Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Geen leges voor WOB-verzoek.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00563

Uitspraak op het hoger beroep van

de Heffingsambtenaar van de gemeente Etten-Leur,

hierna: de Heffingsambtenaar,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 1 juli 2011, nummer AWB 11/78 in het geding tussen

X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen factuur leges.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij factuur van 9 april 2010, factuurnummer A 00-0000, van belanghebbende een bedrag aan leges geheven van € 436,20, zijnde € 417,60 wegens nasporingen in het gemeentearchief en € 18,60 wegens het verstrekken van fotokopieën. Het tijdig door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaar is door de Heffingsambtenaar bij uitspraak van 14 december 2010 afgewezen.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. Bij vorenvermelde uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar van de Heffingsambtenaar vernietigd, de factuur vernietigd, een proceskostenvergoeding toegekend van € 1.310 en teruggave van het door belanghebbende betaalde griffierecht gelast.

1.3. Tegen deze laatste uitspraak heeft de Heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende met dagtekening 7 november 2011, bij het Hof ingekomen op 8 november 2011, een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de Heffingsambtenaar.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Heffingsambtenaar, alsmede gemachtigde van belanghebbende.

1.6. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Heffingsambtenaar.

1.7. Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.8. Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende heeft bij brief van 5 februari 2010 onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Etten-Leur verzocht om informatie betreffende geconstateerd plichtsverzuim van gemeentelijke ambtenaren in die gemeente. Het college heeft dit verzoek ingewilligd.

2.2. De raad van de gemeente Etten-Leur heeft in zijn openbare vergadering van 22 december 2009, gelet op het bepaalde in artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet , een verordening vastgesteld op de heffing en de invordering van leges 2010. Deze verordening (hierna: de Verordening) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

" Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam 'leges' worden rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend.

(...)

Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven

1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

3. Belastingbedragen van minder dan € 2,00 worden niet geheven.

Artikel 6 Wijze van heffing

De leges worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.".

2.4. Hoofdstuk 10 van de bij de Verordening behorende tarieventabel luidt als volgt:

" Hoofdstuk 10 Gemeentearchief

1.10.1 Het tarief bedraagt voor het op verzoek doen van nasporingen in de in het gemeentearchief berustende stukken, voor ieder daaraan besteed kwartier € 17,40 ".

2.5. Hoofdstuk 17 van de bij de Verordening behorende tarieventabel luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

" Hoofdstuk 17 Diversen

1.17.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van:

1.17.1.1. afschriften, doorslagen of fotokopieën van stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen:

1.17.1.1.1 per pagina op papier van A4-formaat € 0,10

(...) ".

2.6. Ter zake van het aan belanghebbende verstrekken van de onder 2.1 bedoelde informatie heeft de Heffingsambtenaar van belanghebbende leges geheven tot een bedrag van in totaal € 436,20. De uitgereikte factuur vermeldt, voor zover te dezen van belang, het volgende:

" (...)

Nasporingen in het gemeentearchief (Tarieventabel Legesverordening 2010, hoofdstuk 10 / 1.10.1: € 17,40 per besteed kwartier).

Het tarief voor het verstrekken van fotokopieën: per pagina op papier van A4-formaat: € 0,10 (Tarieventabel Legesverordening 2010, hoofdstuk 17 / 1.17.1.1.1).

Dossier I

1 uur en 15 minuten: 5 kwartieren x € 17,40 € 87,00

62 fotokopieën à € 0,10 per pagina € 6,20

Dossier II

2 uur en 30 minuten: 10 kwartieren x € 17,40 € 174,00

65 fotokopieën à € 0,10 per pagina € 6,50

Dossier III

2 uur en 15 minuten: 9 kwartieren x € 17,40 € 156,60

59 fotokopieën à € 0,10 € 5,90

Totaal € 436,20 ".

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is het door het gemeentebestuur aan belanghebbende verstrekken van de onder 2.1 bedoelde informatie aan te merken als een dienst in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet?

II. Indien vraag I bevestigend moet worden beantwoord: Is het heffen van leges in het onderhavige geval in strijd met artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?

III. Zijn de leges tot een juist bedrag geheven?

De Heffingsambtenaar is van oordeel dat vraag I bevestigend, vraag II ontkennend en vraag III bevestigend moet worden beantwoord. Belanghebbende is met betrekking tot deze vragen de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende zijn grief dat het college niet bevoegd was tot het heffen van de leges en dat deswege de factuur/aanslag moet worden vernietigd en dat de uitspraak op bezwaar onbevoegdelijk is gedaan, laten varen.

3.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1. Door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als een dienst in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet , indien die werkzaamheden rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang (en niet het algemeen belang). Gelet op de omstandigheid dat het niet mogelijk is om bij ieder verzoek om informatie ingevolge de Wob objectief vast te stellen welk belang bij het doen van de aanvraag overheerst, nopen uitvoerbaarheidsargumenten er echter toe als maatstaf te hanteren of de verstrekking van deze informatie naar haar aard vooral in het algemeen belang dan wel vooral ten behoeve van individualiseerbare belangen plaatsvindt (Hoge Raad 9 september 2011, nr. 10/04967, LJN BQ4105).

4.2. Het Hof zal, mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, in het midden laten of belanghebbende, zoals de Heffingsambtenaar stelt, doch belanghebbende betwist, in de onderhavige situatie een individualiseerbaar belang heeft, in het bijzonder zijn belang bij het aan het licht brengen van door het college gevoerd (personeels)beleid ten aanzien van plichtsverzuim van gemeentelijke ambtenaren in de gemeente Etten-Leur.

4.3. Met betrekking tot de aan het slot van 4.1 vermelde maatstaf is van belang

- dat ingevolge artikel 110 van de Grondwet de overheid bij de uitvoering van haar taak openbaarheid dient te betrachten volgens regels bij de wet (dit is geworden de Wob) te stellen,

- dat in de considerans van die wet (de Wob) wordt overwogen dat het gaat om een goede en democratische bestuursvoering,

- dat ingevolge het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wob een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak in beginsel informatie overeenkomstig deze wet dient te verstrekken en daarbij dient uit te gaan van het algemeen belang van openbaarheid van informatie, en

- dat een verzoeker om informatie ingevolge de Wob op grond van artikel 3, derde lid, van die wet bij zijn verzoek geen belang behoeft te stellen.

Gelet op dit een en ander is voor het inwilligen van een verzoek om informatie ingevolge de Wob irrelevant of de verzoeker een individualiseerbaar belang bij die informatie heeft en gaat de Wob er integendeel van uit dat het verstrekken van informatie in alle gevallen het algemeen belang dient. Dat met het verstrekken van informatie ingevolge de Wob steeds ook individualiseerbare belangen worden gediend, staat daarentegen niet vast; er kan integendeel van worden uitgegaan dat sommige (categorieën) verzoekers in het geheel geen individualiseerbaar belang bij de verzochte informatie hebben.

Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat verzoeken om informatie ingevolge de Wob naar hun aard in overheersende mate verband houden met individualiseerbare belangen. Het op grond van dergelijke verzoeken verstrekken van informatie is derhalve geen dienst in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet , zodat heffing van leges uit hoofde van die bepaling niet mogelijk is.

4.4. Gelet op het vorenstaande dient de in de omschrijving van het geschil onder I vermelde vraag ontkennend te worden beantwoord. De aldaar onder II en III vermelde vragen behoeven mitsdien geen beantwoording.

Slotsom

4.5. Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd, zij het onder verbetering van de gronden.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6. Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt, gelet op het bepaalde in artikel 27l, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen , van de gemeente Etten-Leur ter zake van het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 454.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7. Nu het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.8. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten wegens proceshandelingen) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 874.

5. Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

- bepaalt dat van de gemeente Etten-Leur ter zake van het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 454, en

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874.

Aldus gedaan op: 23 maart 2012 door P. Fortuin, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en P.A.M. Pijnenburg, leden, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature