Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De verdachte heeft samen met zijn mededaders ten behoeve van de bevoorrading van een coffeeshop een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs aanwezig gehad, veel meer dan in het kader van het gedoogbeleid betreffende coffeeshops is toegestaan. Het hof houdt in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie niet eerder wegens het plegen van een overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.

Het hof heeft bij de vraag of sprake was van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet betekenis toegekend aan de gemaakte warmtescans.

Het hof legt de verdachte een geldboete van EUR 5.000,-- op.

Uitspraak



rolnummer 22-001769-10

parketnummer 09-665026-09

datum uitspraak 6 juni 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

16 maart 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 16 november 2011, 30 november 2011, 4 april 2012 en

23 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een geldboete van € 2.500,00, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 april 2008 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf (ten behoeve van coffeeshop [coffeeshop X]) opzettelijk heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt, althans aanwezig heeft gehad, ongeveer

- 11.118 joints, bevattende hennepprodukten en/of hasjiesj (gemiddeld 0,2 tot 0,3 gram per joint) en/of

- 4,47 kilogram vulling voor joints (bevattende (onder meer) hennepprodukten en/of hasjiesj) en/of

- 19,05 kilogram hennep(toppen) en/of

- 5,75 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid/hoeveelheden van (telkens) meer dan 30 gram van hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj telkens (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 07 april 2008 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer

- 11.118 joints, bevattende hennepprodukten en hasjiesj (gemiddeld 0,2 tot 0,3 gram per joint) en

- 4,47 kilogram vulling voor joints (bevattende (onder meer) hennepprodukten en/of hasjiesj) en

- 19,05 kilogram hennep(toppen) en

- 5,75 kilogram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het binnentreden in de percelen gelegen aan [adres Y] 44, 46 en 48 onrechtmatig is, nu ten tijde van het binnentreden geen sprake was van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Opiumwet .

In dat verband heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

A:

- Tussen de op 29 februari 2008 (beweerdelijk) geroken henneplucht en het binnentreden in de bewuste percelen op 7 april 2008 is sprake van een zodanig tijdsverloop dat niet meer kan worden volgehouden dat er op het moment van binnentreden nog sprake was van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet.

- De op 7 april 2008 verstrekte machtiging tot binnentreden was te ruim geformuleerd en voldoet mitsdien niet aan de daartoe gestelde wettelijke eisen als omschreven in artikel 6 van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi).

B:

De op 13 maart 2008 door [medewerker Z] uitgevoerde warmtescan is ondeugdelijk uitgevoerd. Het resultaat daarvan is niet betrouwbaar en kan geen grondslag voor een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet vormen.

In de visie van de verdediging dient al het bewijsmateriaal dat als gevolg van het binnentreden is verkregen dan ook als onrechtmatig verkregen te worden beschouwd en mitsdien van het bewijs te worden uitgesloten. Het resterende bewijs is volgens de verdediging onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van hetgeen ten laste is gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Door het hof op basis van wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden

Op 29 februari 2008 gingen de verbalisanten [A] en [B] naar aanleiding van een overvalalarm op het adres [adres Y] 48 te Zoetermeer ter plaatse. Aldaar constateerden verbalisanten voornoemd dat de percelen gelegen aan [adres Y] 44, 46 en 48 respectievelijk een woning en twee bedrijfsunits betreffen. Bij het naderen van de voordeur van perceel 48 roken de verbalisanten een hennepgeur, die naar hun waarneming vermoedelijk afkomstig was uit een afvalcontainer die voor perceel 48 stond. Na het openen van één van de zich in die container bevindende vuilniszakken constateerden de verbalisanten dat die vuilniszak geen hennepresten bevatte.

Vervolgens belden de verbalisanten bij perceel 46 aan. De man die de deur opende, werd door verbalisant [A] ambtshalve herkend als horecaportier uit het Zoetermeerse nachtleven. Nadat de verbalisanten de man de reden van hun komst hadden medegedeeld, reageerde de man volgens de verbalisanten "terughoudend, alsof hij iets te verbergen heeft". Desgevraagd antwoordde de man dat perceel 48 geen overvalalarm heeft. Op perceel 46 is volgens de man geen alarm afgegaan. Op de vraag van wie de garage op perceel 48 is, antwoordde de man dat die - evenals perceel 46 - van '[coffeeshop X]' is. Het is verbalisant [A] ambtshalve bekend dat '[coffeeshop X]' een ruimte is in het gebouw van "De Boerderij", ten aanzien waarvan de gemeente Zoetermeer een gedoogbeleid met betrekking tot de verkoop en het gebruik van softdrugs voert. Op perceel 46 is het [bedrijf J] gevestigd. Volgens de man staat dat bedrijf op naam van [man I] en [man II]. Verbalisant [A] is ambtshalve bekend dat [man I] en [man II] '[coffeeshop X]' in het verleden van softdrugs hebben voorzien.

Op verzoek van de verbalisanten opende de man de garage/schuurdeur van perceel 48. Zij zagen dat deze garage/schuur als opslagruimte wordt gebruikt en dat de ruimte tot zeker voor de helft was ingekort en daardoor nog maar 2,5 meter diep was. De ruimte kon om die reden niet meer als garage worden gebruikt. De verbalisanten zagen dat de garage over de gehele breedte door middel van een gipsplaat en een houten schot was afgetimmerd. Verbalisant [A] zag bovenin de gipsplaat iets dat op een ventilatierooster leek.

Desgevraagd door verbalisant [A] legitimeerde de man zich met een op zijn naam gesteld rijbewijs. De man is genaamd: verdachte, geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats], wonende aan [adres].

Op 13 maart 2008 werd door [medewerker Z], fraudespecialist van Eneco Energie een warmtescan op de percelen gelegen aan [adres Y] 44, 46 en 48 verricht. Op basis van die scan constateerde [medewerker Z] een verhoogde warmteconcentratie bij en afkomstig uit een (lucht)uitlaatrooster.

Op 7 april 2008 verleende inspecteur van politie [inspecteur C] een machtiging tot binnentreden. De machtiging strekt zich uit tot het binnentreden in de percelen 44, 46 en 48 aan [adres Y] te Zoetermeer ter naleving en controle op de Opiumwet.

Diezelfde dag omstreeks 09.00 uur werd het perceel gelegen aan [adres Y] 46 te Zoetermeer binnengetreden. In het perceel trof men de medeverdachte [medeverdachte I] aan. Er werden aanzienlijke hoeveelheden softdrugs aangetroffen.

Oordeel van het hof omtrent het door de verdediging gevoerde verweer

Ad A:

Naar het oordeel van het hof kan op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - worden vastgesteld dat er reeds op 29 februari 2008 sprake was van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van die wet. Dat redelijk vermoeden van een overtreding van de Opiumwet, als hiervoor omschreven, bestond alstoen op grond van met name de in de nabijheid van de betreffende panden waargenomen henneplucht, de afwerende houding van degene die de politie te woord stond, de informatie dat de panden 46 en 48 in gebruik waren bij een bedrijf, respectievelijk personen die zich bezig hielden of hadden gehouden met de verkoop dan wel het aanleveren van soft- drugs en de waarneming dat het pand op nummer 48 een ingekorte garage bevatte, waarbij zich in de scheidingswand een rooster leek te bevinden.

De op 13 maart 2008 uitgevoerde warmtescan (infraroodopname) valt aan te merken als een bevestiging en versterking van dat redelijk vermoeden.

Op grond van het op 29 februari 2008 gerezen vermoeden, dat bevestiging vond in de warmtescan, is op 7 april 2008 een machtiging tot binnentreden in de percelen 44, 46 en 48 gelegen aan [adres Y] te Zoetermeer verstrekt.

Het hof onderkent dat er sprake is van enig tijdsverloop tussen het ontstaan van het redelijk vermoeden op

29 februari 2008 en het binnentreden in bovengenoemde percelen. Het hof is echter van oordeel dat het tijdsverloop niet zodanig is dat er ten tijde van het verlenen van de machtiging niet meer kan worden gesproken van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet. De enkele omstandigheid dat er voor het verlenen van de machtiging tot binnentreden van 7 april 2008 geen herijking of controle van de bekende gegevens heeft plaatsgehad, doet daaraan niet af.

Ten aanzien van hetgeen de raadsman omtrent de machtiging tot binnentreden heeft aangevoerd, overweegt het hof dat verbalisant [inspecteur C] kennelijk heeft beoogd in de machtiging tot uitdrukking te brengen dat het binnentreden in de bewuste percelen tot doel heeft na te gaan of, zoals reeds werd vermoed, aldaar de Opiumwet werd overtreden.

Naar het oordeel van het hof voldoet de machtiging tot binnentreden dan ook aan de wettelijke eisen gesteld in artikel 6 van de Awbi .

Het verweer van de raadsman wordt in zoverre verworpen.

Ad B:

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat de warmtescan op ondeugdelijke wijze is uitgevoerd en de resultaten daarvan mitsdien onvoldoende betrouwbaar zijn om als grondslag voor het redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet te dienen, overweegt het hof als volgt.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat ten aanzien van de wijze waarop de infraroodopname is vervaardigd, een aantal ernstige onvolkomenheden moet worden vastgesteld. Dat neemt niet weg dat het hof de aan de warmtescan verbonden conclusie, namelijk dat sprake is van een verhoogde warmteconcentratie, afkomstig uit het luchtrooster in de muur op de tweede verdieping, voldoende betrouwbaar acht. In dat verband verwijst het hof naar hetgeen de deskundige Schwering ter terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2012 heeft verklaard (blz. 10 en 11 van het proces-verbaal, cursief weergegeven).

"(...)Ik denk dat het rooster de neiging heeft om de temperatuur van de uitstromende lucht aan te nemen. Ik denk dat dat ook geldt voor de daar direct omheen liggende buitenmuur. De vlek op de foto is niet zozeer de warme lucht, want die is ... niet (goed) waar te nemen, maar een deel van de muur die verwarmd is door de uitstromende (warme) lucht.

De stelling dat het lijkt alsof het deel van de muur bij spot 1 een paar graden warmer is dan de overige delen van de muur onderschrijf ik, mits er van wordt uitgegaan dat de muren overal identiek zijn. Ik kan geen uitspraak doen over de temperatuur van de lucht die naar buiten stroomt. Maar lucht die dit effect op de buitenmuur wil hebben, moet meer dan een paar graden warmer zijn dat het waargenomen temperatuurverschil.(...)

Er wordt mij gevraagd of een dergelijk effect kan optreden door natuurlijke luchtcirculatie of dat het proces moet zijn 'aangejaagd'. Het lijkt mij dat lucht die langs natuurlijke weg van binnen naar buiten stroomt, niet een dergelijk temperatuurseffect kan hebben. Het lijkt alsof er extra warme lucht naar buiten wordt geperst of gezogen".

De deskundige Hovens heeft op diezelfde terechtzitting verklaard het in grote lijnen eens te zijn met hetgeen de deskundige Schwering naar voren heeft gebracht (blz. 14 van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2012).

Op grond van de verklaringen van de deskundigen Schwering en Hovens komt het hof tot het oordeel dat het resultaat van de warmtescan kon worden aangemerkt als bevestiging van de gerezen verdenking en mede als (verdere) grondslag van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet kon dienen.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook op dit onderdeel verworpen.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu op grond van de stukken niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte opzettelijk softdrugs aanwezig heeft gehad. Ter adstructie van zijn betoog heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de in perceel 46 aangetroffen hoeveelheden softdrugs zich niet in de machtssfeer van de verdachte bevonden en hij evenmin wist dat die drugs daar lagen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2011 verklaard de gehele instroom van softdrugs naar coffeeshop '[coffeeshop X]' onder zijn hoede te hebben gehad. Volgens zijn verklaring droeg hij zorg voor de aankoop en de versnijding; hij was ten volle betrokken bij de werkzaamheden in de panden gelegen aan [adres Y] 46 en 48. Voorts heeft hij verklaard softdrugs van de producent naar het kantoor aan [adres Y] ter verwerking te hebben gebracht. Na verwerking daarvan bracht hij de softdrugs naar de '[coffeeshop X]'.

Op grond van bovengenoemde verklaring van de verdachte - in samenhang bezien met de omstandigheid dat hij op

29 februari 2008 in het perceel 46 aan het werk was - acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de op voornoemd perceel aangetroffen softdrugs zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden. Bovendien acht het hof op grond van diens verklaring voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte wetenschap had van de omstandigheid dat op voornoemd perceel een voorraad softdrugs was opgeslagen. Dat de verdachte mogelijk niet bekend was met de exacte omvang van die zeer aanzienlijke voorraad doet daaraan niet af.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,00, subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn mededaders ten behoeve van de bevoorrading van een coffeeshop een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs aanwezig gehad, veel meer dan in het kader van het gedoogbeleid betreffende coffeeshops is toegestaan.

Het hof houdt in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2012 niet eerder wegens het plegen van een overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.

In bovengenoemde omstandigheden ziet het hof aanleiding te volstaan met het opleggen van een lagere geldboete dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet , zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler,

mr. J.M. Reinking en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juni 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature