Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank veroordeelt thuishulp voor diefstal bij bejaarde vrouw en gewoontewitwassen tot een werkstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Haar man is tot dezelfde straf veroordeeld vanwege gewoonteheling van het door zijn vrouw gestolen geld.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/901009-07

Data zittingen : 16 mei 2011 en 02 april 2012

Datum uitspraak : 16 april 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de rechtbank in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. E. Klijn, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2003 tot en met 25 oktober 2007 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, hierin bestaande dat verdachte op meerdere tijdstippen in voormelde periode (telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen (een) geld(bedrag), terwijl verdachte ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat geld(bedrag) wist dat dit door diefstal in elk geval door enig misdrijf was verkregen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2003 tot en met 25 oktober 2007 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, (telkens), opzettelijk, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, (een) geld(bedrag) (in totaal circa 70.000 euro), terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) geld(bedrag) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit door diefsta,l in elk geval door enig misdrijf was verkregen; meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 3 juni 2003 tot en met 25 oktober 2007, te

Arnhem en/of (elders) in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen

van witwassen, hierin bestaande dat verdachte op meerdere tijdstippen in

voormelde periode, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

(telkens) een geldbedrag heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen of van genoemd geld gebruik heeft gemaakt door dat geld

- om te wisselen tegen een (nieuwe) personenauto (een Peugeot, voorzien van

het kenteken [nummer]) en/of

- over te boeken ten gunste van de (eigen) (spaar)bankrekening op naam [verdachte] en/of [medeverdachte] en/of

- om te wisselen tegen gemeenschappelijke huishoudelijke (consumptie)goederen

en/of

- om te wisselen tegen een of meerdere (nieuwe) keuken(s) en/of badkamer(s)

(aangeschaft bij Brugman Keukens en Badkamers) en/of

- om te wisselen tegen vier, althans een aantal, Breitling horloges en/of

- om te wisselen tegen een Panasonic Plasmatelevisie en/of

- sierraden ((gouden) ringen en/of armbanden)

terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en), dat dat/die

geld(en), onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig misdrijf

(diefstal en/of verduistering);

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 2 april 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E. Klijn, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen [slachtoffer], vertegenwoordigd door mr. Z.J. Rittersma.

De officier van justitie, mr. H.G. Velders, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is primair betoogd dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) niet-ontvankelijk is in zijn vervolging omdat het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. De Hoge Raad heeft bepaald dat de termijn van vrijheidsbeneming tot en met berechting – buiten bijzondere omstandigheden die thans niet aan de orde zijn - niet meer dan twee jaar mag bedragen. Overschrijding van die termijn leidt tot kortingen op de strafmaat. Uit het gegeven dat de Hoge Raad heeft bepaald dat die korting op de strafmaat 5% dient te bedragen bij overschrijding van de redelijke termijn tot 6 maanden en 10% bij overschrijding met 6 tot 12 maanden, kan worden geconcludeerd dat de onderhavige overschrijding van meer dan 24 maanden zo uitzonderlijk is dat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat bij de toetsing van de (on)redelijkheid van de termijn van de behandeling van een strafzaak als startpunt van die termijn geldt het moment dat vanwege de staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft kunnen ontlenen dat het OM een strafvervolging tegen hem of haar zal instellen. In eerste aanleg geldt daarbij als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de start van die termijn, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak is deze termijn gaan lopen op 3 december 2007 (de datum waarop verdachte in verzekering is gesteld). Bijzondere omstandigheden zijn niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de onderhavige zaak, waarin pas na ruim 4 jaar vonnis wordt gewezen, de redelijke termijn is geschonden.

Compensatie voor de overschrijding van deze termijn dient echter, ook bij overschrijdingen in de orde van grote als in deze zaak, gezocht te worden in de vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden en leidt, overeenkomstig de vaste jurisprudentie, niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

De echtgenote van verdachte, [medeverdachte] (verder: [medeverdachte]) was in de periode van 3 juni 2003 tot en met 1 februari 2007 werkzaam voor de Stichting Thuiszorg Midden-Gelderland bij [slachtoffer] (verder [slachtoffer]).

Tussen 10 maart 2003 en 1 maart 2007 is er in totaal € 148.767,73 van de rekening van [slachtoffer] opgenomen en gepind. [medeverdachte] kon beschikken over de pinpas, en de daarbij behorende pincode, van [slachtoffer] en heeft samen met [slachtoffer], maar ook in afwezigheid van [slachtoffer], veel geld gepind. Het ging steeds om bedragen van € 1000,00 .

Door verdachte en zijn medeverdachte/partner [medeverdachte] is in de periode van 1 juni 2003 tot en met september 2007 minimaal € 80.025,70 meer contant uitgegeven of op hun gezamenlijke eigen rekening gestort dan dat er aan bekende (legale) inkomsten tegenover stond. Rekening houdend met de verkoop van een verzameling Swarovski kristal door [medeverdachte] voor € 15.000,-, blijft er een bedrag van € 65.025,70 over dat meer contant is uitgegeven of op eigen rekening is gestort dan er over die periode aan bekende (legale) inkomsten tegenover stonden.

Het is meerder keren voorgekomen dat er geld van de rekening van [slachtoffer] werd opgenomen en dat (soms) enkele minuten later geld op de rekening van verdachte en [medeverdachte] werd gestort.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft het feit ontkend en zijn raadsman heeft vrijspraak bepleit. Verdachte heeft geen uit misdrijf verkregen geld voorhanden gehad. [medeverdachte] heeft zich nooit geld van [slachtoffer] toegeëigend en zij heeft het door haar gepinde geld steeds aan [slachtoffer] overhandigd. Het verschil tussen de contante uitgaven en inkomsten is te verklaren doordat verdachte over een groot contant geldbedrag beschikte uit een periode van meer dan 8 jaar geleden. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat [medeverdachte] slechts tot 1 februari 2007 werkzaam was bij [slachtoffer], terwijl er op 24 en 27 februari en 1 maart 2007 ook nog bedragen van € 1000,00 zijn gepind. Onduidelijk is hoe [medeverdachte] zich daarna nog schuldig zou kunnen maken aan diefstal of verduistering in dienstbetrekking. De tussen een opname van de rekening van [slachtoffer] en de storting op de rekening van verdachte vast gestelde tijd van 3 minuten is tekort om de afstand tussen beide banken te overbruggen.

Verder heeft de raadsman gesteld dat als [slachtoffer] gehoord zou zijn misschien zou zijn gebleken dat zij helemaal niet benadeeld is. Volgens de raadsman blijkt uit het dossier niet (voldoende) dat [slachtoffer] ten gevolge van dementie niet in staat was zelf haar financiële belangen te behartigen.

Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek van meet af aan gericht was op verdachte, [medeverdachte] en hun veronderstelde schuld. Daardoor zijn alternatieve scenario’s niet onderzocht.

Beoordeling door de rechtbank

[naam], bewindvoerder van [slachtoffer], heeft verklaard dat bij de ontruiming van de woning van [slachtoffer] bankafschriften zijn gevonden waarop ongebruikelijke opnames stonden (soms drie keer per week een bedrag van € 1.000,-). Gezien de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van [slachtoffer] is zij zelf niet in staat geweest om opnames bij de SNS Bank te doen.

Getuige [getuige1], medewerkster bij de SNS Bank, heeft verklaard dat zij tijdens de gesprekken met [slachtoffer] het vermoeden kreeg dat zij begon te dementeren. Het is voorgekomen dat [slachtoffer] veel geld wilde overboeken, waarop [getuige1] vroeg naar welke rekening het geld moest worden overgemaakt en waar het voor was. Daarop hoorde [getuige1] [slachtoffer] aan een andere persoon vragen “Hoe zat dat ook al weer [medeverdachte]” en hoorde zij een andere persoon zeggen “Dat doet er niet toe waarvoor het is, boek het geld maar gewoon over naar je lopende rekening”. Ook is het wel eens voorgekomen dat [slachtoffer] geld wilde overboeken, maar er niet meer uit kwam en de telefoon aan de werkster ([medeverdachte]) gaf om het verder uit te leggen.

Getuige [getuige2], kantoormanager van de SNS Bank, heeft verklaard dat [slachtoffer] zich door de thuishulp liet vergezellen als ze een groot bedrag contant afhaalde.

Hierna heeft het onderzoek door de politie zich gericht op [medeverdachte]. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman dat het onderzoek van meet af aan gericht was op [medeverdachte] en haar veronderstelde schuld.

Door de raadsman zijn als alternatieve scenario’s genoemd:

1. anderen dan [medeverdachte] hebben geld opgenomen van de rekening van [slachtoffer]. Er zijn een aantal geldopnamen gedaan op dagen dat [medeverdachte] vrij was of al niet meer werkzaam was bij [slachtoffer]. Soms zat er maar weinig tijd tussen een opname van de rekening van [slachtoffer] en een storting op de rekening van [medeverdachte]. Die tijd is te kort om van de ene bank naar de andere te lopen.

2. [slachtoffer] heeft het geld gespendeerd in, met en aan familie in Zuid Afrika.

3. het geld is gedoneerd aan de kerk.

4. het geld is in de woning van [slachtoffer] door anderen gevonden.

De rechtbank overweegt met betrekking tot deze alternatieve scenario’s het navolgende.

Het totaalbedrag dat tussen 10 maart 2003 en 1 maart 2007 is opgenomen en gepind van de rekening van [slachtoffer] bedraagt € 148.767,73.

De broer van [slachtoffer], [naam], heeft verklaard dat [slachtoffer] meerdere malen geld aan hem heeft gegeven: [slachtoffer] heeft de studie van zijn kleinzoon en kleindochter betaald, ze heeft in 2006 € 5.000,- betaald voor de vliegtickets naar Nederland en als ze in Zuid Afrika was dan liet ze het geld wat ze over had (kleine bedragen) achter. [slachtoffer] heeft haar broer een cheque met daarop € 10.000,- gegeven voor de studie van zijn kleinzoon.

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] weliswaar geld aan familie in Zuid Afrika heeft gegeven, maar dat een groot gedeelte van dit bedrag geen contant geld betreft (het betreft immers een cheque). Het is verder mogelijk dat er op dagen dat [medeverdachte] niet werkzaam was bij [slachtoffer] door anderen geld is gepind van de rekening van [slachtoffer] en voorts dat er geld is gedoneerd aan de kerk. Echter, hierdoor kan slechts een klein deel van het zeer grote bedrag wat van de rekening van [slachtoffer] is opgenomen worden verklaard. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing voor het scenario dat er een groot geldbedrag in de woning van [slachtoffer] door anderen is gevonden en dit scenario is ook overigens niet aannemelijk geworden.

[medeverdachte] heeft verklaard dat zij en verdachte steeds in financiële problemen verkeerden en daarom uiteindelijk in het begin van 2006 hun hypotheek hebben verhoogd om de kredieten bij onder meer Fortis en Wehkamp af te lossen. Verdachte zelf heeft verklaard dat zij de hypotheek hebben verhoogd omdat ze betalingsproblemen bleven hebben, omdat ze nergens meer konden pinnen en omdat al hun kredieten op het maximum stonden. Na verhoging van de hypotheek hadden ze, gelet op hun leefstijl en schulden geen spaargeld of iets dergelijks. Hij zegt daarover bij de politie “Als we wel geld hadden gehad, hadden we natuurlijk niets hoeven lenen of onze hypotheek hoeven te verhogen” . Deze verklaring, maar ook de daaruit sprekende logica dat iemand die al geruime tijd over een groot contant geldbedrag beschikt zijn schulden niet zo hoog laat oplopen dat hij gedwongen is de hypotheek te verhogen, weerspreken het bestaan van het door verdachte genoemde contante geldbedrag. Verdachte heeft over voornoemde verklaring ter zitting verklaard dat hij bij de politie rare dingen heeft verklaard. De rechtbank zal zijn verklaring bij de politie echter wel gebruiken nu niet valt in te zien waarom hij op dat punt bij de politie niet de waarheid heeft verklaard en hij ook ter zitting voor de grote schulden en het verhogen van de hypotheek, ondanks dat hij en zijn echtgenote beweerdelijk al 8 jaar over een groot geldbedrag zouden kunnen beschikken, desgevraagd geen andere verklaring heeft kunnen geven dan “dat mag toch?” en dat de hypotheek rente zo laag was dat hij daardoor het beweerdelijk grote contante geldbedrag “makkelijk kon bewaren”.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven waarom de hypotheek werd verhoogd ondanks het door hem gestelde aanwezige geld en wil ook verder niets verklaren over de herkomst van het gestelde contante geld bedrag, over de grootte daarvan of over uit welke coupures het bestond . Ook overigens geeft hij geen verklaring over het bedrag van € 65.025,70 dat meer contant is uitgegeven of op eigen rekening is gestort dan dat er aan bekende (legale) inkomsten tegenover stond. Naar het oordeel van de rechtbank kan het in de gegeven omstandigheden - mede gelet op het feit dat [medeverdachte] de beschikking had over de pinpas van [slachtoffer], dat zij zelfstandig geld pinde van de rekening van [slachtoffer] en dat er soms slechts enkele minuten tijdsverschil zat tussen een opname van de rekening van [slachtoffer] en een contante storting op de rekening van [medeverdachte] in hetzelfde winkelcentrum - niet anders zijn dan dat het geld waar verdachte en [medeverdachte] contante betalingen mee hebben verricht, en waarvan de herkomst niet wordt verklaard, door [medeverdachte] is gepind van de rekening van [slachtoffer].

[medeverdachte] heeft zich het geld aldus toegeëigend. Dat dit wederrechtelijk was volgt uit de aangifte van de bewindvoerder [naam] die verklaart dat er geen toestemming of recht voor de toe-eigening bestond en uit de verklaring van verdachte dat zij nooit geld van [slachtoffer] hebben gekregen .

De stelling dat de afstand tussen de geldautomaat en de bank waarop het geld werd gestort te groot was om die afstand in 3 minuten af te leggen – welke tijd eenmaal is gemeten tussen de tijd van opname en tijd van storten – is niet onderbouwd en volgt ook niet zondermeer uit algemeen beschikbare bronnen. Voorts is die 3 minuten niet meer dan een indicatie nu nergens uit blijkt dat de klok waarmee het tijdstip van opname is vast gesteld en die waarmee de storting is geregistreerd onderling geijkt waren.

Uit de kasopstelling blijkt dat verdachte het door [medeverdachte] gestolen geldbedrag van € 65.025,70 in de tenlastegelegde periode samen met [medeverdachte] heeft uitgegeven of op hun rekening gestort. Verdachte heeft verklaard samen met [medeverdachte] de financiën thuis te doen en weet dat het inkomen van [medeverdachte] slechts € 1000,00 per maand was . Hieruit volgt dat verdachte heeft geweten dat voor het geldbedrag van € 65.025,70 geen legale bron aanwezig was en dat dit dus door enig misdrijf was verkregen.

Gelet op de duur van de periode en de frequentie van het voor handen hebben en het gebruik maken van het geld is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het plegen van heling een gewoonte heeft gemaakt.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode van 1 juni 2003 tot en met 25 oktober 2007 te Arnhem , een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, hierin bestaande dat verdachte op meerdere tijdstippen in voormelde periode (telkens) voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen (een) geld(bedrag), terwijl verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van dat geld(bedrag) wist dat dit door diefstal in elk geval door enig misdrijf was verkregen;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe¬zen. Verdach¬te moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van primair:

Een gewoonte maken van opzetheling.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het verrichten van 180 uren werkstraf subsidiair 90 dagen hechtenis. De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van de feiten. In het voordeel van verdachte heeft hij er rekening mee gehouden dat er veel tijd is verstreken sinds de pleegdatum van de feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de overschrijding van de redelijke termijn tot een hoge korting op de strafmaat dient te leiden.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; en

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 12 maart 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

[medeverdachte] heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij als thuishulp had gekregen van een bejaarde, hulpbehoevende vrouw, door haar een zeer groot geldbedrag afhandig te maken. Verdachte kan dit evenzeer worden aangerekend nu hij lange tijd opzettelijk van het door dit misdrijf verkregen geld heeft geprofiteerd. Het misbruik van het vertrouwen van een vrouw die onvoldoende voor haar eigen belangen kan opkomen en het ten koste van die vrouw op een te grote voet leven is een misdrijf waarvoor in beginsel geen andere straf past dan een forse onvoorwaarde¬lijke gevangenisstraf.

Gelet echter op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met name de grote ouderdom van de zaak zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op leggen maar in de plaats daarvan een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en daarnaast een werkstraf.

Nu voorts, zoals hiervoor onder 2a is overwogen, sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank de omvang van de werkstraf beperken tot 180 uur in plaats van de anders op te leggen werkstraf van de maximale duur van 240 uur.

Het voorwaardelijk strafdeel is enerzijds bedoeld om de ernst van de feiten te benadrukken maar ook om verdachte, te meer nu zijn vrouw weer als thuishulp aan het werk is, er van te weerhouden om opnieuw in de fout te gaan.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Primair wordt een bedrag van € 162.683,31gevorderd, subsidiair een bedrag van € 89.743,15.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is.

Het standpunt van de verdediging

De vordering van [slachtoffer] is niet afzonderlijk betwist door verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer] tot een bedrag van € 65.025,70 aan materiële schade toewij¬zen nu dit het bedrag is waarvan in deze procedure is vastgesteld dat van [slachtoffer] is gestolen. Verdachte was als gewoonteheler van dit door zijn vrouw gestolen geld zo nauw bij die diefstallen betrokken, dat hij voor de terug betaling van dat geld hoofdelijk aansprakelijk is.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake van vergoeding van materiële schade omdat dit deel van de vordering niet rechtstreeks is toegebracht door het jegens verdachte bewezenverklaarde feit.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 1 maart 2007 (de datum van de laatste geldopname).

Voor wat betreft de gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten hanteert de rechtbank het kantonliquidatietarief. Gelet op de hoofdsom worden deze kosten tot op heden begroot op een bedrag van € 1.200,-. Voor wat betreft de schadevergoedingsmaatregel blijven de kosten van rechtsbijstand buiten beschouwing.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door [medeverdachte] is of wordt voldaan.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f en 417 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

B. het verrichten van een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 90 (negentig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 4 (vier) uren, zijnde 2 (twee) dagen hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover de medeverdachte betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [slachtoffer], te betalen € 65.025,70 (vijfenzestigduizend en vijfentwintig euro en zeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 1.200,- (duizend en tweehonderd euro), vermeerderd met de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken kosten.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 65.025,70 (vijfenzestigduizend en vijfentwintig euro en zeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 335 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. M. van der Linde, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 april 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature