Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De WAO-uitkering blijft ongewijzigd gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tegen dat besluit heeft de werkgever bezwaar gemaakt. De bva heeft een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van betrokkene en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De stelling van de werkgever dat de medische situatie van betrokkene in vergelijking met voorheen is verslechterd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Voor het inschakelen van een deskundige ziet ook de Raad geen aanleiding. Geen onjuist medische grondslag. Geschiktheid functies.

Uitspraak



09/2424 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 maart 2009, 08/1321 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de gemeente Leeuwarden, (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 6 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft de arts-gemachtigde mr. drs. D.W.M. Weesie hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de werknemer van appellante [betrokkene] (betrokkene) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hierop heeft betrokkene niet gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2012, waar appellant met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene ontvangt sinds 1 november 1985 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Sinds 1992 is betrokkene als hovenier/grafdelver in dienst van appellante. Nadat betrokkene in deze functie was uitgevallen wegens psychische klachten is hem na afloop van de wachttijd met ingang van 27 mei 1997 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadien is de mate van arbeidsongeschiktheid een aantal malen herzien.

2. Bij besluit van 22 november 2007 is de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene - na een bezwaarprocedure - met toepassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (aSB), zoals dat met ingang van 1 oktober 2004 is gaan gelden, met ingang van 11 mei 2006 vastgesteld op 15 tot 25%. Aan dit besluit ligt een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 oktober 2005 ten grondslag.

3. Omdat betrokkene op 1 juli 2004 tussen de 45 en 50 jaar oud was, is ter uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de WAO de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 door het Uwv herbeoordeeld op basis van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidwetten (oSB), zoals dit tot 1 oktober 2004 gold. In dat kader heeft de verzekeringarts L. Das voor betrokkene op 6 december 2007 een FML vastgesteld die overeenkomt met de op 4 oktober 2005 vastgestelde FML. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige C.M. Enzing met inachtneming van de op 6 december 2007 vastgestelde FML een drietal functies voor betrokkene geselecteerd op basis waarvan hij de mate van arbeidsongeschiktheid heeft berekend op 15 tot 25%. Bij besluit van 13 december 2007 is bepaald dat de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 22 februari 2007 ongewijzigd blijft gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

4.1. Tegen dat besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Daarbij is, onder verwijzing naar een rapport van de psychiater P. Middelweerd van 15 februari 2007, gesteld dat betrokkene als gevolg van verslavingsproblematiek en wellicht ADHD niet in staat is om te werken.

4.2. In haar rapport van 26 mei 2008 heeft de bezwaarverzekeringarts zich kunnen verenigen met de voor betrokkene op 6 december 2007 vastgestelde FML. Ook zij is van mening dat de klachten van betrokkene (psychische klachten, verslavingsproblematiek en allergie voor leer) en de daaruit voortvloeiende beperkingen op 22 februari 2007 in vergelijking met 11 mei 2006 niet zijn gewijzigd. Bij besluit van 27 mei 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

5.1. In beroep heeft appellante dezelfde gronden naar voren gebracht als in bezwaar. Voorts is de rechtbank verzocht een deskundige in te schakelen.

5.2. In reactie op het beroep van appellante heeft het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 22 september 2008 ingebracht.

6. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft ingesteld en heeft het verzoek van appellante om een deskundige in te schakelen afgewezen. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en is het beroep ongegrond verklaard.

7.1. In hoger beroep heeft appellante dezelfde gronden naar voren gebracht als eerder in de procedure, waarbij wederom is verzocht een deskundige in te schakelen.

7.2. Het Uwv heeft in hoger beroep een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 22 juni 2009 overgelegd.

8. De Raad overweegt als volgt.

8.1. De bezwaarverzekeringsarts heeft een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van betrokkene en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Het door haar ingenomen standpunt dat de beperkingen van betrokkene op 22 februari 2007 in vergelijking met 11 mei 2006 niet zijn gewijzigd, wordt onderschreven. Dat standpunt is in de voormelde rapporten in voldoende mate onderbouwd. De stelling van appellante dat de medische situatie van betrokkene in vergelijking met voorheen is verslechterd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Voor het inschakelen van een deskundige ziet ook de Raad geen aanleiding. Op grond van het vorenstaande kan de medische grondslag van het bestreden besluit niet voor onjuist worden gehouden.

8.2. Aangezien de Raad tevens van oordeel is dat de geschiktheid van betrokkene voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate is onderbouwd, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) G.J. van Gendt

CVG


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature