Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Beoordeling van de bevoegdheid tot het vaststellen van de eigen bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning. Ratio van artikel 4.4, aanhef en onder a, van het BMO . Deze bepaling beoogt niet het onmogelijk te maken om voor de toekomst een eigen bijdrage op te leggen waar het betreft zorg die meer dan twee jaar voor bekendmaking van het besluit tot oplegging van de eigen bijdrage is aangevangen.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/5033

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 mei 2012.

inzake

[eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. drs. P. Breedveld,

tegen

de besloten vennootschap Centraal administratiekantoor (CAK), verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerster van 17 oktober 2011.

2. Procesverloop

2.1. Bij besluit van 23 mei 2011 heeft verweerster de maximale periodebijdrage voor de aan eiseres ter beschikking gestelde vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vastgesteld op € 511,41 per vier weken.

2.2. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerster het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 23 mei 2011 gehandhaafd.

2.3. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerster is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

2.4. Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 21 maart 2012. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. Breedveld voornoemd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door L.T. Verheijen en T.N.F. van der Gaarden, beide werkzaam bij het CAK.

3. Overwegingen

3.1. Eiseres heeft sinds 2004 van de gemeente Ede een vervoersvoorziening op grond van de Wmo in bruikleen in de vorm van een fiets met hulpmotor. De fiets is per 1 juli 2010 uit het voorzieningenpakket gehaald. Dit betekent, onder andere, dat de fiets niet zal worden vervangen wanneer deze kapot gaat. Bij besluit van 1 november 2010 heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: het College) eiseres geïnformeerd dat zij met ingang van 1 januari 2011 een eigen bijdrage verschuldigd zal zijn voor het gebruik van deze voorziening. In dit besluit staat vermeld dat de eigen bijdrage niet hoger kan zijn dan de kosten van de voorziening. De nieuwwaarde van de fiets is bepaald op € 1.999,14. Bij het hierboven vermelde primaire besluit van 23 mei 2011 is de maximale periodebijdrage voor deze fiets vastgesteld op € 511,41 per 4 weken. Na toepassing van de korting op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten is eiseres een bijdrage van € 342,64 per vier weken verschuldigd. De fiets is inmiddels niet meer bij eiseres in gebruik en de betalingsverplichting is per 10 oktober 2011 komen te vervallen.

3.2. Verweerster heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat zij bevoegd is de eigen bijdrage aan eiseres in rekening te brengen nu in artikel 9, derde lid, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Ede (hierna: de Verordening) is bepaald dat deze bijdrage verschuldigd is zolang het bruikleen duurt. Het College heeft in zijn besluit van 1 november 2010 eiseres medegedeeld dat zij een eigen bijdrage voor de fiets moet betalen. Verweerster stelt gehouden te zijn dit besluit uit te voeren.

3.3. Eiseres heeft het standpunt van verweerster gemotiveerd bestreden. Op haar stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, hierna nader ingaan.

3.4. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wmo kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling kan de hoogte van de eigen bijdrage voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.

3.5. Ingevolge artikel 16 van de Wmo wordt een eigen bijdrage vastgesteld en ge ïnd door een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon.

3.6. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatschappelijke ondersteuning (Stcrt. 2006, 250), wordt als rechtspersoon bedoeld in artikel 16 aangewezen het Centraal administratiekantoor (CAK).

3.7. De gemeenteraad van de gemeente Ede heeft aan de in artikel 15 van de Wmo neergelegde bevoegdheid gevolg gegeven door in artikel 9, derde lid, van de Verordening, zoals deze van kracht was ten tijde hier in geding, te bepalen dat indien een voorziening bestaat uit het in bruikleen geven van een roerende zaak per periode van vier weken een eigen bijdrage in rekening wordt gebracht zolang het bruikleen duurt.

De eigen bijdrage per periode kan niet meer bedragen dan de totale kosten die de gemeente in die periode voor de voorziening draagt.

3.8. In artikel 4.4 aanhef en onder a, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Bmo) is bepaald dat de eigen bijdrage niet wordt opgelegd voor zover binnen twee jaar na aanvang van de maatschappelijke ondersteuning voor de te betalen eigen bijdrage geen beschikking dan wel voorlopige beschikking tot vaststelling van deze bijdrage is verzonden.

3.9. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres tegen het besluit van het College van 1 november 2010 geen rechtsmiddel heeft aangewend. De rechtbank stelt verder vast dat de wijze waarop verweerder de eigen bijdrage heeft berekend tussen partijen niet in geschil is.

De vraag die vervolgens voorligt, is of eiseres zich er tegenover verweerster op kan beroepen dat deze niet bevoegd is de eigen bijdrage vast te stellen omdat deze niet binnen twee jaar nadat de maatschappelijke ondersteuning is aangevangen, is opgelegd.

3.10. De rechtbank overweegt dat de onherroepelijkheid van het besluit van 1 november 2010 er niet aan in de weg staat dat eiseres zich, onder verwijzing naar artikel 4.4 aanhef en onder a, van het Bmo , beroept op de onbevoegdheid van verweerster een eigen bijdrage vast te stellen. Immers, gelet op de tekst van en de toelichting op Hoofdstuk IV van het Bmo, waarvan artikel 4.4 aanhef en onder a, deel uitmaakt, zijn de in dat hoofdstuk opgenomen bepalingen gericht tot de instantie die de eigen bijdrage vaststelt en int, zijnde verweerster. Dat brengt mee dat verweerster, alvorens over te gaan tot het vaststellen van de eigen bijdrage moet beoordelen of hij daartoe bevoegd is.

3.11. Anders dan eiseres en met verweerster is de rechtbank van oordeel dat artikel 4.4 aanhef en onder a, van het Bmo in dit geval het opleggen van een eigen bijdrage niet in de weg staat. De rechtbank verwijst hiervoor naar de toelichting op deze bepaling (Stb. 2006/450). Daarin wordt verwezen naar artikel 16a, derde lid aanhef en onder a, van het Bijdragebesluit zorg waarin eveneens vermeld staat dat geen bijdrage wordt opgelegd voor zover binnen twee jaar na aanvang van de zorg voor de te betalen eigen bijdrage geen beschikking dan wel voorlopige beschikking tot vaststelling van deze bijdrage is verzonden. Volgens de toelichting op deze bepaling moet worden uitgegaan van de aanvangsdatum van de zorg. Wanneer binnen twee jaar na die datum nog geen (voorlopige) beschikking eigen bijdrage is bekend gemaakt, kan geen eigen bijdrage meer worden opgelegd. Echter, volgens de tekst van en de toelichting bij de motie die tot de totstandkoming van voormelde bepaling heeft geleid gaat het er hierbij om dat geen eigen bijdrage wordt opgelegd voor “oude” zorg, te weten zorg die meer dan twee jaar gelegen voor het krijgen van een rekening is verleend (TK 2004-2005, 26631, nr. 113). De bedoeling hiervan is te voorkomen dat verzekerden meer dan twee jaar na een zorgperiode nog worden geconfronteerd met een rekening. Genoemde bepaling beoogt dus niet het onmogelijk te maken om, zoals i.c. het geval is, voor de toekomst een eigen bijdrage op te leggen waar het betreft zorg die meer dan twee jaar voor bekendmaking van het besluit tot oplegging van de eigen bijdrage is aangevangen.

Nu aangenomen moet worden dat de strekking van artikel 4.4 aanhef en onder a, van het Bmo dezelfde is als van het hiervoor genoemde artikel 16a, derde lid aanhef en onder a, van het Bijdragebesluit zorg , is verweerster bevoegd de eigen bijdrage voor eiseres vast te stellen op de wijze als is geschied.

3.12. Eiseres betoogt verder dat ten tijde hier in geding de fiets al lang is afgeschreven, de actuele waarde van de fiets dus gering is en zij met de eigen bijdrage meer betaalt dan de fiets waard is. Ook dit betoog van eiseres kan de rechtbank niet volgen.

Volgens artikel 9, derde lid, van de Vmo is de eigen bijdrage verschuldigd zolang eiseres de fiets in bruikleen heeft en kunnen de kosten van de eigen bijdrage niet meer bedragen dan de totale kosten die de gemeente in die periode voor de voorziening maakt. Voor het opleggen van een eigen bijdrage en de vaststelling van de hoogte daarvan is dus niet bepalend de waarde die de in bruikleen verstrekte voorziening ten tijde van het opleggen van de eigen bijdrage heeft. Dat zulks wel bepalend zou moeten zijn volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin uit artikel 15 van de Wmo of uit de artikelen 4.1 tot en met 4.6 van het Bmo . Nu ter zitting vast is komen te staan dat het College in ieder geval tot 10 oktober 2011 aan de leverancier van de bruikleengever van de fiets -eerst Welzorg, later Emcart- kosten heeft betaald verband houdende met deze bruikleen, en de door eiseres verschuldigde eigen bijdrage niet meer bedraagt dan de door het College ter zake betaalde kosten, is verweerster bevoegd de eigen bijdrage vast te stellen, zoals zij heeft gedaan.

3.13. Tot slot overweegt de rechtbank dat de beroepsgrond van eiseres dat ten onrechte een eigen bijdrage is opgelegd nu de voorziening in bruikleen is verstrekt terwijl bruikleen ingevolge artikel 7a:1777 van het Burgerlijk Wetboek plaatsvindt om niet, in deze procedure niet aan de orde kan komen. Immers, eiseres heeft, zoals reeds eerder vermeld, geen rechtsmiddel aangewend tegen het besluit van het College van 1 november 2010 zodat verweerster gehouden is dit besluit van het College uit te voeren. De rechtbank verwijst voorts, ten overvloede, nog naar haar uitspraak van 8 september 2011 (LJN BT6586) waarin is bepaald dat, ook in geval van bruikleen van een voorziening, het College bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen.

3.14. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.15. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb .

3.16. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, en mr. F.J. de Vries en mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2012.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb , binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 25 mei 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature