Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft zich samen met anderen in de nachtelijke uren op straat schuldig gemaakt aan grof geweld tegen het hem onbekende slachtoffer.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis. Verder wordt de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij toegewezen.

Uitspraak



Rolnummer: 22-004880-10

Parketnummer: 09-925376-08

Datum uitspraak: 8 februari 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 september 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1989,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 25 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest. Voorts is de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij en over een schadevergoedingsmaatregel als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van het onder 2 ten laste gelegde. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 mei 2008 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Lekstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld ten aanzien van die [slachtoffer] bestond uit het

- meerdere malen met een wapenstok, althans een hard voorwerp, slaan op het hoofd van die [slachtoffer] en/of

- (meerdere malen) duwen van die [slachtoffer] en/of

- slaan en/of stompen op de neus, althans het gezicht, van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] op de grond viel en/of

- (meerdere malen) met een wapenstok, althans een hard voorwerp, slaan op/tegen de rug en/of het lichaam van die [slachtoffer] (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag)

- met een groep, althans met meerdere personen, om die [slachtoffer] heen gaan staan, waardoor die [slachtoffer] niet kon gaan en staan waar ze wilde,

waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer] op de neus heeft gestompt en/of geslagen, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (een gebroken neus) voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 mei 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meerdere malen) met een wapenstok, althans een hard voorwerp, op/tegen de rug en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging en subsidiair heeft de raadsman bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering bepleit, een en ander om reden dat de politie op 18 mei 2008 onrechtmatig in de woning van de verdachte aan de [adres] te 's-Gravenhage is binnengetreden.

Hiertoe heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat de vereiste machtiging tot binnentreden is afgegeven ter aanhouding op heterdaad, terwijl er van een heterdaad situatie in casu geen sprake was. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat sprake was van binnentreden tussen middernacht en 6 uur 's morgens terwijl de machtiging dit niet, zoals is vereist op grond van artikel 7, eerste lid, van de Algemene Wet op het binnentreden , uitdrukkelijk bepaalde.

Het hof overweegt hiertoe het navolgende.

Uit het proces-verbaal van aanhouding d.d. 18 mei 2008, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten Van Vliet, Bekking en Van Calsteren, blijkt naar het oordeel van het hof dat de politie voldoende concrete aanwijzingen had dat de op het voormelde adres aanwezige personen kort voor hun aanhouding betrokken waren geweest bij een strafbaar feit. Het tijdsbestek tussen de openlijke geweldpleging en de aanhouding van verdachte was ongeveer één uur. In dit tijdsbestek is de politie ononderbroken doende geweest de betrokken personen op te sporen en aan te houden. Het hof is dan ook van oordeel dat er in dit geval sprake was van aanhouding op heterdaad en dat de politie gerechtigd was om de verdachte aan te houden met het daartoe aanwezige bevel tot binnentreden, afgegeven door de (hulp)officier van justitie.

Uit het dossier blijkt voorts dat de aanhouding van de verdachte plaatsvond tussen middernacht en 6 uur 's morgens, alsmede dat de afgegeven machtiging tot binnentreding de aanhouding van een aldaar aanwezig persoon ten doel had en geen bepaling als door de raadsman bedoeld bevatte. Aan deze omstandigheid behoeft evenwel geen consequentie verbonden te worden, nu blijkens het proces-verbaal van aanhouding d.d. 18 mei 2008, de verdachte niet is aangehouden in de woning maar daarbuiten en terwijl ook de opsporingsambtenaren die de verdachte hebben aangehouden zich buiten de woning bevonden. Of de politie vervolgens nog de woning is binnengetreden ter aanhouding van één of meer anderen kan in het midden blijven, nu de verdachte daardoor niet kan zijn getroffen in het belang dat (artikel 7 van ) de Algemene wet op het binnentreden beoogt te beschermen, te weten zijn privé-leven, waarop door een binnentreden in zijn woning in de nacht extra inbreuk zou zijn gemaakt.

Gezien het vorenstaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman dat er sprake zou zijn van een vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich voor een groot deel vinden in de overwegingen en beslissingen van de rechtbank, maar zal op gronden van doelmatigheid het vonnis vernietigen en een geheel nieuwe beslissing geven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 mei 2008 te 's-Gravenhage met anderen op de openbare weg, de Lekstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld ten aanzien van die [slachtoffer] bestond uit het

- meerdere malen met een wapenstok slaan op het hoofd van die [slachtoffer] en

- duwen van die [slachtoffer] en

- slaan en/of stompen op de neus van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] op de grond viel en

- meerdere malen met een wapenstok slaan tegen de rug van die [slachtoffer]

- met een groep om die [slachtoffer] heen gaan staan, waardoor die [slachtoffer] niet kon gaan en staan waar ze wilde,

waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer] op de neus heeft gestompt en/of geslagen, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (een gebroken neus) voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder - met gedeeltelijke overname van de strafmotivering in het bestreden vonnis -het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen in de nachtelijke uren op straat schuldig gemaakt aan grof geweld tegen het hem onbekende slachtoffer. Verdachte heeft daarbij het slachtoffer, dat op dat moment weerloos was en al meermalen fors was geslagen, tegen haar neus gestompt waardoor haar neus werd gebroken. Ook thans ondervindt het slachtoffer, blijkens haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, nog fysieke en emotionele klachten door dit handelen van verdachte. Voorts versterken feiten als het onderhavige, evenals andere vormen van zinloos geweld, de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid. Het hof rekent de verdachte dit alles zwaar aan.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 190 uren alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren een passende en geboden reactie vormen.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de behandeling in eerste aanleg met een kleine vier maanden is overschreden. Het hof zal de overschrijding van deze termijn verdisconteren in de strafmaat en in plaats van de hiervoor overwogen werkstraf van 190 uren een werkstraf van 180 uren opleggen.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een wapenstok, een bajonet en een dolk, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het onderhavige, door verdachte begane misdrijf werden aangetroffen en nu deze aan verdachte toebehorende voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.435,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 3.435,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering tot een bedrag van € 2.145,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich namens de verdachte gerefereerd aan het oordeel van het hof betreffende de vordering van de benadeelde partij.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 405,-materiële schade is geleden als een rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde. Het meergevorderde bedrag van € 30,- betreft vermoedelijk een rekenfout; is althans onverklaard gebleven. De vordering van de benadeelde partij ter zake van het materiële zal daarom tot een bedrag van € 405,- worden toegewezen, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

Voorts is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De tot nu toe bekende immateriële schade is van dien aard en omvang dat de benadeelde partij daarvoor naar het oordeel van het hof naar maatstaven van billijkheid een schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,- toekomt. Dit bedrag zal overeenkomstig de vordering bij wege van voorschot op een definitieve schaderegeling worden toegewezen, aangezien kennelijk niet is uitgesloten dat nog van andere immateriële schade, dan de thans bekende, zal blijken.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de thans bekende immateriële schade, te worden afgewezen.

Het voorgaande brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.905,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een wapenstok, een bajonet en een dolk.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.905,00 (tweeduizend negenhonderdvijf euro) bestaande uit € 405,00 (vierhonderdvijf euro) ter zake van materiële schade en een voorschot, als bovenomschreven, van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst af het ter zake van de thans bekende immateriële en materiële schade meer gevorderde.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 2.905,00 (tweeduizend negenhonderdvijf euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 39 (negenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. R.A.Th.M. Dekkers,

mr. A.A. Schuering en mr. H.M.A. de Groot, in bijzijn van de griffier mr. V.C. Kool.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 februari 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature