Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij brief van 16 maart 2010 heeft [appellant] het Praedinius Gymnasium te Groningen verzocht afschriften te verstrekken van alle complete dossiers, schoolrapporten, het schoolreglement, alle stukken met betrekking tot de medezeggenschapsraad (hierna: de MR) en schoolinformatie met betrekking tot zijn [zoon].

Uitspraak



201107185/1/A3.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Nieuw Scheemda, gemeente Oldambt,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 mei 2011 in zaak nr. 10/847 in het geding tussen:

[appellant]

en

stichting Stichting Openbaar Onderwijs Groep Groningen.

1. Procesverloop

Bij brief van 16 maart 2010 heeft [appellant] het Praedinius Gymnasium te Groningen verzocht afschriften te verstrekken van alle complete dossiers, schoolrapporten, het schoolreglement, alle stukken met betrekking tot de medezeggenschapsraad (hierna: de MR) en schoolinformatie met betrekking tot zijn [zoon].

Bij brief van 27 april 2010 heeft de rector van de school [appellant] uitgenodigd om een afspraak te maken met de jaarlaagcoördinator en de mentor voor inzage in het leerlingdossier, voor het schoolreglement verwezen naar de site van de school, voor het aanleveren van gegevens van de MR [appellant] uitgenodigd om contact op te nemen met de secretaris van de MR en voor schoolinformatie verwezen naar de schoolgids en de informatiebrochure.

Bij uitspraak van 24 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag van 16 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift alsnog aan de stichting verzonden met het verzoek de behandeling van dat beroepschrift als bezwaar over te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 24 juni 2011 heeft de stichting het door [appellant] tegen de brief van 27 april 2010 als bezwaar in behandeling genomen beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Tegen het besluit van 24 juni 2011 heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 29 juni 2011, beroep ingesteld. Na doorzending door de rechtbank is dit beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingekomen op 2 maart 2012.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een reactie ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] een schriftelijke reactie gegeven op het besluit van 24 juni 2011.

De stichting heeft een reactie ingediend.

[appellant] heeft een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 23 mei 2012.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 23b van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de Wvo) rapporteert het bevoegd gezag over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, voogden of verzorgers, dan wel aan de leerlingen zelf indien zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens.

Ingevolge die aanhef en onder c, wordt verstaan onder bestand: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is deze wet van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge het tweede lid bevat de mededeling, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Ingevolge artikel 45 geldt een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 35 voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Ingevolge artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2.2. [appellant] heeft in zijn verzoek om verstrekking van de afschriften medegedeeld dat er op grond van de wet door de ouders geen toestemming voor wordt verleend dat de school enige informatie verstrekt en dat de school de van toepassing zijnde informatie aan de ouders dient te verstrekken.

2.3. De stichting is ervan uitgegaan dat het verzoek van [appellant] om informatie was gebaseerd op artikel 23b van de Wvo en is van mening dat met de brief van 27 april 2010 in positieve zin is beslist op het informatieverzoek van [appellant] en dat op die wijze volledig is voldaan aan de in artikel 23b van de Wvo opgenomen inlichtingenverplichting.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 23b van de Wvo niet voorziet in de mogelijkheid om op aanvraag alle informatie van het schooldossier van de scholier te verkrijgen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het inleidend verzoek van [appellant] onder meer betrekking heeft op de door het gymnasium vastgelegde leerlinggegevens van zijn zoon en dat het vastleggen van dergelijke gegevens valt onder de Wbp. Deze wet is naar het oordeel van de rechtbank dan ook van toepassing op het verzoek van 16 maart 2010.

2.5. In hoger beroep voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat het verzoek is gedaan op grond van de Wbp. Hij stelt dat het verzoek is gedaan op grond van de Wob en dat het converteren van een Wob-verzoek in een Wbp-verzoek ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling niet is toegestaan.

2.5.1. [appellant] heeft pas in hoger beroep aangevoerd dat zijn inleidende verzoek moet worden aangemerkt als een verzoek ingevolge de Wob. Nu [appellant] in zijn verzoek uitdrukkelijk aan de school geen toestemming heeft verleend voor het verstrekken van enige informatie en heeft verzocht de gevraagde informatie uitsluitend aan de ouders te verstrekken, valt uit dit verzoek geenszins op te maken dat dit strekt tot openbaarmaking aan een ieder van de afschriften en daarmee onder de reikwijdte van de Wob valt. De stichting heeft het verzoek daarom terecht niet opgevat als ingediend op grond van de Wob en de rechtbank heeft terecht en op juiste gronden de Wbp van toepassing geacht.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank de informatieve brief van de rector van 27 april 2010 ten onrechte als een besluit in de zin van de Awb heeft aangemerkt. Het is een uitnodiging en een verwijzing klaarblijkelijk met het doel vast te stellen waarvan afschrift wordt verzocht. Ook ontbreekt de wettelijk verplichte rechtsmiddelenverwijzing en is de brief ondertekend met de woorden "met vriendelijke groet", waardoor [appellant] mocht menen dat deze brief dan ook geen besluit was, aldus [appellant]. Volgens hem houdt de brief mededelingen van feitelijke handelingen in en is deze niet op rechtsgevolg gericht.

2.6.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de brief van 27 april 2010 een besluit is op het verzoek van [appellant] van 16 maart 2010. De stichting heeft er terecht op gewezen dat in de brief van 27 april 2010 puntsgewijs is gereageerd op de verschillende gegevens waarom [appellant] heeft gevraagd. Zoals hiervoor is overwogen, diende het verzoek gelet op de bewoordingen te worden opgevat als gedaan ingevolge artikel 35 van de Wbp. Deze wet verplicht niet tot het verstrekken van afschriften van de beschikbare gegevens. De Afdeling deelt daarom het oordeel van de rechtbank dat met het bieden bij brief van 27 april 2010 van de mogelijkheid tot inzage in het schooldossier de rector namens de stichting op de aanvraag van [appellant] heeft beslist. Het al dan niet opnemen van de verplichte rechtsmiddelenverwijzing en de wijze van ondertekening is voor het antwoord op de vraag of de stichting op 27 april 2010 een besluit in de zin van de Awb heeft genomen niet doorslaggevend.

2.6.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het beslissen op de aanvraag van [appellant] betekent dat geen beroep meer kon worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarom heeft de rechtbank het beroep van [appellant] als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb terecht niet-ontvankelijk verklaard en doorgezonden naar de stichting ter behandeling als bezwaar.

2.6.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat geen dwangsom is verbeurd, slaagt niet. Ten tijde van de ingebrekestelling bij brief van 2 april 2010 was de termijn van vier weken waarbinnen de stichting een besluit had moeten nemen nog niet verstreken. Binnen twee weken nadat de stichting in gebreke had kunnen worden gesteld is alsnog beslist.

2.7. De overweging van de rechtbank dat [appellant] alle gevraagde stukken heeft verkregen, betreft een overweging ten overvloede die niet dragend is voor de beslissing in de aangevallen uitspraak. Hetgeen [appellant] daartegen heeft aangevoerd kan dan ook evenmin leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Bij besluit van 24 juni 2011 heeft de stichting zich op het standpunt gesteld dat [appellant] beschikt over alle aanwezige gegevens en dat ieder belang aan het door hem ingediende bezwaar is komen te ontvallen. Het bezwaar is op die grond niet-ontvankelijk verklaard. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van die wet, wordt het besluit van 24 juni 2011 geacht eveneens voorwerp te zijn van het geding.

2.9.1. In het tegen het besluit van 24 juni 2011 bij de rechtbank ingediende beroepschrift van 29 juni 2011 heeft [appellant] gesteld dat de stichting nog steeds niet heeft voldaan aan het verzoek van 16 maart 2010. Daarbij heeft [appellant] een nadere specificatie gegeven van berichten die door de stichting zijn verstuurd dan wel waarbij de stichting aanwezig was.

2.10. Bij brief van 12 juli 2011 heeft de stichting [appellant] aanvullende stukken toegezonden. Het betreft onverplicht toegezonden stukken uit de e-mailaccounts van de door [appellant] genoemde betrokkenen. Deze stukken vallen niet onder de reikwijdte van het informatieverzoek, omdat deze geen deel uitmaken van het schooldossier. Het op niet systematische wijze opslaan van deze gegevens is niet te kwalificeren als het verwerken van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wbp. Voorts beschikt de stichting niet over andere e-mailberichten en andere verslagen van schoolgesprekken dan die aan [appellant] zijn toegezonden. Ook het aanmeldingsformulier van [zoon] is hem toegezonden. Mitsdien moet ervan worden uitgegaan dat [appellant] ten tijde van het nemen van het besluit van 24 juni 2011 over alle verwerkte persoonsgegevens van zijn zoon beschikte. Het betoog faalt.

2.11. Het beroep tegen het besluit van 24 juni 2011 is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van de stichting Stichting Openbaar Onderwijs Groep Groningen van 24 juni 2011, kenmerk 00.034.208, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

97.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature