)

Ook wil ik alle leden erop wijzen, dat de uitbouw van het balkon van acaciastraat 22 BIS A, niet legaal is. Het is bevestigd aan mijn buitenmuur, zonder dat ik hier toestemming voor heb gegeven (…).

Voor deze uitbouw/constructie is nooit een bouwaanvraag ingediend bij de gemeente en er is dus ook nooit toestemming hiervoor verleend door de gemeente. (…)”

2.5. Bij besluit van 14 augustus 2009 (verzonden op 18 augustus 2009) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht aan [gedaagde sub 1] een bouwvergunning verleend voor het wijzigen en het bouwen van een hekwerk ten behoeve van een dakterras aan de achterkant van zijn woning.

2.6. Op 7 september 2009 heeft [eiseres] bij de politie Utrecht aangifte gedaan van vernieling van haar dakgoot door [gedaagde sub 1]. In de aangifte is onder meer opgenomen:

“Ik heb het vermoeden dat de buurman van nummer 22 Bis A het plankje van mijn dakgoot heeft los getrokken. (…)

(…)

Op 18 april heeft hij dit moedwillig beschadigd. Ik heb hem dit persoonlijk niet zien doen, maar ik heb hem op 18 april 2009, nadat hij bij mij aan de deur was geweest, op het dakterras zien werken en timmeren aan de deur, op het dakterras die hij die dag geplaatst heeft. (…)”

2.7. Op 10 september 2009 heeft [eiseres] haar aangifte aangevuld. Zij verklaart onder meer:

“Op dinsdag 8 september 2009, zag ik dat het plankje die in het dakgoot lag daar was weggehaald en dat het plankje aan mijn dakgoot was getimmerd. Dit heeft mijn buurman die op nummer 22 Bis A woont gedaan. Hij is namelijk de enige persoon die bij het dakgoot kan komen. Hij heeft wederom zonder mijn toestemming aan mijn dakgoot gezeten, wat onacceptabel is.”

2.8. In haar brief van 2 oktober 2009 aan de VvE schrijft [eiseres]:

“Met nadruk wil ik aangeven, dat de heer [gedaagde sub 1] geen toestemming heeft van mij om gebruik te maken van mijn buitenmuur (in zijn geheel) en dat ik vorder dat hij minimaal 2 meter met zijn uiterste rand van zijn dakterras van mijn erfgrens blijft (…).

Ook wens ik geen overlast meer te krijgen van de heer [gedaagde sub 1]. Ik zit al 6 maanden met 2 jonge kinderen, van 2 en 4 in het lawaai. (…)

Ook levert de heer [gedaagde sub 1] overlast op straat, hij valt mijn bezoek lastig op straat door met ze te gaan praten of ze aan te spreken over deze situatie betreft het dakterras (…).”

2.9. Bij besluit van 16 oktober 2009 (verzonden op 21 oktober 2009) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht aan [gedaagde sub 1] een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een dakkapel aan de achterkant van zijn woning.

2.10. In haar brief van 20 november 2009 aan [gedaagde sub 1] schrijft de VvE:

“Totdat de problemen met de bewoonster van de [adres] zijn opgelost zullen wij als overige leden van de VvE geen toestemming geven voor de bouw van het dakterras.

Wij verzoeken jou dan ook serieus om pogingen te gaan ondernemen om de problemen over de beschadigde goot, de uitbouw van het balkon en de 2 meter erfgrens met haar op te lossen.”

2.11. In haar brief van 23 december 2009 aan [eiseres] en de VvE schrijft mr. I.M. Redert, de toenmalige raadsman van [gedaagde sub 1]:

“Op het platte dak boven zijn keuken of woonkamer wil cliënt een dakterras maken. Cliënt heeft hiervoor een bouwvergunning.

In uw brief van 20 augustus jl. hebt u aangegeven dat het dakterras twee meter uit de erfgrens dient te blijven. Daarnaast hebt u opmerkingen gemaakt over de uitbouw van het balkon en de dakgoot.

(…)

Het toekomstige dakterras aan uw zijde geeft uitzicht op uw schuine dak, waarin geen ramen o.i.d. zijn geplaatst. Het dakterras zal derhalve geen uitzicht geven op uw ‘erf’ (zie 5:50 lid 1). Alleen al om die reden stelt u ten onrechte dat het dakterras twee meter uit de erfgrens dient te blijven.

(…)

Dakterras

(…)

Uw schuine dak is als een blinde muur te beschouwen. Ook om deze reden stelt u ten onrechte als voorwaarde dat het dakterras twee meter van de erfgrens af dient te blijven.

Uitbouw balkon

In uw brief van 20 augustus jl. vordert u verwijdering van de uitbouw van het balkon van cliënt, omdat deze zonder uw toestemming in uw buitenmuur zou zijn ingebalkt.

Aangezien deze verankeringen langer dan twintig jaar aanwezig zijn, is de vordering tot verwijdering hiervan verjaard. (…)

Dakgoot

In uw brief van 20 augustus jl. stelt u dat cliënt uw dakgoot kapot heeft gemaakt. U wil dat cliënt deze maakt.

Hoewel cliënt de dakgoot niet heeft vernield, is hij toch bereid deze te herstellen. (…)”

2.12. In haar brief van 2 maart 2010 aan [gedaagde sub 1] schrijft mr. Cortet namens [eiseres]:

“Cliënte en de VvE [adres] hebben u reeds meerdere malen gemotiveerd medegedeeld dat zij u geen toestemming verlenen voor het aanleggen van een dakterras, een hekwerk ten behoeve van een dakterras en de deur die u heeft geplaatst in de gevel op de 2de verdieping. Ook hebben voornoemde partijen bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van uw illegaal gebouwde balkon op de 1ste verdieping (waarvan ook uit de door u overgelegde tekening blijkt dat deze nimmer reeds 20 jaar aanwezig kan zijn in de huidige staat).

(…)

Voorts heeft cliënte u meerdere malen uitvoerig medegedeeld dat zij u geen toestemming verleent om in te balken in haar buitenmuur ter bevestiging van uw dakterras.”

Verder sommeert mr. Cortet [gedaagde sub 1] binnen vijf dagen te bevestigen dat hij de dakgoot zal laten repareren door een gerenommeerd bedrijf. Een dergelijke bevestiging is uitgebleven.

2.13. In haar brief van 29 augustus 2010 aan [gedaagde sub 1] schrijft de VvE:

“Zoals je weet zijn wij niet tot overeenstemming gekomen in het kader van het mediationtraject. Dit heeft tot gevolg dat de zaak weer bij de rechter komt te liggen en er dus nog steeds geen toestemming is voor de door jou beoogde bouwwerken. Wij verzoeken je dringend om te stoppen met de bouw totdat er voor jou een positieve uitspraak is gekomen van de rechter. (…)”

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

1. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en de VvE zich toerekenbaar schuldig hebben gemaakt aan het veroorzaken van onrechtmatige hinder aan haar zijde;

2. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en de VvE toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld jegens haar;

3. [gedaagde sub 1] primair veroordeelt tot het doen verwijderen van het door hem geplaatste dakterras en dakkapel alsmede de door hem aangebrachte verankering in de buitenmuur van [eiseres] alsmede het door hem aangebrachte pleisterwerk op die buitenmuur;

4. [gedaagde sub 1] en de VvE hoofdelijk veroordeelt aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 5.082,30 ter zake van herstelkosten met bepaling dat zij dit bedrag aan [eiseres] moeten voldoen binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, bij gebreke waarvan zij de wettelijke rente verschuldigd zijn;

5. [gedaagde sub 1] en de VvE hoofdelijk veroordeelt aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 12.000,- ter zake van de door haar gemaakte telefoonkosten, reiskosten, kopieerkosten, kosten voor juridische bijstand van ARAG en advocaatkosten met bepaling dat zij dit bedrag aan [eiseres] moeten voldoen binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, bij gebreke waarvan zij de wettelijke rente verschuldigd zijn;

6. [gedaagde sub 1] en de VvE subsidiair veroordeelt tot het compenseren van de door [eiseres] geleden schade rekening houdend met de waardevermindering van haar woning, dat zij dit bedrag aan [eiseres] moeten voldoen binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, bij gebreke waarvan zij de wettelijke rente verschuldigd zijn;

7. [gedaagde sub 1] en de VvE hoofdelijk veroordeelt aan [eiseres] te voldoen de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 952,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

8. [gedaagde sub 1] en de VvE hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding, met bepaling dat zij deze kosten aan [eiseres] moeten voldoen binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, bij gebreke waarvan zij de wettelijke rente verschuldigd zijn.

3.2. [eiseres] legt – zo begrijpt de kantonrechter – aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Volgens haar handelt [gedaagde sub 1] onrechtmatig, omdat hij zonder bouwvergunning op de eerste verdieping een balkon heeft gebouwd dat zonder haar toestemming is ingehaakt in de buitenmuur van haar woning. Verder handelt [gedaagde sub 1] onrechtmatig, omdat hij zonder bouwvergunning een inpandige trap heeft gebouwd die is bevestigd aan de tussenmuur tussen haar woning en de woning van [gedaagde sub 1]. Vanwege deze constructie levert het lopen op de trap onrechtmatige geluidshinder op in de zin van artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aldus [eiseres]. Ook het open en dicht schuiven van de schuifdeur naar het balkon is volgens [eiseres] zo hoorbaar dat sprake is van onrechtmatige geluidshinder.

Verder handelt [gedaagde sub 1] onrechtmatig, omdat hij bij het balkon ontsierend pleisterwerk op haar buitenmuur heeft aangebracht en schade aan haar dakgoot heeft toegebracht. Ter onderbouwing hiervan verwijst [eiseres] naar haar aangifte bij de politie (zie r.o. 2.6 en r.o. 2.7).

Volgens [eiseres] handelt [gedaagde sub 1] ook in strijd met het bepaalde in artikel 5:50 BW , omdat hij op de tweede verdieping een dakterras heeft opgericht binnen twee meter van de erfgrens. [eiseres] stelt dat het dakterras uitkijk biedt op haar dakterras. Daar komt bij dat dit dakterras zo dicht tegen haar woning is gebouwd dat gevelonderhoud niet mogelijk is.

[eiseres] stelt voorts dat [gedaagde sub 1] op de derde verdieping van zijn woning binnen twee meter van de erfgrens een dakkapel heeft opgericht, hetgeen eveneens in strijd is met het bepaalde in artikel 5:50 BW .

Verder stelt [eiseres] dat [gedaagde sub 1] door jaren achtereen te klussen, waarbij hij ook in de avonduren en zelfs op feestdagen doorwerkte, voor geluidsoverlast heeft gezorgd. [gedaagde sub 1] heeft ook haar bezoek lastiggevallen, aldus nog steeds [eiseres].

3.3. Het verwijt van [eiseres] jegens de VvE komt er samengevat op neer dat zij stelt dat de VvE ten onrechte geen maatregelen heeft genomen tegen [gedaagde sub 1]. Zij stelt dat de VvE weliswaar heeft geweigerd toestemming aan [gedaagde sub 1] te verlenen voor het oprichten van de bouwwerken, maar vervolgens heeft nagelaten nadere stappen te nemen.

3.4. [gedaagde sub 1] en de VvE voeren gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

Balkon op de eerste verdieping, pleisterwerk, schuifdeur, inpandige trap

4.1. [eiseres] verwijt [gedaagde sub 1] dat hij zonder bouwvergunning op de eerste verdieping een balkon heeft gebouwd dat zonder haar toestemming is ingehaakt in de buitenmuur van haar woning. Tijdens de comparitie ter plaatse heeft [eiseres] toegelicht dat zij met name bezwaar heeft tegen het inhaken van het balkon in de buitenmuur.

4.2. De standpunten van [gedaagde sub 1] zijn, overigens net zoals de stellingen van [eiseres] niet op alle punten even duidelijk. De kantonrechter begrijpt het verweer aldus dat [gedaagde sub 1] aanvoert dat dit balkon met hekwerk er al was toen hij zijn woning in 1994 van mevrouw [A] kocht. Hij stelt zich op het standpunt dat hij niets aan dit balkon heeft veranderd, behalve dat hij het hekwerk in 1998 heeft vernieuwd en in 2008 een nieuwe vloer van giethars heeft gelegd.

Ter onderbouwing van zijn verweer dat er al een balkon aanwezig was toen hij de woning kocht, verwijst [gedaagde sub 1] naar het Bouwkundig Opname Rapport van 29 oktober 2011 van Bouwkundig VvE Advies. Hierin is onder meer vermeld:

“De eerste aanpassing/uitbreiding van het balkon is minimaal 40 jaar oud aangezien de resten nog aanwezig zijn van deze vergane constructie.”

4.3. Voor zover de vordering van [eiseres] gebaseerd is op de stelling dat [gedaagde sub 1] het balkon heeft opgericht, wordt deze afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat hij dit balkon heeft gebouwd. [gedaagde sub 1] heeft met verwijzing naar het Bouwkundig Opname Rapport naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam aangetoond dat er al een balkon aanwezig was voordat hij de woning kocht.

4.4. Tijdens de comparitie ter plaatse heeft de kantonrechter geconstateerd dat de onderkant van het balkon, staande in de tuin van [gedaagde sub 4] (de benedenbuurvrouw van [gedaagde sub 1]), uit verschillende materiaalsoorten bestaat. Dit geeft aanleiding – mede gelet op de vaststelling van Bouwkundig VvE Advies dat in het balkon de oude vergane constructie herkenbaar is – te veronderstellen dat het balkon in de loop der tijd is uitgebouwd. Niet is echter komen vast te staan dat het [gedaagde sub 1] is die het balkon heeft uitgebouwd. Weliswaar heeft [eiseres] toegelicht dat het balkon medio 2007/2008 is uitgebouwd, maar het had gelet op het consistente en concrete verweer van [gedaagde sub 1] op haar weg gelegen deze stelling nader met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Dit heeft zij nagelaten. In dit licht wijst de kantonrechter er op dat [eiseres] na de comparitie ter plaatse op haar verzoek in de gelegenheid is gesteld een verklaring van de vorige eigenaar van het pand aan de [adres] bis A in het geding te brengen waaruit zou blijken dat [gedaagde sub 1] het balkon heeft gebouwd of verbouwd. Een dergelijke verklaring heeft [eiseres] evenwel niet in het geding gebracht.

4.5. Tot slot overweegt de kantonrechter dat het enkele zonder bouwvergunning oprichten van een bouwwerk alleen dan onrechtmatig ten opzichte van [eiseres] is, als zij aan het vergunningsvereiste bescherming kan ontlenen. Dit kan niet zonder meer worden aangenomen, omdat gesteld noch gebleken is dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht bij een eventuele vergunningaanvraag ingevolge artikel 44 van de Woningwet de belangen van [eiseres] betrokken zou hebben.

4.6. Gelet op het voorgaande kan niet gezegd worden dat [gedaagde sub 1] het balkon zonder bouwvergunning opgericht heeft en daarom onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Dit leidt ertoe dat de gevraagde verklaring van recht, voor zover deze betrekking heeft op het oprichten van het balkon, zal worden afgewezen.

4.7. Verder verwijt [eiseres] [gedaagde sub 1] dat hij het balkon zonder haar toestemming in haar buitenmuur heeft verankerd.

[gedaagde sub 1] betwist dat hij deze verankering heeft aangebracht. De verankering was volgens hem al aanwezig toen hij de woning in 1994 kocht. Volgens hem heeft hij er nooit enige aandacht aan besteed. Ter onderbouwing hiervan wijst [gedaagde sub 1] erop dat in het aanhangsel bij de bouwvergunning van 18 augustus 2009 voor het bouwen van het hekwerk voor het dakterras (zie r.o. 2.5) het balkon is weergegeven. Dit aanhangsel is een tekening van de situatie per 16 september 1996. Daaruit blijkt volgen hem dat het balkon reeds op 16 september 1996 aan de buitenmuur van [eiseres] was bevestigd. Het feit dat het balkon is “meegenomen” in de vergunning met betrekking tot het dakterras, leidt ertoe dat het balkon “gelegaliseerd” is, aldus [gedaagde sub 1].

Verder stelt [gedaagde sub 1] dat de vordering tot het opheffen van de onrechtmatige verankering in de buitenmuur, als daarvan sprake is, is verjaard. Volgens hem is de verankering waarschijnlijk rond 1950, en in elk geval voor 7 mei 1982, aangebracht.

4.8. Ook ten aanzien van dit verwijt is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] in het licht van voornoemd verweer, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [gedaagde sub 1] op enig moment het balkon op de eerste verdieping aan de buitenmuur van [eiseres]’s woning heeft verankerd. Dit oordeel leidt ertoe dat niet gezegd kan worden dat [gedaagde sub 1] in zoverre onrechtmatig ten opzichte van [eiseres] heeft gehandeld, zodat de verklaring van recht op dit punt niet zal worden gegeven.

De stelling van [gedaagde sub 1] dat het balkon gelegaliseerd is door de vergunning met betrekking tot het dakterras, behoeft – waar daar verder ook van zij – geen bespreking meer. De vordering tot verwijdering van de verankering zal, gelet op het voorgaande, eveneens worden afgewezen. De vraag of de vordering tot verwijdering van de verankering verjaard is, hoeft daarom niet beantwoord te worden.

4.9. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] ter hoogte van het balkon ontsierend pleisterwerk op de buitenmuur van haar woning aangebracht, hetgeen onrechtmatig is. Het pleisterwerk moet verwijderd worden, aldus [eiseres].

[gedaagde sub 1] stelt zich op het standpunt dat dit pleisterwerk al in 1994 aanwezig was.

4.10. Ook als aangenomen wordt dat [gedaagde sub 1] het pleisterwerk heeft aangebracht, is de kantonrechter van oordeel dat de vorderingen op dit punt moeten worden afgewezen. Omdat [eiseres] geen zicht op het pleisterwerk heeft en gesteld noch gebleken is dat dit pleisterwerk tot schade aan de buitenmuur heeft geleid of zal leiden, heeft zij geen rechtens te respecteren belang als bedoeld in artikel 3:303 BW bij toewijzing van haar vordering tot verwijdering van het pleisterwerk.

4.11. [eiseres] stelt verder dat het open en dicht schuiven van de schuifdeur naar het balkon onrechtmatige geluidshinder in de zin van artikel 5:37 in samenhang met artikel 6:162 BW oplevert. Hetzelfde geldt volgens haar voor het gebruiken van de inpandige trap.

4.12. Voor toewijzing van een vordering op grond van dit artikel is niet voldoende dat sprake is van ‘last hebben’; er moet sprake zijn van overlast. Tijdens de comparitie ter plaatse heeft [eiseres] toegelicht dat het openen en sluiten van de schuifdeur hoorbaar is, maar geen overlast veroorzaakt. Dit standpunt stemt overeen met hetgeen de kantonrechter zelf ook heeft waargenomen. Reeds hierom kan niet gezegd worden dat het openen en sluiten van de schuifdeur onrechtmatige hinder oplevert.

Tijdens de comparitie ter plaatse is, anders dan [eiseres] stelt, niet gebleken dat de inpandige trap door [gedaagde sub 1] (rechtstreeks) aan de binnenmuur is bevestigd. Dit leidt ertoe dat [eiseres] niet gevolgd kan worden in haar stelling dat de wijze van bevestigen van deze trap een onnodig geluidsversterkend effect heeft. Dit neemt niet weg dat het betreden van de trap hoorbaar zal zijn in de woning van [eiseres] maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dit op zichzelf onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van overlast.

Gelet op het voorgaande – en mede gelet op het feit dat woningen als de onderhavige in de regel gehorig zijn – kan niet gezegd worden dat sprake is van onrechtmatige hinder door het openen en sluiten van de schuifdeur alsmede door het gebruik maken van de inpandige trap. Dit leidt ertoe dat de vorderingen van [eiseres] in zoverre zullen worden afgewezen.

Voor zover [eiseres]’s vordering gebaseerd is op de stelling dat het zonder bouwvergunning aanbrengen van een inpandige trap onrechtmatig is, maakt dit voornoemd oordeel niet anders, omdat gesteld noch gebleken is dat voor het bouwen van een dergelijke trap een bouwvergunning vereist is.

Dakterras op de tweede verdieping

4.13. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] op de tweede verdieping een dakterras opgericht binnen twee meter van de erfgrens. Volgens haar biedt het dakterras uitkijk op haar dakterras. Verder is dit dakterras zo dicht tegen haar woning gebouwd dat gevelonderhoud niet mogelijk is.

4.14. [gedaagde sub 1] voert aan dat hem op 18 augustus 2009 een vergunning is verleend voor het uitbouwen van het terras. Voorheen was sprake van een plat dak, aldus [gedaagde sub 1]. Deze vergunning is onaantastbaar geworden, zodat de rechtmatigheid ervan vaststaat. Daarmee is volgens hem de toestand “gelegaliseerd”.

Verder voert hij aan dat hij geen zicht heeft op het erf van [eiseres] (haar dakterras), maar op een blinde muur, zodat artikel 5:50 BW niet van toepassing is.

4.15. De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer, voor zover dat betrekking heeft op de verleende bouwvergunning. Anders dan [gedaagde sub 1] meent, vrijwaart een verleende bouwvergunning niet zonder meer tegen aanspraken op de voet van artikel 5:50 BW . Dit kan anders zijn als het vergunningverlenende bestuursorgaan het burenrecht – in het bijzonder het recht op privacy van [eiseres] – bij haar besluit heeft betrokken. Gesteld noch gebleken is dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht dit heeft gedaan in haar besluit van 18 augustus 2009.

Het voorgaande betekent dat de verleende bouwvergunning toetsing aan artikel 5:50 BW niet in de weg staat.

4.16. Op grond van artikel 5:50 lid 1 BW is het niet geoorloofd, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

In lid 3 van artikel 5:50 BW is bepaald dat de in dat artikel bedoelde afstand van twee meter wordt gemeten rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erve of de muur.

Dit derde lid moet als volgt uitgelegd worden. Het eerste deel van deze bepaling (“rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt”) ziet op raam- of deuropeningen en geeft duidelijk weer dat slechts ramen en deuren die, bezien vanuit de positie dat men voor de raam- of deuropening staat, recht naar voren uitzicht geven op het naburige erf, strijdigheid met het in artikel 5:50 lid 1 BW bepaalde kunnen opleveren. Het tweede deel van de bepaling (“uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk”), maakt duidelijk dat slechts de rand van een balkon (zijnde een vooruitspringend werk), waarover recht naar voren op het naburige erf wordt gekeken, strijd met het in artikel 5:50 lid 1 BW bepaalde kan opleveren.

4.17. Voor deze uitleg kan steun worden gevonden in de wetsgeschiedenis van artikel 5:50 BW (zie ook hof Amsterdam 6 juli 2010, LJN: BN0268). Daartoe wordt op het volgende gewezen.

In het oorspronkelijke concept van artikel 5:50 BW , zoals opgenomen in het Ontwerp Meijers (genummerd als artikel 5.4.12) was in het eerste lid bepaald:

“Het handhaven binnen twee meter afstand van de grenslijn der erven van vensters of andere muuropeningen en van balkons of andere soortgelijke werken, die aan de eigenaar van het gebouw een rechtstreeks uitzicht geven op het naburige erf, is onrechtmatig, nadat de eigenaar van dat erf zich tegen de aanwezigheid van die openingen of werken heeft verzet.”

In de Toelichting Meijers werd dienaangaande opgemerkt:

“Het in het artikel vervatte verbod is in navolging van artikel 146 ontwerp 1898 tot het rechtstreekse uitzicht beperkt en wel wegens het in de toelichting op laatstgenoemd artikel opgegeven motief. Sinds in de grote steden van iedere handbreedte grond partij moet worden getrokken, terwijl de gewoonte om veranda’s of serres aan te brengen, schier algemeen is en het toetreden van licht en lucht een volksbelang is, is het handhaven van het verbod van zijdelings uitzicht niet meer te rechtvaardigen.” (onderstreping kantonrechter)

In het daaropvolgende ontwerp is de uitdrukking “een rechtstreeks uitzicht geven” vervangen door “recht naar voren uitzicht geven”. Blijkens de Memorie van Toelichting betrof dat slechts een redactionele wijziging om duidelijker de tegenstelling met “uitzicht ter zijde of in de schuinte” tot uitdrukking te brengen.

In een latere wijziging, welke heeft geleid tot de huidige wettekst, zijn de woorden “recht naar voren” weggelaten. Volgens de Memorie van Antwoord II is dat gebeurd omdat het oorspronkelijke vierde, thans derde lid (dat nog niet was opgenomen in het Ontwerp Meijers en het latere ontwerp waarin “rechtstreeks uitzicht” was vervangen door “recht naar voren uitzicht”) voldoende duidelijk aangeeft hoe de afstand gemeten moet worden. Klaarblijkelijk heeft de wetgever de beperking tot rechtstreeks (in tegenstelling tot zijdelings) uitzicht besloten geacht in het meetvoorschrift van het derde lid van artikel 5:50 BW . De toelichting vermeldt niet dat en waarom toch, in weerwil van de in de Toelichting Meijers opgenomen reden, een verbod van zijdelings uitzicht zou moeten worden aangenomen.

4.18. Uit de foto (zie r.o. 2.3) en uit hetgeen de kantonrechter zelf heeft waargenomen blijkt dat het naburige erf waarop vanaf het dakterras recht naar voren wordt gekeken, niet het erf van [eiseres] is, maar het erf van [gedaagde sub 4] (de benedenbuurvrouw van [gedaagde sub 1]). Zijdelings is, staande aan – vanaf de achterkant van [gedaagde sub 1]s woning bezien – de rechter voorkant van het terras en anders dan [gedaagde sub 1] steeds heeft aangevoerd, schuin naar boven kijkend wel uitzicht op [eiseres]’s dakterras. Omdat artikel 5:50 BW evenwel geen bescherming biedt tegen zijdelings uitzicht, kan niet gezegd worden dat [gedaagde sub 1] in strijd met dit artikel handelt. Weliswaar is in het onderhavige geval sprake van uitzicht schuin naar voren, maar de kantonrechter is van oordeel dat een dergelijk uitzicht op een lijn moet worden gesteld met zijdelings uitzicht. Een andere uitleg zou als onaanvaardbaar gevolg hebben dat een bewoner van een hoekpand, net zoals die van een rijtjeswoning, zijn buren het recht op het oprichten van een dakterras met een beroep op artikel 5:50 BW zou kunnen ontzeggen, zodra hij zelf een dakterras heeft aangebracht.

Dit betekent dat [eiseres]’s vorderingen – mede gelet op de omstandigheid dat ook zij op haar beurt zijdelings uitzicht heeft op het dakterras van [gedaagde sub 1] – zullen worden afgewezen, voor zover zij gebaseerd zijn op artikel 5:50 BW .

Dit oordeel brengt ook mee dat de vordering tot verwijdering van het dakterras zal worden afgewezen.

4.19. Resteert het verwijt van [eiseres] dat het dakterras zo dicht tegen haar woning is gebouwd dat gevelonderhoud (bedoeld zal zijn: onderhoud van de dakgoot) niet mogelijk is. Kennelijk bedoelt zij hiermee te zeggen dat [gedaagde sub 1] heeft gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid.

Volgens [gedaagde sub 1] is er een ruimte van acht centimeter tussen dakterras en dakgoot, hetgeen volgens hem voldoende is voor onderhoud.

4.20. Tijdens de comparitie heeft de kantonrechter vastgesteld dat de ruimte tussen het dakterras van [gedaagde sub 1] en de dakgoot van [eiseres] zodanig klein is dat op voorhand moet worden aangenomen dat onderhoud aan de dakgoot zeer moeilijk dan wel redelijkerwijs onmogelijk is. [gedaagde sub 1] stelt zich in zijn akte na comparitie weliswaar op het standpunt dat de afstand tijdelijk kan worden vergroot tot 10 à 12 cm, zodat volgens hem onderhoud zeker mogelijk is, maar dit verweer wordt bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing gepasseerd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is namelijk niet in te zien hoe de afstand tussen dakterras en dakgoot uitgebreid kan worden.

4.21. Voordat de kantonrechter oordeelt over de vordering tot verwijdering van het dakterras, zal hij [gedaagde sub 1] in de gelegenheid stellen zijn verweer dat de beschikbare ruimte tussen dakterras en dakgoot voldoende is voor onderhoud, bij akte nader te onderbouwen. Het verdient de voorkeur hiervoor een deskundige in te schakelen. De kosten van deze deskundige zullen voor rekening van [gedaagde sub 1] komen. [eiseres] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld te reageren.

Gelet op de tijd en de kosten die voor partijen gepaard zullen gaan met het mogelijke deskundigenonderzoek en de reactie daarop, geeft de kantonrechter partijen uitdrukkelijk in overweging (nogmaals) met elkaar in overleg te treden om te bezien of zij alsnog overeenstemming kunnen bereiken over de wijze waarop het onderhoud zou kunnen plaatsvinden.

Dakkapel op de derde verdieping

4.22. Ook [eiseres]’s vordering gebaseerd op de stelling dat [gedaagde sub 1] op de derde verdieping van zijn woning binnen twee meter van de erfgrens een dakkapel heeft opgericht, moet beoordeeld worden op de voet van artikel 5:50 BW . Hoewel tijdens de comparitie ter plaatse vast is komen te staan dat staande in de – vanaf de achterzijde van [gedaagde sub 1]s woning bezien – rechterhoek van de dakkapel een hoek van [eiseres]’s dakterras te zien, hetgeen inmiddels ook door [gedaagde sub 1] wordt erkend, moet de vordering tot verwijdering van de dakkapel worden afgewezen, omdat artikel 5:50 BW geen bescherming biedt tegen zijdelings uitzicht (zie r.o. 4.18).

De vordering tot verwijdering van de dakkapel wordt eveneens afgewezen.

Geluidsoverlast, lastigvallen bezoek

4.23. [eiseres] vordert een verklaring van recht dat [gedaagde sub 1] zich toerekenbaar schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van onrechtmatige hinder (vordering sub 1) alsmede een verklaring van recht dat hij toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld (vordering sub 2). Voor zover het verwijt de gestelde geluidshinder betreft, is de kantonrechter van oordeel dat aan de vordering onder sub 2 geen zelfstandige betekenis toekomt. Dit leidt ertoe dat de stellingen van [eiseres] met betrekking tot de geluidshinder uitsluitend zullen worden beoordeeld in het licht van het sub 1 gevorderde.

4.24. Tijdens de comparitie van 17 november 2011 heeft [eiseres] toegelicht dat [gedaagde sub 1] al drie jaar aan het klussen is met geluidsoverlast tot gevolg. Verder heeft zij toegelicht dat partijen op een gegeven moment afspraken hebben gemaakt over de tijden waarop geklust zou worden, hetgeen ook door de VvE is bevestigd. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] zich niet aan deze afspraken gehouden. Ook haar raadsvrouwe, die kantoor houdt in de [adres], heeft tijdens de comparitie verklaard dat [gedaagde sub 1] al drie jaar bouwwerkzaamheden uitvoert. Ook heeft de raadsvrouwe verklaard dat zij heeft waargenomen dat [gedaagde sub 1] zich niet aan de afgesproken tijden houdt.

Ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde sub 1] geluidsoverlast veroorzaakt, verwijst [eiseres] onder meer naar de brief van [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 5] van 9 maart 2010 aan [gedaagde sub 1] waarin zij onder meer schrijven:

“Ondertussen houdt u totaal geen rekening met ons als buren met betrekking tot geluidsoverlast en ons woongenot. Al sinds april 2009 bent u zeer regelmatig aan het verbouwen in uw huis (timmeren, zagen, boren, ed.) dat voor ons geluidsoverlast veroorzaakt. Bovendien beginnen de storende werkzaamheden al vroeg op de dag en is het geen uitzondering als het lawaai voortduurt in de weekenden, de avonduren en in vakantietijd. Wij hebben u al een aantal keren geïnformeerd over de overlast die u veroorzaakt met het vriendelijke verzoek om meer rekening te houden met ons. Helaas heeft dit verzoek tot nog toe weinig opgeleverd. (…)”

4.25. [gedaagde sub 1] erkent dat de verbouwing voor geluidsoverlast heeft gezorgd, maar hij betwist dat hij al drie jaar klust. Verder voert hij aan dat bijna alle werkzaamheden hebben plaatsgevonden tussen 9.00 en 13.00 uur en tussen 15.00 en 18.00 uur. Hij betwist dat de bouwwerkzaamheden ’s avonds en in het weekend hebben plaatsgevonden. Ter onderbouwing van zijn verweer verwijst [gedaagde sub 1] onder meer naar zijn brief aan zijn buren van 9 april 2010 waarin hij schrijft:

“Beter laat dan nooit. Daarom deze brief.

De langdurige verbouwing van mij geeft enige overlast. (…)

(…)

Vanaf eind december hou ik meer rekening met jullie. Zo wordt er zo veel mogelijk door mij tussen 9.30 uur en 13.00 uur gewerkt en ’s middags van 15.00 uur tot 18.00 uur. En zaterdags ’s ochtends vanaf 10.00 uur. In de tussentijdse uren wordt soms wel gewerkt, maar zonder extra geluidsoverlast, zoals niet luidruchtige werkzaamheden.”

Verder verwijst hij naar zijn brief van 13 augustus 2010 aan [eiseres] waarin hij schrijft:

“Hierbij deel ik u mee, dat op 23 augustus een verbouwing bij mij zal plaats vinden. (…)

(…)

De werkzaamheden worden gestart om 7.30 uur ’s ochtends en kan mogelijk tot ’s avonds doorlopen. (…)”

4.26. Niet vast is komen te staan wanneer [gedaagde sub 1] precies met zijn werkzaamheden is begonnen. Gelet op zijn brief van 9 april 2010 staat in elk geval vast dat hij al toen langdurig aan het verbouwen was. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de door [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] ingenomen stelling – waarnaar [eiseres] verwijst – dat [gedaagde sub 1] in elk geval vanaf april 2009 aan het verbouwen is.

Tijdens de comparitie van 17 november 2011 heeft [gedaagde sub 6], ter onderbouwing van [eiseres]’s stellingen, verklaard dat er in elk geval vanaf 18 april 2009 bijna dagelijks geluidsoverlast was. Gelet hierop – en mede gelet op het feit dat [gedaagde sub 1] heeft erkend dat de werkzaamheden langer hebben geduurd dan gepland – gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde sub 1] in elk geval gedurende twee jaren heeft verbouwd.

4.27. Zoals hiervoor onder r.o. 4.11 is overwogen, is om van onrechtmatige geluidshinder in de zin van artikel 5:37 BW te kunnen spreken, niet voldoende dat sprake is van ‘last hebben’; er moet sprake zijn van overlast. Uit de processtukken en uit hetgeen partijen hebben verklaard, leidt de kantonrechter af dat [gedaagde sub 1]s werkzaamheden ingrijpend zijn geweest. Zo is er onder meer gehakt en gefreesd om elektra en waterleidingen in de muur aan te brengen, is een nieuwe keuken geplaatst en zijn muren afgebroken. Verder staat vast dat een inpandige trap en een dakkapel zijn geplaatst.

Vaststaat verder dat partijen in 2009 Portes, een Utrechtse welzijnsorganisatie, hebben ingeschakeld om te bemiddelen over onder meer de gestelde geluidsoverlast. In zijn mail van 26 februari 2010 aan mevrouw J. Sapper (casemanager van Portes) schrijft [gedaagde sub 5]:

“Wij worden helemaal gestoord van zijn (van [gedaagde sub 1]; toevoeging kantonrechter) lawaai overlast. Vorige week zondagavond hebben wij zelfs melding gedaan bij de politie toen er van kwart voor 10 tot kwart over 10 in de avond een naar het geluid te horen een muur werd weggebroken.

Hij veroorzaakt overlast van 8 uur in de ochtend, gaat tussen 12.00 en 13.00 gewoon door met lawaai maken en is deze week de gehele week tot na 10-en bezig geweest met overlast veroorzaken (boren, hameren, zagen, schuren) (…).”

Gelet op deze omstandigheden – in het bijzonder de aard en de duur van de werkzaamheden – en mede gelet op het feit dat [gedaagde sub 1] in zijn brief van 9 april 2010 erkent dat sprake is van overlast, acht de kantonrechter het aannemelijk dat de werkzaamheden van [gedaagde sub 1] zodanige overlast hebben veroorzaakt dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 in samenhang met artikel 6:162 BW .

4.28. Uit hetgeen partijen hebben verklaard, blijkt dat de geluidsoverlast gevende werkzaamheden inmiddels zijn geëindigd. [eiseres] heeft evenwel aangevoerd dat zij (immateriële) schade heeft geleden als gevolg van de geluidsoverlast. Dit leidt ertoe dat niet uitgesloten kan worden dat zij een rechtmatig belang in de zin van artikel 3:303 BW heeft bij toewijzing van de door haar gevraagde verklaring van recht dat [gedaagde sub 1] zich toerekenbaar schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van onrechtmatige hinder. Deze vordering zal dan ook in het eindvonnis worden toegewezen.

4.29. De gevorderde verklaring van recht dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door haar bezoek lastig te vallen, zal vanwege het ontbreken van enige feitelijke onderbouwing worden afgewezen.

Schade aan dakgoot

4.30. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] haar dakgoot beschadigd. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij onder meer naar haar brief van 23 juni 2009 aan de VvE (zie r.o. 2.4) alsmede naar haar aangifte bij de politie Utrecht en haar aanvullende verklaring (zie r.o. 2.6 en r.o. 2.7). Met verwijzing naar de offerte van Schilder & Onderhoudsbedrijf Boele van 23 maart 2010 stelt [eiseres] dat de schade € 5.082,30 (inclusief BTW) bedraagt.

[gedaagde sub 1] betwist dat hij de dakgoot heeft beschadigd. In zijn conclusie van antwoord erkent hij evenwel dat hij, vooruitlopend op de uitbreiding van het dakterras, een reeds kapotte gootplank heeft losgemaakt.

4.31. Uit zijn erkenning dat hij een aan [eiseres] toebehorende kapotte gootplank heeft losgemaakt, leidt de kantonrechter af dat [gedaagde sub 1] op zichzelf niet betwist dat hij een deel van de dakgoot van [eiseres] heeft verwijderd, maar dat hij zich op het standpunt stelt dat [eiseres] daardoor geen schade heeft geleden. Dit standpunt wordt verworpen.

Het zonder toestemming van [eiseres] verwijderen van een haar toebehorende gootplank is op zichzelf onrechtmatig. [gedaagde sub 1] heeft niet nader toegelicht dat de gootplank zodanig kapot (verrot) was dat deze geen waarde meer vertegenwoordigt. Evenmin heeft hij toegelicht dat door het verwijderen van de gootplank de afvoer van hemelwater niet of niet in die mate is beïnvloed dat er geen gevolgschade is opgetreden of zal optreden, hetgeen gelet op [eiseres]’s stellingen op dit punt wel op zijn weg had gelegen.

Hierom – en mede gelet op het feit dat [gedaagde sub 1] in zijn brief van 15 maart 2010 aan [eiseres] en de [adres] heeft meegedeeld dat hij de schade aan de dakgoot heeft gemeld bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar – is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig ten opzichte van [eiseres] heeft gehandeld. Hij is gehouden de kosten voor het herstellen van de gootplank aan [eiseres] te vergoeden.

4.32. De kantonrechter is evenwel van oordeel dat de offerte van Schilder & Onderhoudsbedrijf Boele onvoldoende grondslag biedt om de conclusie te rechtvaardigen dat deze schade € 5.082,30 (inclusief BTW) bedraagt. De in deze offerte genoemde posten geven veeleer aanleiding te veronderstellen dat de werkzaamheden op meer betrekking hebben dan op het herstellen van de gootplank.

De eveneens door [eiseres] in het geding gebrachte offerte van RoDijKa Bouwkundige keuringen en advies van 16 februari 2011 noemt een bedrag van € 1.500,- (exclusief BTW) voor het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van de goot. Deze offerte lijkt ook op meer betrekking te hebben dan het enkele herstellen van de gootplank.

Gelet hierop zal de kantonrechter [eiseres] in de gelegenheid stellen bij akte uitsluitend de kosten voor het herstellen van de gootplank door middel van een of meer daarop toegesneden offertes nader te onderbouwen. [gedaagde sub 1] zal daarna in de gelegenheid gesteld worden daarop bij akte te reageren.

Gelet op de tijd en de kosten die voor partijen gepaard zullen gaan met het nemen van deze aktes, geeft de kantonrechter partijen ook nu uitdrukkelijk in overweging (nogmaals) met elkaar in overleg te treden om te bezien of zij alsnog overeenstemming kunnen bereiken over de hoogte van voornoemde herstelkosten.

Schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW

4.33. [eiseres] vordert verder betaling van een bedrag van € 12.000,- ter zake van de door haar gemaakte telefoonkosten, reiskosten, kopieerkosten, kosten voor juridische bijstand van ARAG en advocaatkosten. Deze kosten, die overigens elders in de dagvaarding op € 17.000,- worden begroot, worden kennelijk gevorderd op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW .

4.34. Van de gevorderde kosten maakt een bedrag van € 8.246,50 (inclusief BTW) ter zake van declaraties van mr. Cortet, de raadsvrouwe van [eiseres] deel uit. Uit de factuur van 31 maart 2011 van € 1.066,52 (inclusief BTW) blijkt dat de werkzaamheden van mr. Cortet betrekking hebben op een bestuursrechtelijke procedure tegen de gemeente Utrecht. Deze kosten komen in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking.

Uit de overige facturen wordt niet duidelijk welke werkzaamheden mr. Cortet heeft verricht, zodat niet vastgesteld kan worden of de daarmee gemoeide kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt. Reeds hierom – aannemende dat het geen verrichtingen betreft waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten – komt het bedrag van € 8.246,50 (inclusief BTW) niet voor vergoeding in aanmerking.

4.35. Het resterende bedrag heeft kennelijk betrekking op telefoon-, reis- en kopieerkosten en kosten voor juridische bijstand van ARAG. De vordering tot vergoeding hiervan zal eveneens worden afgewezen, omdat [eiseres] heeft nagelaten deze kosten op enigerlei wijze nader te onderbouwen, hetgeen gelet op het verweer wel op haar weg had gelegen.

Compensatie

4.36. Tot slot vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde sub 1] tot het compenseren van de door haar geleden schade rekening houdend met de waardevermindering van haar woning. Uit de dagvaarding is af te leiden dat [eiseres] deze vordering uiterst subsidiair heeft ingesteld, namelijk voor het geval de kantonrechter oordeelt dat de dakkapel en het dakterras niet verwijderd hoeven te worden. De vordering gaat kennelijk uit van de veronderstelling dat de aanwezigheid van de dakkapel en het dakterras van [gedaagde sub 1] een waardeverminderend effect heeft op [eiseres]’s woning. Hierbij miskent [eiseres] dat voor toewijzing van deze vordering een wettelijke verplichting tot schadevergoeding vereist is. Deze grondslag ontbreekt. Daar komt bij dat [eiseres] noch het verband tussen de aanwezigheid van de dakkapel en het dakterras en de door haar gestelde waardevermindering noch de omvang van de waardevermindering heeft onderbouwd.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Samenvatting

4.37. De door [eiseres] gevraagde verklaring van recht dat [gedaagde sub 1] zich toerekenbaar schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van onrechtmatige hinder zal in het eindvonnis worden toegewezen.

4.38. [gedaagde sub 1] zal in de gelegenheid gesteld worden uitsluitend zijn verweer dat de beschikbare ruimte tussen dakterras en dakgoot voldoende is voor onderhoud, bij akte nader te onderbouwen. Het verdient de voorkeur hiervoor een deskundige in te schakelen. De kosten van deze deskundige zullen voor rekening van [gedaagde sub 1] komen (zie r.o. 4.21).

[eiseres] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld bij akte te reageren.

4.39. [eiseres] zal in de gelegenheid gesteld worden bij akte uitsluitend de kosten voor het herstellen van de gootplank door middel van een of meer daarop toegesneden offertes nader te onderbouwen. [gedaagde sub 1] zal daarna in de gelegenheid gesteld worden daarop bij akte te reageren (zie r.o. 4.32).

4.40. De overige vorderingen tegen [gedaagde sub 1] zullen worden afgewezen.

4.41. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Ten aanzien van de VvE

4.42. In de kern verwijt [eiseres] de VvE dat zij ten onrechte geen maatregelen heeft genomen tegen [gedaagde sub 1]. Tijdens de comparitie van 17 november 2011 is door [eiseres] aangevoerd dat de VvE niet heeft ingegrepen. Verder heeft zij aangevoerd dat zij bij de VvE geen gehoor heeft gekregen om samen te werken.

Omdat gesteld noch gebleken is dat de VvE op grond van haar statuten en/of reglement gehouden was maatregelen te treffen, begrijpt de kantonrechter de vordering aldus dat de VvE volgens [eiseres] onzorgvuldig heeft gehandeld en daarmee ingevolge het bepaalde in artikel 6:162 BW onrechtmatig heeft gehandeld.

4.43. De VvE voert – samengevat – aan dat zij samen met [eiseres] optrok tegen de door [gedaagde sub 1] toegebrachte geluidsoverlast en haar verzet tegen de bouwwerkzaamheden. Zij heeft bij herhaling geen toestemming aan [gedaagde sub 1] gegeven om zijn bouwwerkzaamheden te beginnen, zolang hij daarover niet met [eiseres] overeenstemming heeft bereikt. Daar komt bij dat [gedaagde sub 1] voor de werkzaamheden een erkend bouwbedrijf diende in te schakelen. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij onder meer naar haar brief van 20 november 2009 (zie r.o. 2.10).

Dit onthouden van toestemming heeft ertoe geleid dat [gedaagde sub 1] bij verzoekschrift van 19 februari 2010 een verzoekschriftprocedure bij deze rechtbank (met kenmerk 68[woonplaats] 10-259) is begonnen waarin hij de rechtbank verzoekt een “verklaring van recht” te geven voor het maken van een dakkapel en een dakterras conform de verleende bouwvergunningen (de kantonrechter begrijpt: het wijzigen en het bouwen van een hekwerk ten behoeve van een dakterras). Anders gezegd: [gedaagde sub 1] is een juridische procedure tegen de VvE begonnen, omdat zij haar toestemming heeft onthouden.

In die procedure heeft de VvE verweer gevoerd. Tijdens de verzoekschriftprocedure heeft mediation plaatsgevonden. Deze mediation is medio augustus 2010 mislukt, aldus de VvE. Naar aanleiding van een brief van 6 juni 2010 van [gedaagde sub 1] aan de rechtbank is de procedure zonder haar medeweten afgelegd, aldus nog steeds de VvE. In deze brief schrijft [gedaagde sub 1]:

“Er is afgesproken dat mevrouw Breukelaar (de mediator; toevoeging kantonrechter) een afsprakenlijst opstelt die door alle aanwezige partijen wordt ondertekend en nageleefd.”

Volgens de VvE valt haar niets te verwijten en moet de gevorderde verklaring van recht worden afgewezen.

Verder voert de VvE aan dat zij geen geluidsoverlast heeft veroorzaakt noch enige schade aan de woning van [eiseres] heeft toegebracht, zodat ook de daarop betrekking hebbende vorderingen moeten worden afgewezen.

4.44. Vaststaat dat de VvE [gedaagde sub 1] meermalen schriftelijk in kennis heeft gesteld dat zij hem geen toestemming zou verlenen voor de bouwwerkzaamheden, zolang hij niet beschikte over de vereiste bouwvergunningen en in elk geval zolang hij geen toestemming van [eiseres] had. Wat er ook zij van haar eis dat [eiseres] toestemming moest geven, naar het oordeel van de kantonrechter kan niet gezegd worden dat de VvE zich niet heeft ingespannen ter bescherming van de belangen van [eiseres]. In dit licht wijst de kantonrechter er ook op dat de VvE diverse malen heeft geprobeerd – mogelijk mede uit welbegrepen eigenbelang van haar leden – een halt toe te roepen aan de door [gedaagde sub 1] veroorzaakte geluidsoverlast.

Daar komt bij dat de VvE haar rug recht heeft gehouden toen zij door [gedaagde sub 1] in rechte werd betrokken.

Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden de VvE ten opzichte van [eiseres] onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Dit oordeel leidt ertoe dat de gevorderde verklaring van recht dat de VvE onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld, zal worden afgewezen.

Voor zover [eiseres] bedoelt te zeggen dat de VvE in [eiseres]’s belang een juridische procedure tegen [gedaagde sub 1] had moeten entameren, wordt dit standpunt door de kantonrechter gepasseerd. Op de VvE rust onder de onderhavige omstandigheden niet een dergelijke rechtsplicht.

4.45. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat de VvE niet voor geluidsoverlast heeft gezorgd en evenmin schade aan de woning van [eiseres] heeft toegebracht, zullen de gevorderde verklaringen van recht worden afgewezen.

Voor veroordeling tot compensatie en tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten bestaat, gelet op het voorgaande, evenmin aanleiding.

4.46. Alle vorderingen tegen de VvE zullen in het eindvonnis dan ook worden afgewezen.

4.47. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 18 juli 2012 om 9.30 uur, waar

- [gedaagde sub 1] zich schriftelijk dient uit te laten over hetgeen is overwogen in r.o. 4.38,

- [eiseres] zich schriftelijk dient uit te laten over hetgeen is overwogen in r.o. 4.39,

- partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk te reageren,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature