Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag overname betalingsverplichtingen. Geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen betrokkene en de werkgever. Er stond niets op papier over de functie. Volgens betrokkene was er sprake van een mondelinge arbeidsovereenkomst. Er zijn geen loonstroken verstrekt, er zijn geen werknemers- of werkgeverspremies afgedragen en er is geen aangifte gedaan door betrokkene bij de belastingdienst van inkomsten uit dienstbetrekking bij werkgever. Uit de overgelegde bankafschriften kan niet worden afgeleid dat het gaat om loonbetalingen. Dat sprake was van een dienstbetrekking tussen betrokkene en de werkgever is dan ook onvoldoende gebleken.

Uitspraak



11/4223 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 juni 2011, 10/2134 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 4 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2012.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen en betrokkene is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft vanaf 1 maart 2008 werkzaamheden verricht als account manager voor de [naam werkgever] gevestigd te [vestigingsplaats]. Op 17 maart 2009 is de [de werkgever] failliet gegaan. Betrokkene heeft op 25 juni 2009 bij appellant een aanvraag overname betalingsverplichtingen ingediend.

2.1. Bij besluit van 14 juli 2009 heeft appellant geweigerd betrokkene een uitkering ingevolge artikel 61 van de Werkloosheidswet (WW) wegens betalingsonmacht toe te kennen.

2.2. Bij bestreden besluit van 19 november 2009 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 juli 2009 ongegrond verklaard. Appellant beschouwt betrokkene niet als werknemer.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Volgens de rechtbank had appellant op grond van de feiten nader onderzoek moeten instellen naar de concrete werkomstandigheden van betrokkene. Appellant heeft te veel belang gehecht aan de verklaring van de directeur van de [werkgever] dat er bij aanvang van de werkzaamheden is afgesproken volgens een agentuurovereenkomst te gaan werken. Het bestreden besluit is vernietigd, er dient een nader onderzoek plaats te vinden en appellant moet een nieuwe beslissing op het bezwaar nemen.

4. Appellant stelt zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak op het standpunt dat er voldoende onderzoek is gedaan naar de vraag of betrokkene als werknemer was aan te merken in de zin van de WW. Alle beschikbare feiten en omstandigheden wezen erop dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen betrokkene en de [werkgever]. Aanspraken in het kader van Hoofdstuk IV van de WW moeten daarnaast duidelijk aanwijsbaar zijn en niet aan gerede twijfel onderhevig zijn. Betrokkene is gevraagd om bewijsstukken te leveren. Met uitzondering van bankafschriften waaruit blijkt dat betalingen van de [werkgever] zijn ontvangen en een nieuwsbrief waarin betrokkene als nieuwe medewerker voor het [naam concept] wordt aangekondigd, heeft betrokkene geen bewijsstukken overgelegd. Van het ter beschikking stellen door de [werkgever] van een leaseauto en een telefoon zijn geen bewijsstukken overgelegd. Uit de ontvangen betalingen van de [werkgever] kan niet worden afgeleid dat er sprake was van loon voor arbeid. Volgens de gegevens van Suwinet is betrokkene bij de belastingdienst niet bekend. Betrokkene heeft in zijn belastingaangifte over het jaar 2008 geen melding gemaakt van inkomsten uit dienstbetrekking bij de [werkgever].

5.1. In tegenstelling tot de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant bij het bestreden besluit terecht het bezwaar tegen de beslissing - waarin aan betrokkene geweigerd is een uitkering ingevolge artikel 61 van de WW toe te kennen - ongegrond heeft verklaard. De Raad overweegt daartoe het volgende.

5.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of betrokkene kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW die ingeval van faillissement van de werkgever recht heeft op een uitkering in verband met nog te vorderen loon, vakantiegeld etc. Gelet op de artikelen 3 en 61 van de WW is daarvoor vereist dat hij tot de [werkgever] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (zie de arresten van 13 juli 2007, LJN BA6231 en van 25 maart 2011, LJN BP3887) en van de Raad (zie de uitspraken van 1 april 2011, LJN BQ0098 en van 15 april 2011,

LJN BQ1775) blijkt dat voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking maatgevend is of sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

5.3. Appellant heeft betrokkene herhaaldelijk verzocht om bewijs te leveren dat er sprake was van werknemerschap. Appellant heeft daarnaast onderzoek gedaan bij de curator, het administratiekantoor, de directeur van de [werkgever] en heeft Suwinet geraadpleegd, dat gekoppeld is aan de gegevens van de belastingdienst. Omdat er niets op papier stond over de functie heeft appellant betrokkene verzocht om een omschrijving te geven van diens werkzaamheden. Volgens betrokkene was er sprake van een mondelinge arbeidsovereenkomst, waarbij een nettoloon van € 2.700,- per maand was overeengekomen. Betrokkene was werkzaam als verkoper buitendienst. Volgens de brief van betrokkene van 10 oktober 2009 bestonden zijn werkzaamheden uit het vergroten van drukwerkopdrachten bij de samenwerkende drukkerijen, de verhoging van de te verzenden oplages en het Dealerplan (een constructie waarbij magazines ingezet worden als relatiegeschenken als zijnde proefabonnementen). Betrokkene heeft op geen enkele wijze gemotiveerd hoe hij inhoudt heeft gegeven aan deze werkzaamheden. Hij heeft alleen gesteld dat aan hem een auto en een telefoon ter beschikking zijn gesteld voor de uitvoering van deze werkzaamheden.

5.4. Uit de stukken blijkt dat er geen loonstroken zijn verstrekt, er geen werknemers- of werkgeverspremies zijn afgedragen en er geen aangifte is gedaan door betrokkene bij de belastingdienst van inkomsten uit dienstbetrekking bij [werkgever]. Uit de overgelegde bankafschriften kan niet worden afgeleid dat het gaat om loonbetalingen. Bovendien wisselen de betalingen in hoogte en zijn in bepaalde maanden geen betalingen door de [werkgever] verricht. De wijze waarop uitvoering is gegeven aan de overeenkomst en aldus daaraan inhoud is gegeven, wijst niet op een dienstbetrekking. Dat betrokkene in de nieuwsbrief wordt geïntroduceerd als nieuwe medewerker die het [naam concept] van extra power gaat voorzien en zich volledig gaat richten op de uitbouw en verkoop van dit concept, zegt niets over de aard van de overeenkomst en de verrichte werkzaamheden. Daarnaast is niet bewezen dat betrokkene in de hoedanigheid als werknemer gebruik maakte van een auto of een telefoon, verstrekt door de [werkgever]. Betrokkene heeft ook nooit een beroep gedaan op zijn rechten als werknemer. Niet is gebleken dat betrokkene juridische stappen heeft ondernomen om te worden aangemeld bij appellant als werknemer of in het bezit te worden gesteld van loonstroken. Noch heeft hij in de hoedanigheid van werknemer destijds een loonvordering ingesteld bij de [werkgever] voor de ontbrekende betalingen. Ook de curator heeft geen arbeidsovereenkomst aanwezig geacht. Er is geen ontslagvergunning aangevraagd voor betrokkene. Ook hiertegen heeft betrokkene geen juridische stappen ondernomen. Dat sprake was van een dienstbetrekking tussen betrokkene en de [werkgever] is dan ook onvoldoende gebleken. Het standpunt van betrokkene dat hij op goed vertrouwen een mondelinge arbeidsovereenkomst is aangegaan, maakt dit niet anders.

5.5. Uit het overwogene in 5.1 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal doen wat de rechtbank zou behoren te doen door het inleidend beroep ongegrond te verklaren.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2012.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) N.S.A. El Hana.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

TM


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature