Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 18 juni 2010, kenmerk 2009-021073, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Arnhem bij besluit van 19 oktober 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Kleefse Waard - Koningspley Noord" (hierna: het plan).

Uitspraak



201007346/1/R2.

Datum uitspraak: 16 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Westervoort,

2. de vereniging Bewonersvereniging Stadseiland Arnhem, gevestigd te Arnhem,

3. de Werkgroep Arnhem Geen Asfaltcentrale, gevestigd te Arnhem,

4. de stichting Stichting Wijkraad Mosterdhof Struijkendoorn De Weem, gevestigd te Westervoort,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2010, kenmerk 2009-021073, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Arnhem bij besluit van 19 oktober 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Kleefse Waard - Koningspley Noord" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben het college van b&w van Westervoort bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2010, de Bewonersvereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2010, de Werkgroep bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2010, en de Wijkraad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2010, beroep ingesteld. De Bewonersvereniging heeft haar beroep aangevuld bij brief van 26 augustus 2010.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht twee deskundigenberichten uitgebracht.

Het college van b&w van Westervoort, de Bewonersvereniging, de Werkgroep, de Wijkraad en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad en het college van b&w van Westervoort hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2012, waar het college van b&w van Westervoort, vertegenwoordigd door E.G.A. van Karnenbeek en F. Schoonderbeek, de Bewonersvereniging, vertegenwoordigd door A.N. Achterstraat, de Werkgroep, vertegenwoordigd door A.M. Boerboom en B.W. Penninks, bijgestaan door mr. J.J. Molenaar, advocaat te Arnhem, de Wijkraad, vertegenwoordigd door A. Bleumink, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Thunnissen, advocaat te Arnhem, en ING. L. Berrevoets, ir. J. Doornbos en mr. A. Meijers, allen werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

Intrekking

2.1. Ter zitting hebben de Werkgroep en de Wijkraad hun beroepsgrond dat vanwege de wijziging van de Akzo-haven ten onrechte geen milieu-effectrapportage is opgesteld ingetrokken. De Bewonersvereniging heeft ter zitting haar beroepsgrond over de verouderde ondergrond van de plankaart ingetrokken.

Ontvankelijkheid

2.2. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Awb , worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3. De raad betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzitter van 5 november 2010 met zaak nr. 201007346/2/R2 dat de Werkgroep niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

2.3.1. Vast staat dat de Werkgroep niet een bij notariële akte opgerichte rechtspersoon is en niet over eigen statuten beschikt. Derhalve moet worden beoordeeld of de Werkgroep kan worden aangemerkt als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek . In dit verband is van belang dat de Werkgroep een ledenlijst heeft overgelegd waarop negen leden staan vermeld. Hiermee is naar het oordeel van de Afdeling genoegzaam aangetoond dat er een ledenbestand is. Uit de stukken blijkt dat de Werkgroep is opgericht met als doel het voorkomen van de komst van een asfaltcentrale naar Arnhem, in het bijzonder naar Koningspley Noord. Het bestuur bestaat uit een voorzitter en twee secretarissen. De Werkgroep stelt dat met enige regelmaat ledenvergaderingen en bestuursvergaderingen worden gehouden. Ter onderbouwing hiervan zijn door de Werkgroep notulen van deze vergaderingen overgelegd. Door de Werkgroep is ter zitting toegelicht dat de leden samenkomen indien daarvoor aanleiding bestaat. De Werkgroep heeft een eigen website waarop onder meer nieuwsbrieven verschijnen. Verder heeft de Werkgroep ter zitting onweersproken gesteld dat zij op kenbare wijze als zelfstandige eenheid aan het rechtsverkeer deelneemt.

Gelet op het voorgaande bezien in onderling verband en samenhang dient de Werkgroep te worden aangemerkt als een organisatorisch verband dat is opgericht voor een bepaald doel en als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer. De Werkgroep voldoet derhalve aan de in de uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704378/1 genoemde vereisten om te kunnen worden aangemerkt als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid.

2.3.2. Gelet op het in de vorige overweging omschreven doel, de feitelijke werkzaamheden en de omstandigheid dat het plan de vestiging van een asfaltcentrale na het verlenen van vrijstelling niet uitsluit, is de Afdeling van oordeel dat de Werkgroep een rechtstreeks door het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt. Derhalve kan de Werkgroep als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

2.4. De raad betoogt dat het beroep van de Wijkraad niet-ontvankelijk is, omdat de afstand tussen het plangebied en de woonwijken Mosterdhof, Struijkendoorn en De Weem te groot is om de Wijkraad als belanghebbende te kunnen aanmerken.

2.4.1. Ingevolge artikel 2 van de statuten van de Wijkraad stelt zij zich ten doel het behartigen van de belangen van de bewoners van de wijken Mosterdhof, Struijkendoorn en De Weem te Westervoort, meer speciaal met betrekking tot de kwaliteit van wonen in deze wijken en voorts het verrichten van al hetgeen daarmede in de meest ruime zin verband houdt of daarvoor bevorderlijk kan zijn. Door de Wijkraad is ter zitting onweersproken gesteld dat hij feitelijke werkzaamheden verricht. Tussen partijen is niet in geschil dat de afstand tussen het plangebied en de wijk Mosterdhof, welke het dichtst bij het plangebied ligt, ongeveer 600 meter bedraagt. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt en nu nadelige gevolgen daarvan voor de bewoners van de voornoemde wijken op voorhand niet kunnen worden uitgesloten, is de Afdeling van oordeel dat de Wijkraad ondanks de afstand door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat hij in het bijzonder behartigt. De Wijkraad is dan ook belanghebbende bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb .

2.5. Verder betoogt de raad dat het beroep van het college van b&w van Westervoort niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het bestemmingsplan niet van invloed is op de ruimtelijke ordening van de gemeente Westervoort.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2008 in zaak nr. 200800581/1) is de ruimtelijke ordening van het grondgebied van een gemeente een mede aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwd belang. Dit volgt onder meer uit de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstellingen op grond van bepalingen uit bestemmingsplannen. In zoverre kan het belang van een goede ruimtelijke ordening als een aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwd belang worden aangemerkt.

Het plan heeft betrekking op een bestaand bedrijventerrein en daarnaast voorziet het plan in de uitbreiding van het bedrijventerrein. Uit de stukken volgt dat voor het bestaande bedrijventerrein destijds een geluidzone is vastgesteld welke mede is gelegen op gronden behorende tot de gemeente Westervoort. De raad heeft gesteld dat de geluidzone aan de kant van Westervoort niet wordt gewijzigd door het plan. De Afdeling overweegt dat de gevolgen van het plan zich reeds vanwege de omstandigheid dat de geluidzone mede op het grondgebied van de gemeente Westervoort ligt, ook aldaar kunnen voordoen. Gelet hierop zijn de belangen van een goede ruimtelijke ordening van de gemeente Westervoort naar het oordeel van de Afdeling rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken. Het college van b&w van Westervoort kan gelet op het vorenstaande als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

Toetsingskader

2.6. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO , gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb , rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.7. Het plan voorziet in de ontwikkeling van de gebieden Koningspley Noord, Akzo-haven, Oude Veerweg en de Verlengde Nieuwe Haven tot een nieuw bedrijventerrein en de actualisatie van het bestaande bedrijventerrein.

Formele beroepsgronden

2.8. Het college van b&w van Westervoort en de Wijkraad voeren aan dat enkele rapporten die als onderbouwing van het plan dienen buiten de wettelijke inzagetermijn zijn opgesteld. Dit is volgens het college van b&w van Westervoort in strijd met artikel 3:11 van de Awb . De Wijkraad acht de handelwijze van de raad in strijd met het beginsel van fair play, omdat hierdoor de mogelijkheid van inspraak is ontnomen.

2.8.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3. 4 van de Awb van toepassing, aangevuld met enkele voorschriften in artikel 23 van de WRO .

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan als gevolg van aanvullende onderzoeken vier rapporten tot stand zijn gekomen. Nu deze rapporten ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan nog niet bestonden, bestond er ook geen verplichting om deze stukken met het ontwerp ter inzage te leggen.

Uit de WRO noch enige andere wettelijke bepaling volgt dat de raad gehouden is indieners van zienswijzen door toezending dan wel terinzagelegging in kennis te stellen van stukken met betrekking tot het plan die na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan aan hem bekend worden. Onder omstandigheden kan echter uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het plan aanleiding bestaan betrokkenen in kennis te stellen van dergelijke nadere stukken en aan hen gelegenheid te bieden daarop te reageren. In dit geval bestond hiertoe aanleiding, aangezien de rapporten zijn gebruikt ter onderbouwing van het vaststellingsbesluit en het bestreden besluit. De raad heeft gesteld dat de aanvullende rapporten bij brief van 7 mei 2009 zijn toegezonden aan degene die een zienswijze hadden ingediend waarbij de gelegenheid is geboden om op bedoelde rapporten te reageren. Het college van b&w van Westervoort en de Wijkraad hebben dit bevestigd. Nu zij de rapporten hebben kunnen inzien en daarop hebben kunnen reageren is in zoverre zorgvuldig gehandeld. Daarbij komt dat, hetgeen tussen partijen niet in geschil is, de bedoelde rapporten met het vastgestelde plan ter inzage hebben gelegen.

Gelet op het vorenstaande falen de betogen dat de raad in strijd met het beginsel van zorgvuldigheid dan wel fair play heeft gehandeld. De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat het college het plan vanwege de handelwijze van de raad niet had mogen goedkeuren.

2.9. Het college van b&w van Westervoort voert aan dat het vanwege het lange tijdsverloop tussen de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en het vaststellingsbesluit alsmede vanwege gewijzigde inzichten met betrekking tot de asfaltcentrale in de rede had gelegen om een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen.

2.9.1. Ingevolge artikel 25 van de WRO beslist de gemeenteraad binnen acht weken, of indien over het ontwerp tijdig een zienswijze naar voren is gebracht, binnen vier maanden na afloop van de in artikel 3:16, eerste lid van de Awb genoemde termijn omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Weliswaar is de in artikel 25 van de WRO gestelde termijn overschreden, maar uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Wat betreft de door het college van b&w van Westervoort genoemde omstandigheid dat met betrekking tot de asfaltcentrale wijzigingen hebben plaatsgevonden, wordt overwogen dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college in de termijnoverschrijding aanleiding had moeten zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.10. De Wijkraad voert aan dat het college onvoldoende op de bedenkingen over de natuurtoets, de plankaart en de watertoets is ingegaan.

2.10.1. De Afdeling overweegt dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze bedenkingen. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, geeft op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

MER

2.11. De Bewonersvereniging, de Werkgroep en de Wijkraad betogen dat ten onrechte geen milieu-effectrapportage (hierna: MER) is opgesteld. Volgens hen bestond daartoe gelet op de omvang van de (her)ontwikkeling van het industriegebied Arnhem Noord, waar het onderhavige plangebied deel van uitmaakt, een verplichting. Door de (her)ontwikkeling van het industrieterrein Arnhem Noord onder te brengen in afzonderlijke bestemmingsplannen wordt deze verplichting ten onrechte ontweken, zo stellen de Bewonersvereniging en de Wijkraad.

2.11.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat voor een bedrijventerrein als het onderhavige geen MER-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Volgens het college en de raad blijft de oppervlakte van de uitbreiding van het bedrijventerrein onder de drempelwaarde en zijn geen andere bijzondere omstandigheden aanwezig die aanleiding geven voor een m.e.r.-beoordeling.

2.11.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer in samenhang bezien met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: Besluit m.e.r.) worden als activiteiten bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer in samenhang bezien met artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r. worden als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of een MER moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In de onderdelen C en D van de bijlage wordt in onderscheidenlijk categorie 11.2 en categorie 11.3, voor zover thans van belang, bepaald dat een MER dient te worden gemaakt dan wel beoordeeld dient te worden of een MER dient te worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan dat voorziet in de aanleg onderscheidenlijk de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bedrijventerrein in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 150 ha of meer onderscheidenlijk 75 ha of meer.

2.11.3. Het plangebied maakt deel uit van het industrieterrein Arnhem Noord. In het deskundigenbericht staat dat het industrieterrein Arnhem Noord bestaat uit het bedrijventerrein Kleefse Waard - Koningspley Noord, het bedrijventerrein Het Broek, het bedrijventerrein Westervoortsedijk en het voormalige terrein van Coberco. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat uitsluitend het onderhavige plan voorziet in een uitbreiding van het industrieterrein. De uitbreiding is voorzien in de in het plangebied gelegen deelgebieden Koningspley Noord en de voormalige Akzo-haven. Tussen partijen is niet in geschil dat de uitbreiding van het bedrijventerrein een oppervlakte heeft van ongeveer 29,7 hectare. Derhalve wordt de in de bijlage, onder 11.3 van onderdeel D, van het Besluit m.e.r. genoemde drempelwaarde van 75 hectare of meer niet overschreden.

2.11.4. Hoewel de drempelwaarde niet wordt overschreden, dient gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009, Commissie tegen Nederland, C-255/08 (www.curia.europa.eu) te worden gekeken naar andere factoren als bedoeld in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten - zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 - die aanleiding kunnen geven om toch een m.e.r.-beoordeling of MER op te stellen. Enkele factoren die in bijlage III worden genoemd zijn de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor onder meer gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd en speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG, en de orde van grootte van het effect van het project.

In de directe omgeving van het plangebied liggen twee Natura 2000-gebieden. Uit het deskundigenbericht volgt dat de afstand van het plangebied tot het ten zuiden daarvan gelegen deel van het Natura 2000-gebied "Gelderse Poort" 50 meter bedraagt en dat het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden van de IJssel" ten oosten van het plangebied ligt op een afstand van 70 meter. Gelet hierop en gelet op bijlage III van voormelde richtlijn heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waaronder de betrokken activiteit wordt ondernomen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit klemt te meer nu volgens het deskundigenbericht mogelijk sprake is van cumulatie van effecten vanwege de nabijheid van andere bedrijventerreinen. De omstandigheid dat een milieuaspectenstudie is uitgevoerd in welk kader onder meer een natuurtoets is verricht, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien in de milieuaspectenstudie en de ten behoeve daarvan verrichte onderzoeken niet voldoende is ingegaan op de factoren uit bijlage III van voormelde richtlijn. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb . Overigens heeft de raad inmiddels een m.e.r.- beoordeling laten uitvoeren.

2.11.5. Het door de Wijkraad aangevoerde dat hij vanwege het ontbreken van relevante informatie aangaande de MER niet tijdig een zienswijze naar voren heeft kunnen brengen tegen het ontwerpbestemmingsplan Het Broek, kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, omdat het bestemmingsplan "Kleefse Waard - Koningspley Noord" ter beoordeling voor ligt.

Behoefte

2.12. De Bewonersvereniging en de Werkgroep betwisten dat behoefte bestaat aan de in het plan voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein. Vanwege de gewijzigde economische omstandigheden en de neerwaartse bijstellingen van de ramingen voor de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen, acht de Bewonersvereniging het te voorbarig om Koningspley Noord al als bedrijventerrein te bestemmen. De Werkgroep brengt naar voren dat de noodzaak van de bestemmingswijziging van Koningspley Noord dient te worden onderzocht. Verder merkt de Werkgroep op dat op een ander bedrijventerrein in Arnhem een bestemmingswijziging naar wonen heeft plaatsgevonden vanwege gebrek aan behoefte aan dat bedrijventerrein.

2.12.1. Het college onderschrijft de weerlegging van de raad dat de noodzaak van de uitbreiding van het bedrijventerrein voldoende is aangetoond.

2.12.2. De plantoelichting vermeldt dat uit de Beleidsnota bedrijventerreinen Knooppunt Arnhem Nijmegen (hierna: KAN) 2003-2006 blijkt dat het KAN vergeleken met het Nederlandse gemiddelde economisch gezien één van de sterker groeiende gebieden is en dat dit ook de toekomstverwachting is. Voor de korte en middellange termijn (2001-2010) lijken vraag en aanbod op de bedrijventerreinen in het KAN redelijk op elkaar te zijn afgestemd, maar op de lange termijn (2010-2020) zal een tekort aan gemengde bedrijventerreinen ontstaan. Verder staat in de plantoelichting dat in de regio Arnhem in de A12-zone al eerder een tekort aan gemengde bedrijventerreinen zal ontstaan.

2.12.3. In de beantwoording van de zienswijzen heeft de raad uiteengezet dat in de voornoemde beleidsnota op basis van scenario's van het CPB en rekening houdend met mogelijke ruimtewinst door herstructurering, de uitbreidingsbehoefte voor bedrijventerreinen in de stadsregio Arnhem Nijmegen is berekend. Daaruit is naar voren gekomen dat ontwikkelingen in onder meer Arnhem nodig zijn om de groei van het bedrijfsleven te kunnen faciliteren. Daarnaast wijst de raad erop dat de uitbreidingsbehoefte op basis van nieuwe CPB-scenario's uit 2005 door de provincie Gelderland opnieuw is onderzocht in het rapport Gelderland in Vier Bedrijven van december 2006. In dit rapport is een overzicht opgenomen met de uitbreidingsvraag naar bedrijventerreinen per vijfjaarsperiode per gemeente. Voor Arnhem is daarin de volgende uitbreidingsbehoefte opgenomen: 46,3 hectare voor de jaren 2006-2010, 32,1 hectare voor de jaren 2011-2015, 20,9 hectare voor de jaren 2016-2020 en 4,8 hectare voor de jaren 2021-2025.

2.12.4. De Afdeling overweegt dat onderzoek is verricht naar de behoefte aan bedrijventerreinen. Uit het rapport Gelderland in Vier Bedrijven volgt dat tot 2025 behoefte bestaat aan ruim 100 hectare nieuwe bedrijventerreinen. In het rapport is aandacht besteed aan de gevolgen van de kredietcrisis voor de vraag naar bedrijventerreinen. Ter zitting is van de zijde van het college toegelicht dat onverminderd behoefte bestaat aan uitbreiding van het bedrijventerrein, te meer vanwege de ligging van het bedrijventerrein aan het water zodat zich ter plaatse watergebonden bedrijven kunnen vestigen. Verder is van belang dat de raad onbetwist heeft gesteld dat de vraag naar bedrijventerreinen hoger zal uitvallen dan opgenomen in het voornoemde rapport indien rekening wordt gehouden met de opvang van de vraag uit omliggende gemeenten, de extra vraag door transformatie van bestaande bedrijventerreinen naar andere functies en de extra vraag die voortkomt uit bovenregionale bedrijfsverplaatsingen. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende behoefte bestaat aan de in het plan voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein met 29,7 hectare.

Fasering

2.13. De Bewonersvereniging en de Werkgroep voeren aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in een fasering tussen de (her)ontwikkeling van het bestaande bedrijventerrein en de ontwikkeling van Koningspley Noord. Volgens de Bewonersvereniging had aansluiting gezocht moeten worden bij het ontwerp van de Structuurvisie Bedrijventerreinen en werklocaties van de provincie Gelderland van september 2009 (hierna: de Structuurvisie). In die structuurvisie staat dat de zogenoemde SER-ladder als uitgangspunt wordt gehanteerd bij het accommoderen van ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen. Op grond daarvan dient eerst beschikbare ruimte geoptimaliseerd te worden door herstructurering, daarna dient de ruimte beter benut te worden door meervoudig ruimtegebruik en intensivering en pas als laatste is, indien nodig, uitbreiding aan de orde.

De Werkgroep betoogt dat het plan in strijd is met de Structuurvisie, omdat daarin het uitgangspunt is opgenomen dat eerst optimaal gebruik dient te worden gemaakt van bestaande bedrijventerreinen alvorens nieuwe bedrijventerreinen worden gerealiseerd.

2.13.1. Het college heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat het ontwerp van de Structuurvisie met ingang van 13 oktober 2009 ter inzage heeft gelegen en dat het plan zich op dat moment reeds in een vergevorderd stadium bevond. Het college heeft besloten dat plannen waarover reeds een positief advies is uitgebracht in het kader van het vooroverleg zullen worden getoetst aan het geldende beleid.

2.13.2. De Afdeling overweegt dat de Structuurvisie door Provinciale Staten is vastgesteld na het nemen van het bestreden besluit, zodat het plan hieraan niet behoefde te worden getoetst. Het college heeft het plan getoetst aan het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het Streekplan). Uit het Streekplan volgt dat het beleid voor bedrijventerreinen is gericht op de zorg voor voldoende aanbod van kwalitatief hoogwaardige, op de vraag van het bedrijfsleven afgestemde, bedrijventerreinen. Uitgangspunt is dat in iedere regio door de samenwerkende gemeenten op regionale bedrijventerreinen geschikte ruimte wordt gereserveerd. De noodzaak tot uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen of de ontwikkeling van nieuwe moet worden bezien in relatie tot de mate waarin met inbreiding en/of herstructurering van bestaande terreinen ruimte voor bedrijvigheid kan worden gevonden. Wanneer dit niet het geval is, dient de ontwikkeling van bedrijventerreinen ruimtelijk te worden geconcentreerd en gebundeld op de beste locaties en dus zoveel mogelijk aan te sluiten bij stedelijk gebied en infrastructuur, zo vermeldt het Streekplan.

2.13.3. Volgens het deskundigenbericht wijkt het streekplanbeleid wat betreft de uitbreiding van bedrijventerreinen niet af van het thans gevoerde beleid waarin de SER-ladder als uitgangspunt wordt gehanteerd. In de zienswijze op het deskundigenbericht sluit de Werkgroep zich hierbij aan. In dit verband stelt de Werkgroep zich op het standpunt dat het plan niet voldoet aan trede 1 en 2 van de SER-ladder, omdat op het bedrijventerrein Kleefse Waard nog een groot oppervlakte aan bedrijfsruimten beschikbaar is. De Afdeling overweegt terzake dat het beleid aangaande de uitbreiding van bedrijventerreinen uit het Streekplan en de Structuurvisie weliswaar deels dezelfde elementen bevat, maar dat in het Streekplan niet valt te lezen dat uitbreiding van het ruimtegebruik pas aan de orde kan zijn na herstructurering en het beter benutten van de ruimte door meervoudig ruimtegebruik en intensivering. Voor zover de Werkgroep aanvoert dat sprake is van strijd met Streekplan wordt overwogen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van strijd met dit beleid, waarbij van belang is geacht dat de uitbreiding van het bedrijventerrein een logische afronding vormt van het bestaande bedrijventerrein. Verder betrekt de Afdeling bij haar oordeel dat de noodzaak tot uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein is ingegeven door de behoefte die daaraan bestaat en dat het plan daarnaast deels voorziet in herstructurering van bestaand ruimtegebruik. Voor het oordeel dat het plan voor zover daarin geen faseringsregeling is opgenomen zich niet met het Streekplan verdraagt bestaat derhalve geen aanleiding.

2.13.4. Verder overweegt de Afdeling dat geen wettelijke verplichting bestaat een faseringsregeling in het bestemmingsplan op te nemen. De omstandigheid dat in het ontwerp van de Structuurvisie ten aanzien van de ruimtebehoefte van bedrijventerreinen een gefaseerde ontwikkeling staat beschreven, brengt niet met zich dat om die reden in de planvoorschriften een faseringsregeling dient te worden opgenomen. Zoals in overweging 2.13.2 is overwogen behoefde aan dit beleid niet te worden getoetst. Tevens acht de Afdeling het niet onredelijk dat niet op het voorgenomen beleid is geanticipeerd. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanleiding bestaat voor het opnemen van een faseringsregeling in het plan. Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen instemmen met het ontbreken van een faseringsregeling in het plan.

Toegestane categorieën bedrijven

2.14. Het college van b&w van Westervoort, de Bewonersvereniging, de Werkgroep en de Wijkraad richten zich tegen de in het plan opgenomen vrijstellingsbepalingen op grond waarvan onder meer de vestiging van categorie 5 bedrijven is toegelaten. Zij betogen dat deze vrijstellingsbepalingen onvoldoende objectief begrensd zijn.

De Bewonersvereniging, de Wijkraad en de Werkgroep achten de vestiging van categorie 5 bedrijven in het plangebied niet passend. Zij vinden de in de planvoorschriften gestelde voorwaarde dat door de vestiging van dergelijke bedrijven geen blijvend onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu mag plaatsvinden onvoldoende duidelijk. Volgens de Werkgroep is niet geheel duidelijk van welk voorschrift vrijstelling kan worden verleend.

Daarnaast stellen het college van b&w van Westervoort en de Werkgroep dat de voorwaarde dat de vestiging van een bedrijf passend dient te zijn in het uitgiftebeleid en de visie "Koningspleijn" niet objectief begrensd is. Zij voeren aan dat niet te herleiden is welke stukken bedoeld worden, nu deze niet zijn beschreven of gedateerd en geen deel uitmaken van het bestemmingsplan. Het is de Werkgroep onduidelijk welk bestuursorgaan het uitgiftebeleid op grond van artikel 4:81 van de Awb heeft vastgesteld. Bovendien kan van het uitgiftebeleid worden afgeweken en is de juridische status van de visie "Koningspleijn" niet bekend bij de Werkgroep.

2.14.1. Het college heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat bedrijven die niet voorkomen op de bedrijvenlijst middels een vrijstellingsbevoegdheid kunnen worden toegelaten indien deze bedrijven qua milieuhinder en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met bedrijven die wel op de bedrijvenlijst voorkomen. Daarnaast dienen de bedrijven te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving voor de verschillende milieuaspecten. Verder stelt het college dat voldoende duidelijk is wat met de termen 'niet blijvend' en 'onevenredig' wordt bedoeld.

2.14.2. Ingevolge artikel 2.1, lid 2. 1.1, aanhef en onder a, sub 1, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in de als bijlage 1 bij deze voorschriften opgenomen bedrijvenlijst, waarbij het op de plankaart noordoostelijk gelegen bestemmingsvlak met de aanduiding "b<=3" uitsluitend is bestemd voor bedrijven tot en met categorie 3 van de bedrijvenlijst.

Ingevolge artikel 2.1, lid 2.1.3, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 2.1.1 voor de vestiging van dan wel wijziging of aanpassing van een bestaand bedrijf in een bedrijf (of een gedeelte daarvan), dat niet in de bedrijvenlijst voorkomt, mits:

1. door vestiging van het desbetreffende bedrijf, in vergelijking met bedrijven die wel in de bedrijvenlijst zijn opgenomen, geen blijvend onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu zal plaatsvinden;

2. dit passend is in het uitgiftebeleid en de visie "Koningspleijn";

3. en de maximale productiecapaciteit van het desbetreffende bedrijf niet van zodanige omvang is dat een milieu-effectrapportage beoordeling dan wel het opstellen van een milieu-effectrapportage zoals bedoeld in de Wet milieubeheer en het Besluit milieu-effectrapportage 1994 noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 2.2, lid 2.2.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Bedrijventerrein - nader uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in de categorieën 3 en 4 van de als bijlage 1 bij deze voorschriften opgenomen bedrijvenlijst met dien verstande dat bedrijven die zijn genoemd in categorie 4 zich uitsluitend mogen vestigen in deelgebied 2.

Ingevolge artikel 2.2, lid 2.2.3, onder a, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 2.2.1 voor de vestiging van dan wel wijziging of aanpassing van een bestaand bedrijf in een bedrijf (of een gedeelte daarvan), dat:

1. in een hogere categorie van de bedrijvenlijst voorkomt, mits het desbetreffende bedrijf in vergelijking met bedrijven die wel in de aangegeven categorieën voorkomen het woon- en leefmilieu niet blijvend onevenredig zal aantasten;

2. niet in de bedrijvenlijst voorkomt, mits het desbetreffende bedrijf in vergelijking met bedrijven die wel in aangegeven categorieën van de bedrijvenlijst voorkomen het woon- en leefmilieu niet blijvend onevenredig zal aantasten;

3. en de maximale productiecapaciteit van het desbetreffende bedrijf niet van zodanige omvang is dat een milieu-effectrapportage beoordeling dan wel het opstellen van een milieu-effectrapportage zoals bedoeld in de Wet milieubeheer en het Besluit milieu-effectrapportage 1994 noodzakelijk is.

De bedrijvenlijst bevat bedrijven in de categorieën 2 tot en met 4.2.

2.14.3. Anders dan de Werkgroep veronderstelt, zijn bedrijven die in categorie 5 vallen niet rechtstreeks toegestaan in het plan. Het plan voorziet in vrijstellingsbepalingen om de vestiging van dergelijke bedrijven onder voorwaarden mogelijk te maken. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen met inachtneming van de in het plan vervatte regelen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een vrijstellingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 15 van de WRO berustende vrijstellingsbevoegdheid dient dus door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

2.14.4. De Afdeling is van oordeel dat uit de vrijstellingsbepalingen voldoende duidelijk is van welke voorschriften vrijstelling kan worden verleend.

2.14.5. Ten aanzien van het criterium in artikel 2.1, lid 2.1.3, aanhef en onder a, sub 1 van de planvoorschriften, overweegt de Afdeling dat dit planvoorschrift is opgenomen om in het plangebied de vestiging van niet op de bedrijvenlijst voorkomende bedrijven toe te staan die maximaal dezelfde milieubelasting hebben als de rechtstreeks toegestane bedrijven. Volgens de raad is van belang dat een dergelijk bedrijf blijvend in de omgeving past. De maatregelen die daarvoor in voorkomend geval getroffen moeten worden dienen permanent te zijn en om dat te waarborgen is in de planvoorschriften het begrip 'blijvend' opgenomen, zo is ter zitting door de raad uitgelegd. In het deskundigenbericht staat dat door de raad bedoeld is om bedrijven die in de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering 2009 (hierna: de VNG-brochure) zijn aangemerkt als categorie 5 bedrijven alleen toe te staan als de milieuhinder die deze bedrijven veroorzaken vergelijkbaar is met de milieuhinder van een bedrijf in maximaal milieucategorie 4.2 waarbij een richtafstand van 300 meter geldt. De raad heeft dit ter zitting bevestigd en toegelicht dat de beoordeling van de voorwaarde of een bedrijf qua milieubelasting vergelijkbaar is met bedrijven uit de bedrijvenlijst zal plaatsvinden aan de hand van de VNG-brochure. Daargelaten het antwoord op de vraag of het op voormelde wijze toetsen van de vergelijkbaarheid van bedrijven aanvaardbaar is, is in het bestreden planvoorschrift en in artikel 2.2, lid 2. 2.3, aanhef en onder a, sub 1 en 2, van de planvoorschriften anders dan de raad heeft beoogd niet vastgelegd dat voor de criteria of een bedrijf wat betreft milieubelasting vergelijkbaar kan worden geacht met de bij recht toegestane categorieën van bedrijven aansluiting zal worden gezocht bij de VNG-brochure. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat deze planvoorschriften onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Hetgeen is aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat de artikelen 2.1, lid 2. 1.3, aanhef en onder a, sub 1, en 2. 2, lid 2.2.3, onder a, sub 1 en 2, van de planvoorschriften zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb . Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb .

2.14.6. Met de voorwaarde zoals opgenomen in artikel 2.1, lid 2. 1.3, aanhef en onder a, sub 2, van de planvoorschriften dient het college van burgemeester en wethouders het uitgiftebeleid en de visie "Koningspleijn" als toetsingskader te hanteren bij de beoordeling van een verzoek om vrijstelling. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan dit planvoorschrift. Wat betreft de voorwaarde over de MER(beoordelings)plicht uit artikel 2.1, lid 2. 1.3, aanhef en onder a, sub 3, van de planvoorschriften, heeft het college ter zitting meegedeeld dat ook hieraan ten onrechte goedkeuring is verleend. Artikel 2.2, lid 2. 2.3, onder a, sub 3 bevat een gelijkluidende voorwaarde. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb . Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot deze onderdelen geen bespreking meer.

Geluidzone

2.15. Het college van b&w van Westervoort betoogt dat niet wordt voldaan aan de zoneringsverplichting zoals voorgeschreven in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Hiertoe voert het aan dat geen geluidzone is opgenomen op de plankaart en ook anderszins geen melding is gemaakt van een geluidzone. Verder brengt het onder verwijzing naar het ontwerp paraplubestemmingsplan "Geluidzone Industrieterrein Arnhem Noord", dat volgens hem niet met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, naar voren dat de zone weliswaar in een ander plan mag worden vastgelegd, maar dat de zone op grond van de Wgh gelijktijdig met een bestemmingsplan dient te worden vastgesteld. Daarbij komt dat volgens het college van b&w van Westervoort sprake is van een leemte, omdat sprake is van een gemeentegrensoverschrijdende geluidzone, zodat ook voor de gronden binnen de gemeente Westervoort een bestemmingsplan had moeten worden vastgesteld.

De Bewonersvereniging voert aan dat in strijd met artikel 15 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) de geluidzone op de plankaart ontbreekt voor zover dit het niet uit te werken gedeelte van het plangebied betreft.

2.15.1. Volgens het college voldoet het plan aan de voorgeschreven zoneringsverplichting. Het sluit zich aan bij het standpunt van de raad. De raad stelt dat de bestaande geluidzone niet verandert door de toevoeging van het gedeelte Koningspley Noord aan het gezoneerde bedrijventerrein. Omdat onderzoek heeft uitgewezen dat voldoende ontwikkelruimte aanwezig is voor het totale terrein, blijft de bestaande geluidzone gehandhaafd, aldus de raad.

2.15.2. Ten behoeve van het plan is akoestisch onderzoek verricht waarvan de resultaten zijn neergelegd in de MAS. Uit de paragraaf over industrielawaai volgt dat bij Koninklijk besluit van 2 juli 1990 een geluidzone is vastgesteld voor het industrieterrein Arnhem Noord. Het gebied Koningspley Noord grenst aan het gezoneerde industrieterrein en is direct gelegen naast het bedrijventerrein Kleefse Waard. In de MAS staat dat besloten is om het gebied Koningspley Noord deel te laten uitmaken van het gezoneerde industrieterrein Arnhem Noord, omdat sprake is van een aaneengesloten gebied. De gevolgen van de uitbreiding van de activiteiten zijn in het akoestisch onderzoek in kaart gebracht. Daarover staat in de MAS dat de gemeente Arnhem sinds 2007 een zonemodel heeft dat elk jaar wordt geactualiseerd. In het geactualiseerde model is steeds geluidruimte gereserveerd voor de ontwikkelingen binnen het bestaande industrieterrein en ter plaatse van de Akzo-haven en Koningspley Noord. Voor de bewaking van de zone wordt blijkens de MAS gebruik gemaakt van zogenoemde zonebewakingspunten die precies op de 50 dB(A)-grens liggen. De conclusie van het onderzoek is dat de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt niet tot een overschrijding van de geluidzone of de Maximaal Toelaatbare Geluidwaarde (MTG-waarde) leiden.

2.15.3. Ingevolge artikel 1, van de Wgh , zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt onder industrieterrein verstaan: terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken.

Ingevolge artikel 40 van de Wgh wordt, indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

2.15.4. Vast staat dat het bestaande industrieterrein en de beoogde uitbreiding daarvan zijn aan te merken als een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wgh . Rond het reeds bestaande deel van het industrieterrein Arnhem Noord is bij Koninklijk besluit (hierna: het zonebesluit) van 2 juli 1990 op grond van de destijds geldende bepalingen van de Wgh een zone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Deze zone ligt deels in de gemeente Westervoort. Het onderhavige plan voorziet in een uitbreiding van het bedrijventerrein door aan gronden een bestemming te geven die de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Het door het college en de raad in genomen standpunt dat de bestaande geluidzone door de uitbreiding niet verandert omdat het gedeelte waarop de uitbreiding is voorzien wordt toegevoegd aan het reeds gezoneerde industrieterrein, en de gecumuleerde geluidbelasting veroorzaakt door de op het industrieterrein gevestigde bedrijven binnen de bestaande 50 dB(A) contour blijft, kan niet worden gevolgd. Zoals uit de kaart bij het zonebesluit blijkt liggen de gronden waarop de uitbreiding van het industrieterrein is voorzien in voormelde geluidzone. De uitbreiding van het industriegebied heeft tot gevolg dat een deel van de binnengrens van de bestaande geluidzone wijzigt. Het standpunt van het college en de raad zou met zich brengen dat de voorziene uitbreiding volgens het onderhavige bestemmingsplan deel uitmaakt van het industrieterrein maar volgens het zonebesluit in de geluidzone is gelegen. Een geluidzone die mede een deel van het industrieterrein omvat verdraagt zich niet met de systematiek van de Wgh. Gelet op artikel 40 van de Wgh had derhalve een gewijzigde geluidzone moeten worden vastgesteld. Het betoog van het college van b&w van Westervoort dat niet is voldaan aan de zoneringsverplichting slaagt.

Uit het vorenstaande volgt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 40 van de Wgh . Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb . Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel geen bespreking meer.

Het beroep van de Werkgroep voor het overige

2.16. De Werkgroep voert aan dat het plan geen recht doet aan het cultuurhistorisch waardevolle landschap van het deelgebied Koningspley Noord.

2.16.1. Uit de plantoelichting volgt dat onderzoek is verricht naar de cultuurhistorie in het plangebied. Daaruit is onder meer naar voren gekomen dat in het deelgebied Koningspley Noord een aantal cultuurhistorisch waardevolle structuren aanwezig is. Volgens de plantoelichting zullen de cultuurhistorische waarden worden meegenomen bij de inrichting van het bouwveld, de kavel en het ontwerp van toekomstige gebouwen. Aan de gronden in het deelgebied Koningspley Noord is in dit plan een uit te werken bestemming toegekend. Bij de uitwerking van dit deelgebied dient op grond van artikel 2.2, lid 2.2.2, onderdeel b, sub 3, van de planvoorschriften zo veel mogelijk rekening te worden gehouden met de twee aanwezige landschappelijke cultuurhistorische elementen, te weten a. een centraal in het bestemmingsvlak gelegen open en nat gebied ter plaatse van de oude IJsselloop en b. de groene dijkzone aan de noordzijde van het deelgebied met daarin opgenomen waardevolle populieren en wilgen, waarbij het behoud van deze bomen als uitgangspunt geldt. Nu in de uitwerkingsregels is bepaald op welke wijze rekening dient te worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en de Werkgroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze waarden onjuist of onvolledig in ogenschouw zijn genomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat met dit plan onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden in het deelgebied Koningspley Noord.

2.17. De Werkgroep betoogt dat ten onrechte geen samenhangend milieuonderzoek is verricht voor het industriegebied Arnhem Noord. Een dergelijk onderzoek acht de Werkgroep vanwege de ligging van het industriegebied in de nabijheid van een woonomgeving noodzakelijk.

2.17.1. In paragraaf 4.6 van de plantoelichting worden verschillende milieuaspecten behandeld, waaronder geluid, lucht, hinder, externe veiligheid, water, bodem en ecologie. Daarbij is verwezen naar de ten behoeve van dit plan verrichte onderzoeksrapporten. Voor zover de aard van de onderzoeken daartoe aanleiding gaven zijn daarin de effecten van de bestaande situatie meegenomen, zodat in zoverre rekening is gehouden met de omgeving van het plangebied. Gelet op het vorenstaande kan het betoog niet slagen.

Het beroep van de Wijkraad voor het overige

2.18. De Wijkraad betoogt dat het plan zal leiden tot een verdere verslechtering van de luchtkwaliteit. De Wijkraad wijst erop dat in de bestaande situatie al sprake is van overschrijdingen van de grenswaarden. Verder voert hij aan dat in het luchtkwaliteitonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de gevolgen van de tracékeuze om de A15 door te trekken.

2.18.1. In het bestreden besluit wijst het college erop dat het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL) is vastgesteld, waardoor de grens voor de 'in betekenende mate' projecten is verhoogd van 1% naar 3% van de jaargemiddelde grenswaarden van 40 microgram per m³. De bijdrage van het plan is volgens het college minder dan de grenswaarde van 1,2 microgram per m³ en daarom draagt het plan niet in betekenende mate bij aan de verhoging van de luchtvervuiling. Bovendien is het project opgenomen in het NSL, aldus het college.

2.18.2. In titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn regels gesteld met betrekking tot de luchtkwaliteit.

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer - voor zover hier van belang - maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, aannemelijk dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen.

Ingevolge artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer , kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin.

Bij invoering van titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn krachtens artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit) en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit wordt onder de 3 % grens verstaan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide (NO2).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit draagt met ingang van het tijdstip dat een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet, voor de eerste maal is vastgesteld, de uitoefening van een of meer bevoegdheden niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt.

Ingevolge het tweede lid draagt, tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, de uitoefening van een of meer bevoegdheden of de toepassing van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de tijdelijke 1% grens overschrijdt.

2.18.3. Door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Bestemmingsplannen Het Broek en Kleefse Waard/Koningspley Noord, luchtkwaliteitsonderbouwing" van 28 april 2009 (hierna: het luchtkwaliteitrapport). Daaruit blijkt dat de uitvoering van het plan niet zal leiden tot overschrijdingen van de grenswaarden van zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Vanwege het schoner worden van voertuigen en het dalen van de achtergrondconcentraties dalen de concentraties ieder jaar geleidelijk. Zolang het NSL nog niet is vastgesteld, valt de ontwikkeling van het gebied niet onder de definitie van 'niet in betekenende mate', omdat de 1% norm wordt overschreden. De bijdrage van het plan valt wel binnen de niet in betekenende mate grens van 3% die zal gelden na de vaststelling van het NSL. Geconcludeerd wordt dat geen belemmering bestaat voor de vaststelling van het bestemmingsplan, aangezien voldaan wordt aan de grenswaarden.

2.18.4. Wat betreft het door de Wijkraad aangevoerde over het doortrekken van de A15, wordt overwogen dat in het deskundigenbericht staat dat in het luchtkwaliteitonderzoek geen rekening is gehouden met de situatie dat de A15 wordt doorgetrokken. Hierover heeft de raad aangegeven dat momenteel over de doortrekking van de A15 wordt onderhandeld, maar dat de uitkomst hiervan nog ongewis is. De Afdeling overweegt dat voor het doortrekken van de A15 nog geen concrete besluitvorming heeft plaatsgevonden waarmee bij de berekening van de verkeersintensiteiten rekening diende te worden gehouden. Derhalve heeft het college zich in navolging van de raad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de verkeersgevolgen van de mogelijke doortrekking van de A15 geen rekening behoefde te worden gehouden. Hetgeen is aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het luchtkwaliteitrapport zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad en het college zich hierop bij de besluitvorming niet in redelijkheid hebben kunnen baseren.

2.18.5. Ten tijde van het nemen van zowel het vaststellingsbesluit als het goedkeuringsbesluit was het NSL in werking getreden, zodat artikel 2, eerste lid, van het Besluit van toepassing is waarin de 3 % grens is neergelegd. Gelet op de conclusie uit het luchtkwaliteitrapport, heeft het college ervan uit kunnen gaan dat de ontwikkeling van het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Derhalve staat de wettelijke regeling inzake luchtkwaliteitseisen niet aan de goedkeuring van het plan in de weg. Het betoog van de Wijkraad dat het plan zal leiden tot een verdere verslechtering van de luchtkwaliteit treft geen doel.

2.19. De Wijkraad voert aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten een Milieu Informatie Systeem in werking te stellen waarmee de milieusituatie in de gemeente Westervoort in kaart kan worden gebracht, terwijl dit naar aanleiding van een burgerinitiatief is toegezegd. Het niet vaststellen van de milieusituatie wijst volgens de Wijkraad op mogelijke bezwaren. Voorts stelt de Wijkraad dat de cumulatieve effecten van de milieubelastende activiteiten van dit plan en het bestemmingsplan Het Broek in samenhang bezien met de verkeersaantrekkende werking van deze plannen tot een aantasting van het leefmilieu in gemeente Westervoort zullen leiden. In verband met het vorenstaande betoogt de Wijkraad dat het plan in strijd is met het Geldersmilieuplan 3.

2.19.1. Wat betreft een Milieu Informatie Systeem, overweegt de Afdeling dat in de WRO noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan het college verplicht is een Milieu Informatie Systeem in werking te stellen voordat tot goedkeuring van het plan kan worden overgegaan. Daarbij komt dat de Wijkraad niet duidelijk heeft gemaakt wie de gestelde toezegging heeft gedaan. Het betoog faalt.

2.19.2. In de in het kader van de milieuaspectenstudie verrichte onderzoeken is rekening gehouden met de gevolgen van de ontwikkelingen die het onderhavige plan mogelijk maakt, zoals onder meer de verkeersaantrekkende werking. In zowel het akoestisch onderzoek als het luchtkwaliteitonderzoek is daarnaast ook rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het conserverende bestemmingsplan Het Broek. Gelet op de milieuaspectenstudie en de conclusies uit het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek, zoals verwoord in 2.15.2 en 2.18.3, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen dat het plan niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in Westervoort.

2.19.3. Ten aanzien van het betoog van de Wijkraad dat het plan in strijd is met het Geldersmilieuplan 3 wordt overwogen dat de Wijkraad dit betoog in het beroepschrift noch ter zitting heeft gemotiveerd. Het betoog kan reeds hierom niet slagen.

2.20. De Wijkraad voert aan dat het in het plan gehanteerde begrip energie- en milieutechnologiebedrijven (hierna: EMT-bedrijven) niet aansluit bij de bedrijvenlijst van de VNG.

2.20.1. Het college stelt dat EMT-bedrijven binnen de categorieën uit de bedrijvenlijst passen. Via het gemeentelijke gronduitgiftebeleid voor dit terrein zal invulling worden gegeven aan het gewenste EMT-profiel.

2.20.2. Uit de plantoelichting volgt dat het bedrijventerrein bedoeld is voor hoogwaardige innovatieve bedrijvigheid in de sectoren energie- en milieutechnologie. Het plan staat binnen de bestemmingen "Bedrijventerrein" en "Bedrijventerrein - nader uit te werken" categorieën bedrijven toe die staan vermeld in de in bijlage 1 bij de planvoorschriften opgenomen bedrijvenlijst. Niet valt in te zien dat EMT-bedrijven niet passen binnen de bedrijven zoals deze op de bedrijvenlijst voorkomen. Derhalve staat het plan niet in de weg aan de vestiging van EMT-bedrijven in het plangebied. Het betoog faalt.

2.21. De Wijkraad voert aan dat de plankaart onvolledig en onduidelijk is waardoor hij zijn bezwaren niet goed naar voren heeft kunnen brengen.

2.21.1. De niet nader onderbouwde stelling van de Wijkraad dat de plankaart onvolledig en onduidelijk is, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plankaart volledig is en geen onjuistheden bevat.

2.22. De Wijkraad vreest voor aantasting van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De verrichte natuurtoets is gebaseerd op de vestiging van een asfaltcentrale, maar nu de vestiging daarvan niet doorgaat is deze natuurtoets ten onrechte ten grondslag gelegd aan het plan, aldus de Wijkraad.

2.22.1. Het college en de raad stellen zich, onder verwijzing naar de in de plantoelichting aangehaalde natuurtoets (oriënterende fase) Bedrijventerrein Kleefsewaard en Koningspley Noord (hierna: de natuurtoets), op het standpunt dat het plan geen significante effecten zal hebben op de Natura 2000-gebieden "De Gelderse Poort" en "Uiterwaarden van de IJssel".

2.22.2. In de natuurtoets is onderzocht of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten of het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Voor de toetsing van het effect van verzuring is blijkens de natuurtoets als 'worst-case scenario' gebruik gemaakt van gegevens die afkomstig zijn van een onafhankelijke milieueffectenstudie die is verricht in verband met de voorgenomen komst van een asfaltcentrale. De beoordeling van het effect van geluid heeft plaatsgevonden aan de hand van meerdere rapporten waaronder een rapport van TNO waarin een analyse is gemaakt van een akoestisch rapport van Peutz over de destijds verwachte komst van een asfaltcentrale. De conclusie van de natuurtoets is dat op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor de aangewezen gebieden, onder de voorwaarde dat in de Gelderse Poort de functie als slaapplaats van de wulp behouden blijft. Uit de notitie "Onderbouwing effectbeoordeling wulpenslaapplaats IJsselkop" van SOVON Vogelonderzoek Nederland volgt dat het verlies van de slaapplaats nabij de locatie Koningspleij geen significante gevolgen zal hebben, omdat de overige satellietverblijven voldoende draagkracht hebben om de groep wulpen in het gebied te behouden.

2.22.3. De Afdeling overweegt dat bij het opstellen van de natuurtoets in het kader van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 dient te worden onderzocht of een maximale invulling van het plan kan leiden tot significante gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden en of derhalve van het maken van een passende beoordeling ten behoeve van het voorliggende plan kan worden afgezien. Dat in de natuurtoets mede is uitgegaan van gegevens met betrekking tot de asfaltcentrale, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad en het college zich niet op de natuurtoets hebben mogen baseren. Daarbij is van belang dat in het ontwerpbestemmingsplan nog bij recht was voorzien in een asfaltcentrale en het vastgestelde plan de vestiging van een asfaltcentrale na het verlenen van vrijstelling niet uitsluit. Hetgeen door de Wijkraad ter zitting met betrekking tot de natuurtoets is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op de in de vorige overweging weergegeven conclusie van de natuurtoets en de SOVON-notitie, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een significante aantasting van de Natura 2000-gebieden "De Gelderse Poort" en "Uiterwaarden van de IJssel".

2.23. Volgens de Wijkraad geeft de watertoets onvoldoende inzicht in de gevolgen van de voorziene ophoging van het plangebied op het grondwater. Daarbij merkt de Wijkraad op dat in de watertoets is uitgegaan van een nog niet afgedamd gebied met een oude waterloop.

2.23.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de watertoets op een juiste manier is uitgevoerd. De aanleg van de waterkering bij Koningspley Noord en de ophoging hebben alleen lokaal effect en de nieuwe situatie leidt nauwelijks tot veranderingen in het grondwatersysteem, aldus het college.

2.23.2. Bij de voorbereiding van het plan is een watertoets uitgevoerd. De resultaten van deze watertoets zijn neergelegd in de in de plantoelichting opgenomen waterparagraaf. Daarin is ingegaan op de verschillende relevante waterhuishoudkundige aspecten. In het kader van de watertoets is door Tauw geohydrologisch onderzoek verricht naar de te verwachten effecten van het plan op de geohydrologische situatie. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Geohydrologisch onderzoek Kleefsewaard/Koningspley" (hierna: het rapport) van 5 juli 2007. In het rapport zijn de volgende drie varianten van het dempen van de Verlengde Nieuwe Haven onderzocht: het afsluiten van de havenarm, het dempen van de havenarm en het dempen van de havenarm met de mogelijkheid voor ondergronds bouwen vanaf 9 meter onder het huidige maaiveld, alsmede de effecten daarvan op de waterhuishouding. In het rapport staat dat Koningspley in alle varianten wordt opgehoogd tot een niveau van 13 meter boven NAP. Wat betreft de maaiveldhoogte van 13 meter boven NAP staat in het rapport dat deze aan de hoge kant is en een meer nauwkeurige bepaling van de maaiveldhoogte wordt aanbevolen. Ten behoeve daarvan is door Tauw nader onderzoek verricht waarvan de resultaten zijn neergelegd in de notitie 'Bepaling maaiveldhoogten Koningspleijn' van 5 september 2008. In de notitie is aan de hand van een geohydrologisch model de relatie tussen maaiveldhoogten en kweldebiet voor vier varianten in kaart gebracht. Onder verwijzing naar het rapport en de notitie staat in de plantoelichting ten aanzien van het aspect grondwater dat het gebied in de definitieve situatie zo moet zijn aangepast dat geen overlast door het grondwater optreedt. Het gemeentelijke beleid bevat het uitgangspunt dat drainage alleen in pieken het grondwater mag afvangen. Op basis daarvan dient de maaiveldhoogte van Koningspley volgens de plantoelichting tussen de 11,5 meter boven NAP en 12 meter boven NAP komen te liggen, zodat aan de minimale ontwateringseisen kan worden voldaan.

2.23.3. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de watertoets niet op juiste wijze is uitgevoerd. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de waterbeheerder heeft ingestemd met de waterparagraaf waarin de resultaten van de watertoets staan verwoord. Evenmin geeft het aangevoerde, gelet op 2.23.2, aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende inzicht bestaat in de effecten van het plan op het grondwater. Het college heeft overigens ter zitting meegedeeld dat in het uitwerkingsplan rekening zal worden gehouden met de waterhuishouding.

Verzoek toepassing bestuurlijke lus

2.24. Met betrekking tot het verzoek van de raad ter zitting om toepassing te geven aan artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (bestuurlijke lus), overweegt de Afdeling dat hiertoe gelet op artikel 10:29, tweede lid, van de Awb geen ruimte wordt gezien.

Slotconclusie

2.25. Gelet op het overwogene onder 2.11.4, 2.14.5, 2.14.6 en 2.15.4 zijn de beroepen van het college van b&w van Westervoort, de Bewonersvereniging, de Werkgroep en de Wijkraad gegrond. Het bestreden besluit dient in zijn geheel te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb , zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan het plan.

Proceskosten

2.26. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van de Bewonersvereniging, de Werkgroep en de Wijkraad te worden veroordeeld. Ten aanzien van het college van b&w van Westervoort is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 18 juni 2010, kenmerk 2009-021073;

III. onthoudt goedkeuring aan het plan;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit zoals vermeld onder II;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten, welk bedrag door het college van gedeputeerde staten onder vermelding van het zaaknummer als volgt dient te worden betaald:

a. aan de vereniging Bewonersvereniging Stadseiland Arnhem een bedrag van € 39,32 (zegge: negenendertig euro en tweeëndertig cent);

b. aan de Werkgroep Arnhem Geen Asfaltcentrale een bedrag van € 1.147,58 (zegge: elfhonderdzevenenveertig euro en achtenvijftig cent), waarvan € 1.092,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. aan de stichting Stichting Wijkraad Mosterdhof Struijkendoorn De Weem een bedrag van € 67,56 (zegge: zevenenzestig euro en zesenvijftig cent);

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan het college van burgemeester en wethouders van Westervoort, de vereniging Bewonersvereniging Stadseiland Arnhem, de Werkgroep Arnhem Geen Asfaltcentrale en de stichting Stichting Wijkraad Mosterdhof Struijkendoorn De Weem het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) elk vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van der Hoorn

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012

586.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature