Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzoek om planschadevergoeding als gevolg van nieuw bestemmingsplan. Uitleg maximale invulling oude bestemmingsplan, nu de Kroon aan (delen van) enkele planvoorschriften goedkeuring heeft onthouden. Waardering schade op basis van het advies dat verweerder aan bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, kan niet worden gevolgd. Vergoeding proceskosten en kosten deskundige.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 10 - 4410, 10 - 4414, 10 - 4417, 10 - 4419, 10 - 4422,

10 - 4426, 10 - 4429, 10 - 4430, 10 - 4435, 10 - 4487,

10 - 4488, 10 - 4493

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 december 2011

in de zaken van:

[naam eiser 1],

[naam eiser 2],

[naam eiser 3],

[naam eiser 4],

[naam eiser 5],

[naam eiser 6],

[naam eiser 7],

[naam eiser 8],

[naam eiser 9],

gemachtigde: mr. L. de Man, advocaat te Amsterdam,

[naam eiser 10],

[naam eiser 11],

gemachtigde: mr. G.J.M. Immens te Tilburg,

[naam eiser 12],

gemachtigde: mr. G. Bussink-Klein Wolterink te Amsterdam Zuidoost,

allen wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: eisers,

tegen:

de raad van de gemeente Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 25 januari 2007 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan eisers ter vergoeding van planschade bedragen variërend van nihil tot € 8.000,- vermeerderd met de wettelijke rente toegekend.

Bij besluiten van 8 juli 2010 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaarschriften van eisers ongegrond verklaard. Daarbij is verweerder afgeweken van het advies van 28 maart 2010 van de externe hoor- en adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften in de gemeente Zaanstad (hierna: de bezwaaradviescommissie).

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn, samen met een aantal andere beroepen waarbij het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad verweerder was, behandeld ter zitting van 8 december 2011, alwaar eisers [naam eiser 1], [naam eiser 5], [naam eiser 7], en [naam eiser 8] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Ook eiser [naam eiser 11] is verschenen, bijgestaan door mr. D.S. Montagne, kantoorgenoot van mr. G.J.M. Immens. Voorts is de gemachtigde van [naam eiser 12] verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. Toxopeus, mr. A. ten Bruin en mr. N. Kippers, allen werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

2. Overwegingen

2.1 Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180), voor zover hier van belang, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Per 1 september 2005 is artikel 49 van de WRO gewijzigd. Ingevolge artikel II van de wet van 8 juni 2005 (Stb. 2005, 305) blijft artikel 49 van de WRO , zoals dat luidde voor het tijdstip van de wijziging, van toepassing op aanvragen om vergoeding van schade die voor dat tijdstip zijn ingediend.

2.2 Alle verzoeken om planschadevergoeding zijn vóór 1 september 2005 ingediend, zodat op alle planschadeverzoeken artikel 49 van de WRO zoals dat voor dat tijdstip luidde van toepassing is.

2.3 Ingevolge artikel 49 van de WRO , zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.4 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eisers zijn allen woonachtig aan de [straatnaam 1] of [straatnaam 2] te [woonplaats]. Zij hebben verweerder verzocht om vergoeding van planschade, in de vorm van waardevermindering van hun woning, ten gevolge van het in werking treden van het bestemmingsplan ‘Westzanerpolder’.

2.5 Op 28 november 1973 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Westzaan het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ vastgesteld, welk plan gedeeltelijk is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 17 december 1974. Bij Koninklijk besluit van 16 maart 1978 is het bestemmingsplan onherroepelijk geworden, met uitzondering van een aantal bepalingen waaraan bij dat besluit goedkeuring is onthouden. In dit bestemmingsplan zijn de gronden waarop de planschadeverzoeken betrekking hebben, bestemd voor ‘Agrarische doeleinden - A (bouwpercelen)’ en ‘Agrarische doeleinden - B (productiegebied)’.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor ‘Agrarische doeleinden - A (bouwpercelen)’ aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, zulks met inachtneming van wat in de navolgende leden van dit artikel, alsmede in de artikelen 19 en 20 is bepaald.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op bedoelde gronden gebouwen en andere bouwwerken in ruimtelijke samenhang ten opzichte van elkaar worden gebouwd, die blijkens de aard en indeling rechtstreeks en uitsluitend ten dienste van een agrarisch bedrijf staan, en er mag erfbeplanting worden aangebracht, met dien verstande dat:

a. (vervallen);

b. een bedrijfswoning slechts mag worden gebouwd tegelijk met of na het tot stand komen van de daarbij behorende bedrijfsgebouwen;

c. de afstand van niet voor bewoning bestemde gebouwen met een maximum goothoogte van 2.50 m tot de as van de aanliggende openbare weg tenminste 5.00 m moet zijn, terwijl deze afstand voor de overige gebouwen tenminste 7.00 m moet zijn;

d. de afstand van kleine gebouwen, zoals schuren met een maximum grondoppervlakte van 50 m2 en een maximale inhoud van 150 m3, tot de bouwperceelsgrens tenminste 1.50 m moet bedragen;

de afstand van de overige gebouwen tot de bouwperceelsgrens tenminste 3.50 m moet bedragen;

e. (vervallen).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor ‘Agrarische doeleinden - B (productiegebied)’ aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, zulks met inachtneming van wat in de navolgende leden van dit artikel, alsmede in de artikelen 19 en 20 is bepaald.

Ingevolge artikel 4, derde lid, van de planvoorschriften mogen op de in lid 1 bedoelde gronden andere bouwwerken worden gebouwd, die blijkens de aard en indeling rechtstreeks ten dienste van het agrarisch bedrijf staan, met een maximum hoogte van 3.00 m.

2.6 De Kroon heeft bij besluit van 16 maart 1978, voor zover hier relevant, goedkeuring onthouden aan onder meer artikel 4, tweede, vierde en vijfde lid, waarvan de tekst hieronder is opgenomen.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften, zoals dat luidde voor de daaraan onthouden goedkeuring, mogen op de in lid 1 bedoelde gronden geen gebouwen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de planvoorschriften, zoals dat luidde voor de daaraan onthouden goedkeuring, zijn burgemeester en wethouders bevoegd, indien dit voor een goede agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 2 voor de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen, niet bestemd voor bewoning, zoals veldschuren, melkstallen en schuilgelegenheden, met dien verstande, dat:

a. de goothoogte van deze gebouwen niet meer dan 3.00 m mag zijn;

b. de oppervlakte van deze gebouwen niet meer dan 100 m2 mag zijn;

c. één zodanig gebouw mag worden gebouwd op een veldbedrijfskavel met een minimum oppervlakte van 10ha.

Ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften, zoals dat luidde voor de daaraan onthouden goedkeuring, zijn burgemeester en wethouders bevoegd, na vóóraf verkregen verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in dit artikel in die zin, dat mag worden afgeweken van de op de kaart aangegeven bestemmingsgrenzen ten behoeve van de vergroting van een bouwperceel als bedoeld in artikel 3 van de ze voorschriften (agrarische doeleinden-A (bouwpercelen)) tot een maximum van 2ha, indien zulks noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering.

2.7 Verweerder heeft het bestemmingsplan niet overeenkomstig artikel 30, eerste lid, van de WRO aangepast.

2.8 Op 27 juni 2002 is het nieuwe bestemmingsplan ‘Westzanerpolder’ vastgesteld, welk plan gedeeltelijk is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 28 januari 2003 en onherroepelijk geworden op 24 september 2003. In dit bestemmingsplan wordt ten aanzien van de gronden waarop de planschadeverzoeken betrekking hebben in de bestemmingen ‘Bedrijfsdoeleinden’, ‘Recreatieve doeleinden’, ‘Groenvoorzieningen I’, ‘Groenvoorzieningen II’, ‘Verkeersdoeleinden’, ‘Primair water’ en ‘Uit te werken gebied voor bedrijfsdoeleinden’ voorzien.

2.9 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor ‘Bedrijfsdoeleinden’ aangewezen gronden, voor zover hier relevant en afhankelijk van de aanduiding op de plankaart, bestemd voor bedrijven behorende tot ten hoogste de categorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder i, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor ‘Bedrijfsdoeleinden’ aangewezen gronden tevens bestemd voor de bijbehorende voorzieningen zoals horeca-activiteiten uit categorie I van de Staat van Horeca-activiteiten, leidingen en collectieve voorzieningen ten behoeve van de bedrijven, ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, vrachtwagenparkeervoorzieningen, wasplaatsen, voorzieningen ten behoeve van (gescheiden) afvalinzameling, kunstwerken, nutsvoorzieningen, groen en water.

In het tweede lid van artikel 3 van de planvoorschriften zijn de bouwvoorschriften opgenomen. Voor de bouwvlakken die het dichtst bij de woningen aan de [straatnaam 1] en [straatnaam 2] zijn gelegen geldt als toegelaten bedrijfscategorie 3.1, een maximaal bebouwingspercentage van 70 en bouwhoogtes van respectievelijk 9, 18 en 12 meter.

De op de kaart voor ‘Uit te werken gebied voor Bedrijfsdoeleinden (UB)’ aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 4 van de planvoorschriften bestemd voor bedrijven, ter plaatse van de subbestemming UBw tevens voor windturbines, en voor bijbehorende voorzieningen, zoals horeca-activiteiten uit categorie I van de Staat van Horeca-activiteiten, leidingen en collectieve voorzieningen ten behoeve van de bedrijven, ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, vrachtwagenparkeervoorzieningen, wasplaatsen, voorzieningen ten behoeve van (gescheiden) afvalinzameling, kunstwerken, nutsvoorzieningen, groen en water. Gelet op de in het tweede lid genoemde uitwerkingsregels behoren windturbines met een masthoogte van 80 meter en een rotordiameter van 66 meter tot de mogelijkheden.

De gronden die op de kaart zijn aangewezen voor ‘Recreatieve doeleinden (R)’ zijn ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften bestemd voor recreatieve voorzieningen, zijnde een speelplaats en een dierenweide en ter plaatse van de subbestemming ‘Rv’ bestemd voor volkstuinen. De gronden zijn tevens bestemd voor bijbehorende voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, groen en water.

Ingevolge de in het tweede lid van artikel 5 neergelegde bouwvoorschriften mogen alleen niet voor bewoning bestemde gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de (sub)bestemming. De oppervlakte van gebouwen op de bestemming R mag niet meer bedragen dan 200 m2. Op de bestemming Rv geldt een maximumoppervlakte voor gebouwen van 25 m2. De bouwhoogte van gebouwen mag maximaal 5 m bedragen.

De gronden die op de kaart zijn aangewezen voor ‘Verkeersdoeleinden (V)’ zijn ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier relevant, aangewezen voor wegen overeenkomstig de op de kaart aangegeven dwarsprofielen met de daarin gelegen kruisingen met andere wegen en water en de daarbij behorende fiets- en voetpaden, haltes en fietsenstallingen, bermen, waterlopen en beplantingen, alsmede voor leidingen ten behoeve van bedrijven, collectieve voorzieningen en nutsvoorzieningen, groen en water. Op deze gronden mag uitsluitend ten behoeve van de bestemming worden gebouwd.

De gronden die op de kaart zijn aangewezen voor ‘Groenvoorzieningen I (GI)’ zijn ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften bestemd voor beplantingen en water, voet- en fietspaden, leidingen ten behoeve van de bedrijven en collectieve voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de inzameling van afval, nutsvoorzieningen, duikers en kunstwerken. Op deze gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd.

De gronden die op de kaart zijn aangewezen voor ‘Groenvoorzieningen II (GII)’ zijn ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften bestemd voor natuurontwikkeling met bijgehorende beplanting, ten minste 2, 3 ha voor waterberging, voet- en fietspaden, kunstwerken, alsmede, ter plaatse van de nadere aanduiding kv, voor kleinvee. Op deze gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd.

De gronden die op de kaart zijn aangewezen voor ‘Primair Water’ zijn ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier relevant, bestemd voor verkeer en vervoer over water, de wateraanvoer en -afvoer en de waterberging. Op deze gronden mogen op grond van het tweede lid uitsluitend worden gebouwd keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, steigers en kunstwerken.

2.10 Van de kant van verweerder is in verband met de ingediende planschadeverzoeken de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) ingeschakeld als planschadebeoordelings-commissie. SAOZ heeft in januari 2006 advies uitgebracht. Omdat verweerder meende dat het advies van SAOZ niet met de vereiste kwaliteit was opgesteld, is van de kant van verweerder Langhout & Wiarda (L&W) verzocht een second opinion op te stellen. L&W heeft advies uitgebracht op 12 juni 2006. Op 28 mei 2008 heeft L&W op verzoek namens verweerder een aanvullend advies uitgebracht naar aanleiding van de adviezen van de bezwaaradviescommissie van 20 januari 2008 aan gemeenteraad en 24 januari 2008 aan het college. Op 2 december 2008 heeft het SAOZ desgevraagd gereageerd op de adviezen van L&W.

2.11 Verweerder heeft, in afwijking van het advies van de bezwaaradviescommissie van 28 maart 2010, aan de bestreden besluiten de adviezen van L&W ten grondslag gelegd en de bezwaarschriften op basis daarvan ongegrond verklaard.

2.12 Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon, onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan van dat uitgangspunt worden afgeweken.

2.13 De vraag die voorligt, is hoe artikel 4 van het oude bestemmingsplan moet worden uitgelegd. SAOZ en L &W nemen daarover in hun adviezen, zoals ook verweerder ter zitting heeft beaamd, ver uiteenliggende standpunten in. Volgens SAOZ betekent de onthouding van goedkeuring aan het in het tweede lid neergelegde bouwverbod en de vrijstellingsmogelijkheden in het vierde en vijfde lid dat slechts de bestemming en de mogelijkheid om andere bouwwerken met een maximale hoogte van 3 meter op te richten, resteren. L&W gaat uit van het andere uiterste. Volgens L&W is het gevolg van de onthouding van goedkeuring aan het in het tweede lid neergelegde bouwverbod dat ter plaatste gebouwen voor de uitoefening van het agrarische bedrijf mochten worden opgericht. Gelet op de aanvullende werking van de bouwverordening kunnen gebouwen worden opgericht met een maximale hoogte van 15 meter en behoorde een invulling van de percelen met grote schuren en/of kassen tot de planologische mogelijkheden, waarbij wel rekening diende te worden gehouden met een afstand van 25 meter tot de woningen op grond van de milieunormen, aldus L&W. Meerdere agrarische bedrijven direct achter de woningen van eisers waren volgens L&W mogelijk geweest.

2.14 In de bestreden besluiten heeft verweerder het standpunt van L&W gevolgd en gesteld dat er, nu de Kroon ook goedkeuring heeft onthouden aan de definitie van agrarisch bedrijf, op grond van het oude bestemmingplan alle soorten bedrijfsvoering mogelijk waren, waaronder intensieve veehouderij, en dat de oprichting van agrarische bedrijfsbebouwing mogelijk zou zijn geweest tot een hoogte van 15 meter.

2.15 De rechtbank deelt het standpunt van L&W dat de onthouding van goedkeuring door de Kroon ten gevolge heeft dat ter plaatse in beginsel gebouwen mochten worden opgericht. De rechtbank is evenwel niet van oordeel dat dit betekent dat ongebreidelde oprichting van gebouwen met een hoogte van 15 meter mogelijk was. Gezien de systematiek van het bestemmingsplan en de aard van de bestemming – het gaat hier om de bestemming agrarisch productiegebied en los daarvan bestaat de bestemming ‘Agrarische doeleinden A (bouwpercelen)’ waarop gebouwd mag worden alsmede het aantal bestaande en als zodanig bestemde boerderijen– acht de rechtbank het niet reëel om ervan uit te gaan dat direct achter de woningen van eisers (aaneengesloten) een groot aantal agrarische bedrijfsgebouwen met voormelde hoogte zou worden opgericht. Door uit te gaan van grootschalige bebouwing wordt miskend dat uit het onderwerpelijke bestemmingsplan zelf en uit het Kroonbesluit, pagina 30, blijkt dat het plan een overwegend open agrarisch gebied betreft, dat vooral landschappelijk van belang is en dat verder een aantal in dit plan begrepen terreinen ook uit natuurwetenschappelijk oogpunt waardevol is te achten. De Kroon verbindt hieraan vervolgens de conclusie dat het aanvaardbaar is, dat in het algemeen aan de bestaande agrarische belangen zekere beperkingen ten aanzien van bebouwing en ander gebruik van de grond worden gesteld.

2.16 Voor de gronden van eisers gold destijds geen bestemmingsplan. Niet in geschil is en ook de rechtbank gaat ervan uit dat de Bouwverordening 2003 (aanvullend) van toepassing was. Hieruit volgt dat eisers op hun gronden een ruime mogelijkheid hadden om te bouwen.

2.17 Vaststaat dat het nieuwe bestemmingsplan ‘Westzanerpolder’ geen betrekking heeft op de percelen van eisers. Hun percelen grenzen aan de gronden gelegen in dit bestemmingsplan. Dat betekent dat, anders dan verweerder betoogt, niet relevant is wat onder de vigeur van de Bouwverordening 2003 op de percelen van eisers maximaal kon worden gerealiseerd. Uitsluitend hetgeen onder het oude planologische regime, het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’l, kon worden gerealiseerd is bij de planologische vergelijking van belang (vgl de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2011, LJN:BP2083).

2.18 Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het advies van L&W op het punt van de waardering niet kan worden gevolgd. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat sprake is van een ingrijpende transformatie van het gebied van agrarisch naar bedrijventerrein. In het eerste advies, waarin wordt uitgegaan van ongebreidelde bouwmogelijkheden op grond van het oude bestemmingsplan, komt L&W tot een waardevermindering van – globaal genomen – ongeveer 2%. In het tweede advies, waarin L&W op verzoek van verweerder heeft aangegeven wat de gevolgen voor de door hen uitgebrachte adviezen zijn indien voor juist moet worden gehouden dat onder de werking van het oude bestemmingsplan slechts andere bouwwerken met een maximale hoogte van 3 meter mochten worden opgericht, komt L&W tot slechts marginaal hogere planschadebedragen, die neerkomen op ongeveer 3 á 3,5% waardevermindering. L&W heeft daarbij dezelfde basiswaarden gebruikt voor de taxatie als SAOZ. Het bevreemdt de rechtbank dat L&W, op basis van twee sterk uiteenlopende planvergelijkingen, in het tweede advies in absolute zin vrij lage planschadebedragen heeft vastgesteld. De rechtbank acht zowel de in het eerste als de in het tweede advies vastgestelde planschadebedragen, gelet op de transformatie van het plangebied, slecht te verklaren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat SAOZ, alsmede het door een aantal eisers om een rapport gevraagde Ten Have Advies, gemotiveerd tot significant hogere planschadebedragen zijn gekomen.

2.19 Gelet op de vorenstaande overwegingen slaagt het betoog van eisers dat verweerder de adviezen van L&W niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De bestreden besluiten komen derhalve voor vernietiging in aanmerking. Het ligt op de weg van verweerder om bij de nieuw te nemen besluiten een derde planschadedeskundige in te schakelen die, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald, een nieuw planschadeadvies uitbrengt. Vervolgens is het aan verweerder om zich ervan te vergewissen of het advies zorgvuldig tot stand is gebracht en of hij het aan zijn besluit ten grondslag wil leggen. De rechtbank heeft ervoor gekozen om in deze kwestie niet zelf een planschadedeskundige, zoals de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, in te schakelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder zichzelf in deze complexe situatie heeft gebracht door destijds geen gevolg te geven aan de verplichting om ingevolge artikel 30 van de WRO voor het deel van het bestemmingsplan waaraan door de Kroon goedkeuring is onthouden een nieuw plan vast te stellen.

2.20 Eisers die worden bijgestaan door mr. G.J.M. Immens hebben nog aangevoerd dat in de planvergelijking ten onrechte geen rekening is gehouden met de gevolgen van de aanleg van een ontsluitingsweg (de [naam weg]) in het gebied. Desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat ten aanzien van de [naam weg] een aparte planschadeprocedure wordt gevolgd. Nu aan de hand van de door verweerder ter zitting overgelegde lijst is gebleken dat alle eisers ook bij die procedure betrokken zijn, treft deze grond geen doel.

2.21 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

2.22 Voor de negen eisers die worden bijgestaan door mr. L. de Man bedraagt de proceskostenvergoeding in totaal negen elfde van € 874,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De beroepen worden aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht . De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in een andere uitspraak van heden in beroepen waarbij het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad verweerder is een proceskostenvergoeding van twee elfde van € 874,- wordt uitgesproken ten gunste van twee eisers die worden bijgestaan door mr. De Man.

Ten aanzien van het verzoek van deze eisers om vergoeding van de kosten van het rapport van Ten Have Advies van 19 mei 2011 overweegt de rechtbank dat de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van die deskundige redelijk was. Ter bepaling of het inroepen van een deskundige redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Naar het oordeel van de rechtbank mochten eisers daarvan uitgaan. De kosten voor het deskundigenadvies bedragen in totaal € 2.963,10 en door ieder van deze eisers is een elfde van dit bedrag voldaan.

2.23 Voor de twee eisers die worden bijgestaan door mr. G.J.M. Immens bedraagt de proceskostenvergoeding in totaal twee vijfde van € 874,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De beroepen worden aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht . De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de eerder genoemde andere uitspraak van heden een proceskostenvergoeding van drie vijfde van € 874,- wordt uitgesproken ten gunste van drie eisers die worden bijgestaan door mr. Immens.

2.24 Voor eiser [naam eiser 12] bedraagt de proceskostenvergoeding € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.25 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder zal worden opgedragen het griffierecht aan eisers te vergoeden. Alle eisers hebben per procedurenummer € 150,- aan griffierecht betaald.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden besluiten van 20 juli 2010;

3.3 bepaalt dat verweerder binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen;

3.4 veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, zoals aangegeven in de rechtsoverwegingen 2.22 tot en met 2.24, tot een bedrag van in totaal € 4.363,05 te betalen aan eisers;

3.5 wijst het meer of anders gevorderde af;

3.6 gelast dat verweerder de door eisers betaalde griffierechten, waarvan de bedragen zijn genoemd in rechtsoverweging 2.25, aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. drs. L. Beijen, leden, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 december 2011.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature