Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Deelgeschil, afwijzing tweeledig verzoek, (i) omdat veroordeling betaling hoger voorschot zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure en (ii) omdat in dit stadium aansprakelijkheid (nog) niet kan worden vastgesteld

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 493208 / HA RK 11-195

Beschikking van 10 november 2011

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. F.M. Oudolf te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GVB EXPLOITATIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. N.C. Haase te Amsterdam.

Verzoekster zal hierna [verzoekster] worden genoemd. Verweerster zal hierna GVB worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift ter beslissing van een deelgeschil van 16 juni 2011, met producties,

- de tussenbeschikking van 11 augustus 2011 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

- het verweerschrift inzake deelgeschilprocedure van 15 augustus 2011 van GVB, met producties,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift, gehouden op 23 september 2011, met de daarin genoemde stukken,

- de brief van 27 september 2011 van mr. Haase.

1.2. De beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. [verzoekster] is op 3 december 2010 om 15.40 bij de halte Weesperplein in Amsterdam als passagier ingestapt op tram 7 van het Gemeentelijk vervoersbedrijf (GVB). Bij de halte Oosteinde is [verzoekster] om 15.42 weer uitgestapt. Aansluitend is [verzoekster] onderzocht op de afdeling spoedeisende hulp van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis.

2.2. Op 30 december 2010 heeft de raadsman van [verzoekster] een brief gestuurd aan GVB, waarin – voor zover thans van belang – het volgende staat:

“(…)

Mevrouw [verzoekster] (…) heeft mij verzocht haar belangen te behartigen betreffende het ongeval op 3 december ’10 jongstleden.

Op die datum, omstreeks 15.40 uur, is cliënte als passagier in tram 7 door plotseling remmen van de bestuurster gevallen; zij liep daarbij en daardoor rugletsel op.

(…)

Namens cliënte stel ik u hierbij aansprakelijk voor de letselschade die cliënte lijdt en nog zal lijden.

(…)”

2.3. Op 23 maart 2011 heeft VGA Verzekeringen (VGA) in haar hoedanigheid van verzekeraar van GVB een brief gestuurd aan de raadsman van [verzoekster]. Daarin staat, voor zover thans van belang, het volgende:

“(…)

Inmiddels heb ik de benodigde informatie van het GVB ontvangen.

De trambestuurster zegt niet op de hoogte te zijn van het ongeval van uw cliënte. Wegens het ontbreken van een bevestiging van het GVB en het ontbreken van getuigen, kan VGA Verzekeringen geen aansprakelijkheid erkennen voor het ongeval van 3 december 2010.

VGA is echter bereid om uw cliënte tegemoet te komen ten aanzien van de ongevalgerelateerde schade aangezien haar verhaal op grond van de nu ter beschikking staande stukken wel aannemelijk is.

Kunt u mij laten weten hoe het nu met uw cliënte gaat? Verder zou ik graag een onderbouwde schadestaat van u willen ontvangen.

(…)”

2.4. Op 3 mei 2011 heeft VGA wederom een brief gestuurd aan de raadsman van [verzoekster], waarin, voor zover thans van belang, het volgende staat:

“(…)

VGA Verzekeringen erkent geen aansprakelijkheid aangezien geen bewijs voor handen is waaruit blijkt dat uw cliënte (letsel-)schade heeft opgelopen in de desbetreffende tram.

(…)

U vraagt in uw brief van 1 april 2011 om een voorschot onder algemene titel van EUR 2.500,-. Helaas kan ik uw verzoek op dit moment niet goed beoordelen. Voor zover ik kan nagaan heb ik nog geen onderbouwde schadestaat van u gekregen (zie ook mijn brief van 23 maart 2011). Verder beschik ik ook nog niet over een advies van mijn medisch adviseur. In afwachting van dit alles heb ik een eerste voorschot van EUR 500,-overgemaakt (…). Uiteraard ben ik bereid om later aanvullend te bevoorschotten indien daartoe aanleiding bestaat.

(…)”

3. Het deelgeschil

3.1. [verzoekster] stelt dat zij op de hiervoor genoemde tramrit is gevallen, als gevolg waarvan zij letsel ondervindt. In haar verzoekschrift heeft [verzoekster] haar verzoek aan de rechtbank als volgt geformuleerd:

“[verzoekster] is van mening dat door althans namens het Gemeentevervoerbedrijf aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van het ongeval op 3 december 2010 moet worden erkend. De vervoerder is op grond van de wet (risico)aansprakelijk voor letsel dat de passagier tijdens het vervoer is overkomen, tenzij sprake is van overmacht.

[verzoekster] heeft belang bij die erkenning, zij behoeft geen genoegen te nemen met een ‘tegemoet willen komen’ of iets dergelijks: zonder erkenning bestaat immers geen wettelijke schadevergoedingsplicht. [verzoekster] heeft belang bij zekerheid op dit punt.

[verzoekster] heeft ook belang bij een substantieel voorschot onder algemene titel. Het gevraagde eerste voorschotbedrag van 2.500 euro is alleszins redelijk te achten, gegeven de aard en ernst van het letsel en de daardoor geleden en nog te lijden schade, zowel vermogensschade als nadeel niet in vermogensschade.

Zij behoeft daarom geen genoegen te nemen met het luttele bedrag van 500 euro.”

3.2. Ter mondelinge behandeling heeft de rechtbank het verzoek van [verzoekster] zo begrepen dat [verzoekster] verzoekt om (i) vast te stellen dat GVB aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en lijdt als gevolg van het ongeval, en (ii) GVB te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een voorschot van EUR 2.500,-.

Een beslissing van de rechtbank op deze beide punten kan volgens [verzoekster] bijdragen aan het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst.

3.3. GVB verweert zich tegen het verzoek van [verzoekster]. Zij stelt primair dat de verzoeken van [verzoekster] niet duidelijk zijn omschreven en derhalve niet voldoen aan de eisen van artikel 1019x lid 3 juncto artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bovendien is het onderhavige geschil volgens GVB niet aan te merken als een deelgeschil zoals bedoeld in de Wet Deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade. Er is geen sprake van een impasse tussen partijen waarbij door tussenkomst van de rechter het buitengerechtelijke onderhandelingstraject weer kan worden opgepakt, zodat het verzoek op grond van artikel 1019z Rv moet worden afgewezen. Ook inhoudelijk dient het verzoek van [verzoekster] volgens GVB te worden afgewezen, omdat [verzoekster] niet heeft aangetoond dat GVB op grond van artikel 8:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en/of artikel 12 van de Algemene Vervoervoorwaarden heeft aangetoond dat GVB aansprakelijk is en er dan ook geen betalingsverplichting rust op GVB. Volgens GVB hebben de betrokken trambestuurster en conductrice desgevraagd laten weten van geen ongeval af te weten. Indien GVB wel aansprakelijk zou zijn, dan heeft [verzoekster] niet aangetoond dat haar ongevalsgerelateerde schade hoger is dan het door GVB betaalde bedrag van EUR 500,-, aldus steeds [verzoekster].

4. De beoordeling

Lenen de verzoeken zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure?

4.1. Alvorens in te gaan op het inhoudelijke verzoek van [verzoekster], gaat de rechtbank in op de formele verweren van GVB, inhoudende dat het verzoek niet duidelijk is omschreven en dat ook overigens geen sprake is van een deelgeschil, met als gevolg dat [verzoekster] in haar verzoeken niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

4.2. Ter mondelinge behandeling heeft [verzoekster] haar verzoeken nader toegelicht en zijn deze door de rechtbank opgevat zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3.2 is weergegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is die omschrijving op zichzelf voldoende duidelijk. In zoverre verwerpt de rechtbank het verweer van GVB.

4.3. Ten aanzien van de vraag of de verzoeken zich lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure, oordeelt de rechtbank als volgt. Een deelgeschil is een geschil tussen partijen waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij of zij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w lid 1 Rv).

4.4. Het eerste verzoek van [verzoekster], dat er in essentie toe strekt dat in een deelgeschilprocedure wordt vastgesteld dat GVB jegens [verzoekster] aansprakelijk is voor de door haar geleden schade, valt in beginsel binnen de beschrijving van artikel 1019w Rv . Immers, indien zou worden vastgesteld dat GVB aansprakelijk is, kunnen partijen verder onderhandelen over de omvang van de schade. Het eerste verzoek van [verzoekster] leent zich dan ook voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

4.5. Dat geldt niet voor het tweede verzoek van [verzoekster], dat ertoe strekt dat GVB wordt veroordeeld een hoger voorschot te betalen dan het bedrag dat al is betaald. Gesteld noch gebleken is dat de hoogte van het reeds betaalde voorschot aanleiding is geweest voor het vastlopen van onderhandelingen tussen partijen. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking het verweer van GVB op dit punt, inhoudende dat zij in theorie best bereid zou zijn een hoger voorschot te betalen, mits meer bewijsstukken voorhanden zouden zijn over de toedracht van het ongeval en over de schade, alsmede de door [verzoekster] onvoldoende betwiste stelling van GVB dat [verzoekster] deze bewijsstukken ondanks herhaalde verzoeken daartoe niet heeft verschaft. Dit alles in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien dat beoordeling van het tweede verzoek van [verzoekster] kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering van [verzoekster] en dat derhalve geen sprake is van een deelgeschil in de zin van de Wet Deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade. Het tweede verzoek van [verzoekster] zal dan ook worden afgewezen.

Aansprakelijkheid GVB

4.6. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat het eerste verzoek van [verzoekster], betreffende de vraag of GVB aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden schade, binnen de kaders van de deelgeschilprocedure valt, ligt thans de vraag ter beoordeling voor of in dit concrete geval de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, op grond van artikel 1019z Rv . Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarbij de investering in tijd, geld en moeite moet worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren.

4.7. [verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat het GVB zowel wettelijk (op grond van artikel 8:105 BW) als contractueel (op grond van artikel 12 van de algemene vervoervoorwaarden ) aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval op 3 december 2010 heeft geleden en lijdt.

4.8. Het verweer van GVB komt er kort gezegd op neer dat niet vast staat dat het letsel verband houdt met het vervoer en dat het letsel tijdens het vervoer is opgelopen. Het enkel stellen van een niet behouden aankomst, zonder dat zelfs te bewijzen, is daartoe volgens GVB in elk geval onvoldoende.

4.9. Partijen zijn het erover eens dat de vraag of GVB aansprakelijk is voor schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval heeft geleden en/of lijdt, dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 8:105 BW. De rechtbank is van oordeel dat – mede in het licht van hetgeen GVB hierover heeft aangevoerd – thans (nog) niet vaststaat dat sprake is van letsel dat verband houdt met het vervoer en dat tijdens het vervoer is opgelopen. Een beslissing op het onderhavige deelgeschil vereist bij de huidige stand van zaken dan ook instructie, in de vorm van in elk geval getuigenverhoren. Daardoor weegt naar het oordeel van de rechtbank het (thans bekende) belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren niet op tegen de investering in tijd, geld en moeite die met de beslissing op dit deelgeschil gepaard zou gaan. Het verzochte met betrekking tot de vaststelling van aansprakelijkheid zal dan ook worden afgewezen.

Kosten

4.10. Ter zake van de kosten geldt het volgende. [verzoekster] heeft verzocht haar kosten van en voor deze verzoekschriftprocedure te begroten op EUR 1.832,60 (7 uren x EUR 220,- per uur, vermeerderd met 19% btw), te vermeerderen met het door [verzoekster] verschuldigde griffierecht.

4.11. GVB stelt zich op het standpunt dat geen kostenveroordeling kan worden uitgesproken, nu zij niet aansprakelijk is. Bovendien is deze deelgeschilprocedure volgens GVB volstrekt onnodig en onterecht aanhangig gemaakt, zodat geen begroting en veroordeling van de kosten kunnen worden uitgesproken.

4.12. De rechtbank is van oordeel dat, ofschoon de verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen, daarmee nog niet gezegd kan worden dat [verzoekster] deze deelgeschilprocedure volstrekt onnodig en onterecht is aangevangen. Daarbij betrekt de rechtbank in de overwegingen dat de concrete invulling van het begrip deelgeschil door de wetgever aan de rechtspraak is overgelaten en dat de Wet Deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade nog betrekkelijk kort in werking is.

Tegen het door [verzoekster] berekende aantal uren en het gehanteerde uurtarief heeft GVB inhoudelijk geen verweer gevoerd en deze komen de rechtbank ook niet bovenmatig voor. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de kosten op de voet van artikel 1019aa Rv begroten op EUR 1.832,60, te vermeerderen met het griffierecht ad EUR 258,-. Omdat de aansprakelijkheid van GVB niet vaststaat, zal het verzoek van [verzoekster] om GVB in de kosten van de deelgeschilprocedure te veroordelen worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het verzochte af,

5.2. begroot de kosten bij de behandeling van dit verzoek aan de zijde van [verzoekster] op EUR 2.090,60.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2011.?


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature