Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 26 september 2009 heeft de Belastingdienst de aan [wederpartij] toegekende voorschotten kinderopvang over het jaar 2008 herzien en vastgesteld op nihil.

Uitspraak



201109332/1/A2.

Datum uitspraak: 30 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2011 in zaak nr. 10/4734 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de Belastingdienst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2009 heeft de Belastingdienst de aan [wederpartij] toegekende voorschotten kinderopvang over het jaar 2008 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 oktober 2010 vernietigd en de Belastingdienst opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 september 2011.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2012, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij de Belastingdienst, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvan g (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde en voor zover hier van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 4 9 (voor 1 januari 2009) en artikel 5 (na 1 januari 2009), van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover hier van belang, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvan g op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2.2. Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 oktober 2010 niet in stand zijn gelaten en is bepaald dat de Belastingdienst een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van die uitspraak.

2.3. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] geacht wordt in bewijsnood te verkeren ten aanzien van het overleggen van bewijsstukken dat de gastouderopvang heeft plaatsgevonden op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko . Volgens de Belastingdienst mocht van [wederpartij] worden verwacht dat hij een deugdelijke administratie voerde, zodat hij desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang konden zijn, kon verstreken.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201100797/1/H2) bestaat geen recht op een voorschot kinderopvangtoeslag indien geen sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko , die de basis vormt voor de kinderopvang. Dit betekent mede gelet op artikel 18, eerste lid, van de Awir dat degene die stelt aanspraak te hebben op een voorschot kinderopvangtoeslag dat aan de hand van een schriftelijke overeenkomst met de houder moet aantonen.

Niet in geschil is dat [wederpartij] geen overeenkomst met het [gastouderbureau] in [plaats] heeft overgelegd. Dat, zoals door [wederpartij] in beroep is gesteld, hij niet in bezit is van die overeenkomst maar deze in de administratie van het gastouderbureau moet zitten en die administratie in beslag is genomen door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, een omstandigheid die gelet op artikel 5, eerste lid, van de Wko , gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Awir voor rekening en risico van [wederpartij] komt. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat [wederpartij] in bewijsnood verkeerde. De rechtbank heeft gelet hierop op een onjuiste grondslag nagelaten de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand te laten en bepaald dat de Belastingdienst met inachtneming van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit dient te nemen.

Niettemin bestaat in dit geval geen aanleiding tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Ter zitting van de Afdeling heeft de Belastingdienst een door zowel [wederpartij] als het gastouderbureau getekende overeenkomst overgelegd, afkomstig uit de in beslag genomen administratie van [gastouderbureau]. Hoewel deze overeenkomst niet is gedagtekend en derhalve niet als bewijs kan dienen dat de kinderopvang naar gesteld vanaf 1 april 2008 geschiedde op basis van een schriftelijke overeenkomst, was dit wel het geval vanaf de datum van inbeslagneming later in 2008 van de administratie van het gastouderbureau.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden waarop deze rust.

2.5. De Belastingdienst dient op de hierna aangeven wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de Belastingdienst/Toeslagen een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012

17-432.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature