Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Hoogte van de WAZ-grondslag per 9 november 2007 van het per 13 juni 2005 bestaande recht op WAZ-uitkering isjuist vastgesteld. Dat per 14 juni 2006 een recht is ontstaan op een WIA-uitkering neemt niet weg dat bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond van de WAZ betrokkene nog verzekerde was op grond van de WAO, als bedoeld in artikel 8, twaalfde lid, van de WAZ . Per die datum was de Wet WIA nog niet in werking getreden, zodat op dat moment van verzekering op grond van de Wet WIA geen sprake kon zijn. Dit betekent dat appellant bij het bestreden besluit terecht heeft geanticumuleerd op een wijze als in dat artikellid voorgeschreven. Hier doet, gelet op de tekst van artikel 8, twaalfde lid, van de WAZ , niet aan af dat op de dag van de beoordeling, 9 november 2009, de Wet WIA in werking was getreden.

Uitspraak



11/1802 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 februari 2011, 10/1603 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 8 juni 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E.B. Wits, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2011.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

Namens betrokkene is mr. Wits verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene is op 21 juni 2004 gelijktijdig uitgevallen voor haar werkzaamheden in dienst van de Hogeschool Utrecht en haar werkzaamheden als zelfstandige.

2.1. Bij besluit van 26 juni 2006 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat zij per 14 juni 2006 recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

2.2. Bij besluit van 19 september 2006 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat zij per 13 juni 2005 recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

2.3. Bij besluit van 25 september 2006 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat per 14 juni 2006 de WAZ-grondslag € 0,00 per dag bedraagt, omdat deze per laatstgenoemde datum wordt verminderd met het WIA-dagloon. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt.

2.4. Het verzoek van betrokkene van 9 november 2007 om terug te komen van het besluit van 25 september 2006 is door appellant afgewezen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 12 januari 2010, 08/3764, geoordeeld dat appellant dit verzoek terecht heeft afgewezen. Zij heeft tevens geoordeeld dat appellant ten onrechte heeft nagelaten om een besluit te nemen over de grondslag van de WAZ-uitkering per 9 november 2007. Tegen deze uitspraak hebben partijen geen hoger beroep ingesteld.

2.5. Bij besluit van 25 maart 2010 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat de WAZ-grondslag per 9 november 2007 tevens wordt vastgesteld op € 0,00.

2.6. Bij (bestreden) besluit van 19 april 2010 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van

25 maart 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene op de datum waarop de wachttijd voor de WAZ eindigde, 13 juni 2005, verzekerd was ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Ingevolge artikel 8 van de WAZ moet de WAZ-grondslag worden verlaagd met het WAO- dagloon, waaraan niet afdoet dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene niet tot een WAO-uitkering maar tot een WIA-uitkering heeft geleid.

3.1. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat aangezien betrokkene op 21 juni 2004 arbeidsongeschikt is geworden, uit artikel 120 van de Wet WIA in samenhang met artikel 16 van de WAO volgt dat zij op grond van de Wet WIA verzekerd is. Omdat betrokkene geen verzekerde is in de zin van de WAO, is artikel 8 van de WAZ niet van toepassing. Omdat de wet geen aanknopingspunten biedt om bij gelijktijdige samenloop van uitkeringen ingevolge de Wet WIA en de WAZ tot anticumulatie over te gaan, is appellant gehouden de grondslag van de WAZ-uitkering van betrokkene per 9 november 2007 aan te passen en deze uitkering tot uitbetaling te laten komen.

3.2. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant per 9 november 2007 aan betrokkene een ongekorte WAZ-uitkering moet toekennen. De rechtbank heeft appellant veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de alsnog aan betrokkene na te betalen WAZ-uitkering, de gemaakte proceskosten en de door betrokkene betaalde griffierechten. Tevens heeft de rechtbank appellant tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn veroordeeld.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden. Appellant heeft benadrukt dat in het bestreden besluit niet de vraag in geschil is of aanspraak bestaat op een WAO -of een WIA-uitkering, maar dat de grondslag van de WAZ-uitkering in geschil is.

4.2. Volgens betrokkene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat artikel 8 van de WAZ niet van toepassing is. Daarnaast heeft betrokkene een verzoek gedaan om op grond van artikel 36, tweede lid, van de WAZ , de WAZ-uitkering in te laten gaan per 13 juni 2005, omdat er sprake is van een bijzonder geval nu de wettelijke basis voor de cumulatie achteraf bezien afwezig is geweest en het cumuleren contra legem is geweest.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. Tussen partijen is de hoogte van de WAZ-grondslag per 9 november 2007 in geschil van het per 13 juni 2005 bestaande recht op WAZ-uitkering.

5.3. Artikel 8, twaalfde lid, van de WAZ luidt als volgt:

Indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van dezelfde dag recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het dagloon dat aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag ligt.

5.4. Betrokkene is op 21 juni 2004 arbeidsongeschikt geworden en na het einde van de wachttijd van respectievelijk 52 en 104 weken is per 13 juni 2005 een recht ontstaan op een WAZ-uitkering en per 14 juni 2006 een recht ontstaan op een WIA-uitkering.

5.5. Dat per 14 juni 2006 een recht is ontstaan op een WIA-uitkering neemt niet weg dat bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond van de WAZ betrokkene nog verzekerde was op grond van de WAO, als bedoeld in artikel 8, twaalfde lid, van de WAZ . Per die datum was de Wet WIA nog niet in werking getreden, zodat op dat moment van verzekering op grond van de Wet WIA geen sprake kon zijn. Dit betekent dat appellant bij het bestreden besluit terecht heeft geanticumuleerd op een wijze als in dat artikellid voorgeschreven. Hier doet, gelet op de tekst van artikel 8, twaalfde lid, van de WAZ , niet aan af dat op de dag van de beoordeling, 9 november 2009, de Wet WIA in werking was getreden. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte het bestreden besluit vernietigd.

5.6. Het verzoek van betrokkene om toepassing van artikel 36, tweede lid, van de WAZ, valt buiten de omvan g van dit geding. Het bestreden besluit noch de aangevallen uitspraak hebben betrekking op de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsuitoefening van het Uwv. De Raad zal dan ook reeds om deze reden voorbijgaan aan dit verzoek van betrokkene.

5.7. De Raad is gelet op hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.6 van oordeel dat het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 19 april 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door voorzitter T. Hoogenboom en J. Brand en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) J.R. Baas.

TM


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature