Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Beëindiging ZW-uitkering en weigering ZW-uitkering. De artsen van het Uwv hebben een voldoende zorgvuldig onderzoek verricht naar appellants gezondheidstoestand per de data in geding en de onderzoeksgegevens dragen de conclusies van deze artsen. Van een onzorgvuldige wijze van besluitvorming is geen sprake. Nu appellants klachten niet door objectief medisch vastgestelde afwijkingen verklaard kunnen worden moet het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de geschiktheid van appellant voor zijn arbeid als automonteur worden onderschreven. Appellants vrijstelling door de gemeente Leeuwarden van de arbeids- en re-integratieplicht doet hieraan niet af.

Uitspraak



11/4612 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 juli 2011, 10/1992 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 25 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Rijnsburger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rijnsburger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 20 juni 2010 heeft het Uwv beslist dat appellant met ingang van 5 juli 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) omdat hij op en na deze datum niet langer ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid als automonteur. Bij besluit van 14 juli 2010 heeft het Uwv, naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding, geweigerd aan appellant met ingang van 7 juli 2010 een ZW-uitkering toe te kennen. Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in diens rapportage van 6 augustus 2010 - bij besluit van 11 augustus 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe allereerst, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 augustus 2006, LJN AY8053, geoordeeld dat bij de beoordeling of een betrokkene geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid het opstellen van een Funtionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet noodzakelijk is. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoek zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. De rechtbank heeft het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat appellant per 5 juli 2010 en 7 juli 2010 geschikt is voor zijn arbeid onderschreven. De rechtbank heeft daarbij in de door appellant ingebrachte medische informatie van orthopedisch chirurg dr. P.F. Doorn, longarts J. van der Maten en radioloog dr. C. Kujat, mede gelet op de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 16 maart 2011 en 30 maart 2011, geen reden gezien voor twijfel aan het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt.

3. In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat uit de informatie van radioloog Kujat volgt dat op basis van het door deze arts verrichte onderzoek bij hem afwijkingen zijn gevonden en dat sprake is van artrose. De rechtbank heeft dit in haar uitspraak onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Voorts is het, zo stelt appellant, nog steeds onduidelijk op grond waarvan de artsen van het Uwv hebben gemeend appellant geschikt te achten voor zijn arbeid als automonteur. Appellant blijft van mening dat hij vanwege zijn klachten dusdanig beperkt is dat hij niet meer geschikt te achten is voor zijn arbeid. Appellant voelt zich hierin gesteund door een rapport van 21 februari 2011 van Ausems en Kerkvliet, arbeidsmedisch adviseurs, die appellant op verzoek van de gemeente Leeuwarden, in het kader van het opstellen van een re-integratiedossier, hebben onderzocht. In dit rapport zijn vanwege appellants klachten beperkingen aangenomen, welke ertoe leiden dat de functie van automonteur door deze adviseurs niet passend wordt geacht. Appellant stelt tot slot dat het niet aan een medewerker bezwaar en beroep is om informatie bij de behandelend sector op te vragen, maar dat dit door een arts van het Uwv had moeten worden gedaan. Appellant is dan ook van mening dat het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid, in dit geval het werk als automonteur.

4.2. Uit de in het hoger beroepschrift en ter zitting aangevoerde gronden blijkt -samengevat- dat appellant zich ongeschikt acht voor zijn arbeid wegens bij hem bestaande rug-, long- en migraine klachten. Appellant is van mening dat de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat door de artsen van het Uwv onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten en de, naar zijn mening, bijbehorende beperkingen. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank die leiden tot het oordeel dat de artsen van het Uwv een voldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar appellants gezondheidstoestand per de data in geding en dat de onderzoeksgegevens de conclusies van deze artsen dragen. Van een onzorgvuldige wijze van besluitvorming is naar het oordeel van de Raad ook overigens geen sprake. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daar nog het volgende aan toe.

4.3. Het standpunt van appellant dat het Uwv ten onrechte geen beperkingen ten aanzien van zijn longklachten heeft aangenomen onderschrijft de Raad, evenals de rechtbank, niet. Uit hetgeen ter zitting door appellant naar voren is gebracht en uit de in het dossier aanwezige medische gegevens, waaronder de informatie van longarts Van der Maten en huisarts J. Begelman leidt de Raad af dat bij appellant weliswaar COPD is vastgesteld, maar dat appellant hiervoor op de data in geding niet onder behandeling was. Uit de in hoger beroep overgelegde gegevens van de huisarts en van de eerder genoemde medisch adviseurs blijkt dat appellant zelf aangeeft weinig klachten van deze aandoening te ondervinden. Met het Uwv zien de medisch adviseurs geen aanleiding om vanwege longklachten beperkingen in de belastbaarheid aan te nemen. Gelet op het vorenstaande en het gegeven dat appellant ten tijde van de heroverweging in bezwaar zelf geen nadere medische informatie met betrekking tot zijn longklachten heeft overgelegd ziet de Raad geen aanleiding om het onderzoek door de artsen van het Uwv met betrekking tot de longklachten onzorgvuldig te achten.

4.4. Het standpunt van appellant dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn migraine klachten onderschrijft de Raad evenmin. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J. Miedema van 6 augustus 2010 blijkt dat deze arts op de hoogte was van deze klachten maar dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van deze klachten geen permanente beperkingen kunnen worden aangenomen nu de migraine aanvallen zich niet structureel voordoen. Gelet op de door appellant overgelegde medische informatie en de reactie van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 12 oktober 2010 ziet de Raad geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden. Hierbij acht de Raad het voorts van belang dat appellant ten tijde van het onderzoek door eerder genoemde medisch adviseurs zich met name heeft beroepen op de aanwezigheid van long- en rugklachten en zich niet heeft uitgelaten over de aanwezigheid van migraine klachten. Ook overigens heeft appellant zijn eerder vermelde standpunt met betrekking tot deze klachten niet met nadere medische gegevens onderbouwd.

4.5. Dat appellants rugklachten dusdanige beperkingen opwerpen dat hij niet in staat geacht kan worden zijn arbeid te verrichten, is door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van 30 maart 2011 en 30 augustus 2011 voldoende inzichtelijk en gemotiveerd weersproken. Met name in het laatstvermelde rapport wordt uitgebreid ingegaan op de informatie van radioloog Kujat en aangegeven waarom deze informatie niet leidt tot het innemen van een ander standpunt ten aanzien van appellants belastbaarheid. Niet in geschil is dat er afwijkingen aan de wervelkolom en heup van appellant zijn geobjectiveerd, echter deze afwijkingen die gering van aard zijn en vrijwel altijd te zien zijn op beeldvormend onderzoek op latere leeftijd, verklaren niet de door appellant aangegeven klachten.

Nu appellants klachten niet door objectief medisch vastgestelde afwijkingen verklaard kunnen worden, onderschrijft de Raad het in het rapport van 30 augustus 2011 ingenomen standpunt van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de geschiktheid van appellant voor zijn arbeid als automonteur.

4.6. Appellants vrijstelling door de gemeente Leeuwarden, in het kader van de Wet werk en bijstand, van de arbeids- en re-integratieplicht doet aan het vorenstaande niet af. Dit geldt eveneens voor de beschikking waarbij aan appellant per 4 november 2011 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers is toegekend. De Raad onderschrijft het ten aanzien hiervan door de bezwaarverzekeringsarts, in zijn rapport van 20 februari 2012, ingenomen standpunt.

4.7. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) L. van Eijndthoven.

TM


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature