Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 30 november 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "12 Recreatiewoningen Gouden Boaijum te Heeg" vastgesteld.

Uitspraak



201103639/1/R4.

Datum uitspraak: 11 april 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2] en anderen, gevestigd te [plaats],

3. Heegermeer Opleidingen B.V., gevestigd te Heeg, gemeente Súdwest Fryslân, en anderen (hierna: Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Wymbritseradiel, thans gemeente Súdwest Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "12 Recreatiewoningen Gouden Boaijum te Heeg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2011, [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2011, en Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2012, waar [appellanten sub 1], in persoon, bijgestaan door mr. S.P. Dalmolen, advocaat te Amsterdam en [appellant sub 2] en anderen, waarvan [appellant sub 2] in persoon, en Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door G.L. De Jong, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Entergraven B.V., vertegenwoordigd door J.G. Tadema, bijgestaan door mr. W.H.R. van Boetzelaer, als partij verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in het realiseren van twaalf recreatiewoningen in het recreatiegebied op het eiland De Gouden Boaijum te Heeg.

Ontvankelijkheid

2.2. Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] hebben beroep ingesteld mede voor [appellant sub 3] en twee niet bij naam genoemde familieleden van [appellant sub 3].

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Evenbedoelde familieleden hebben geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan naar voren gebracht. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb , kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpbestemmingsplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] tegen het bestemmingsplan is, voor zover mede voor de hiervoor bedoelde familieleden ingesteld, niet-ontvankelijk.

Formele bezwaren

2.3. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het plan niet met inachtneming van de wettelijke termijn van zes weken na de vaststelling ervan heeft bekendgemaakt.

2.3.1. Deze mogelijke onregelmatigheid, wat daarvan ook zij, dateert van na het nemen van het bestreden besluit en kan reeds om deze reden de rechtmatigheid van dit besluit niet aantasten. Dit betoog faalt.

2.4. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat de raad in strijd met artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro niet binnen twaalf weken na de termijn van ter inzage legging van het ontwerp het plan heeft vastgesteld, wordt vastgesteld dat deze termijn is overschreden. De periode van twaalf weken als bedoeld in artikel 3.8 van de Wro , waarbinnen de raad moet beslissen over de vaststelling van het plan, betreft een termijn van orde. Uit deze wettelijke bepaling noch enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het plan vast te stellen. Dit betoog faalt derhalve.

Het beroep van Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3]

2.5. Het beroep van Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Recreatiewoningen". Zij betogen dat hun belangen worden geschaad, aangezien de overzet van hun perceel naar de vaste wal van De Gouden Boaijum, thans het plangebied, vervalt nu het terrein waarop de plaats van overzet ligt ingevolge het plan niet meer openbaar is. Hiermee valt ook de op dat terrein aanwezige parkeerruimte ten behoeve van hun bedrijf weg.

Voorts voeren Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] aan dat het plan, in afwijking van de exploitatieovereenkomst die in 1997 is gesloten tussen de gemeente en twee projectontwikkelaars, de toen voorgenomen zwembadaccomodatie in het plangebied niet mogelijk maakt. Zij stellen in het kader van het toen voorgenomen plan kosten te hebben gemaakt.

Verder brengt het plan, gelet op de voorziene recreatiewoningen, volgens hen beperktere exploitatiemogelijkheden voor hun bedrijf en derhalve waardedaling hiervan met zich.

2.5.1. De raad stelt dat hij niet verplicht is een overzetmogelijkheid tussen het perceel van voor het bedrijf van Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] planologisch mogelijk te maken, te minder nu het bedrijf reeds over een overzetmogelijkheid beschikt. Dat Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] al jaren gebruik maken van ter plaatse ten behoeve van overzet zonder toestemming van de particuliere eigenaar van een in het plangebied gelegen terrein, maakt dat niet anders, aldus de raad.

2.5.2. Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] exploiteren een bedrijf. Zij verhuren op hun perceel, gelegen aan de Gouden Boaijum 2, groepsaccomodaties. Dit perceel is door water omgeven en ligt ten zuidwesten en in de nabijheid van het plangebied.

2.5.3. Het plan voorziet niet in een overzetmogelijkheid tussen het perceel van Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] en het plangebied ten behoeve van het bedrijf van Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3]. Het vorige plan voorzag daarin evenmin, zodat het gebruik van dit deel van het huidige plangebied als aanlegplaats in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan was. Gelet hierop acht de Afdeling de keuze van de raad om in het voorliggende plan niet te voorzien in een aanlegplaats niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] reeds over een overzetmogelijkheid naar een buiten het plangebied gelegen gebied beschikken.

2.5.4. Anders dan Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] veronderstellen, vloeit uit de exploitatieovereenkomst en uit het feit dat de raad hiermee heeft ingestemd, wat daar ook van zij, niet voort dat in de overeenkomst ten behoeve van derden rechtens te honoreren verwachtingen zijn gewekt dat de gemeente onder alle omstandigheden naleving van hetgeen daarin is opgenomen, zal bevorderen. Door thans een plan vast te stellen dat volgens Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] afwijkt van de exploitatieovereenkomst heeft de raad derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel jegens Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] gehandeld.

2.5.5. Voor zover Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] betogen dat de raad rekening diende te houden met toekomstige ontwikkelingen in de vorm van het realiseren van een zwembadaccomodatie binnen het plangebied, overweegt de Afdeling dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet blijkt dat er concrete plannen waren om aldaar de gronden daarvoor te gebruiken. Dat Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] in het kader daarvan kosten hebben gemaakt, maakt niet dat de raad aan de gronden niet in redelijkheid de bestemming "Recreatie - Recreatiewoningen" heeft kunnen toekennen.

2.5.6. Wat betreft de gestelde schade ten gevolge van waardevermindering van het bedrijf als gevolg van het plan, overweegt de Afdeling dat, -al aangenomen dat sprake is van een wijziging van het planologische regime, waardoor Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] in een nadeliger positie zijn komen te verkeren- niet aannemelijk is gemaakt dat de waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.6. [appellant sub 2] en anderen betogen dat ten onrechte niet is aangesloten bij de in de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) aanbevolen afstand van 50 meter tussen de voorziene recreatiewoningen en het perceel Gouden Boaijum 12, waarop hun jachthaven is gevestigd.

2.6.1. Uit paragraaf 3.8 van de plantoelichting volgt dat de raad er vanuit is gegaan dat het plangebied en de gronden in de omgeving daarvan zijn aangemerkt als een gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure. Onder gemengd gebied wordt in de VNG-brochure verstaan: "gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven (…). Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied." In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende bedrijven, waaronder jachthavens en andere aan (water)recreatie en (water)toerisme verbonden bedrijven en een pension. Gelet op deze kenmerken ziet de Afdeling niet dat de raad niet in redelijkheid het gebied als een gemengd gebied heeft kunnen aanmerken.

De jachthaven van [appellant sub 2] en anderen behoort tot milieucategorie 3.1. In de VNG-brochure wordt voor deze categorie in een gemengd gebied een afstand van 30 meter aanbevolen tussen de perceelsgrens van een bedrijf en de gevel van een woning. De in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 30 meter is ingegeven door mogelijke geluidhinder.

Hoewel de in de VNG-brochure genoemde afstanden indicatief van aard zijn, dienen, indien wordt aangesloten bij deze publicatie, naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, afwijkingen van de daarin genoemde afstanden - die worden ingegeven door bijzondere omstandigheden ter plaatse - te worden gemotiveerd en te worden afgewogen in het licht van het doel van deze normen, namelijk het voorkomen van hinder in nieuwe situaties. In de plantoelichting staat dat, gelet op de afstand tussen de jachthaven van [appellant sub 2] en de voorziene recreatiewoningen van ten minste 25 meter, mogelijk sprake is van (milieu)hinder vanwege deze jachthaven op deze recreatiewoningen. In de plantoelichting staat verder dat, de aard en schaal van het gebied en de jachthavens in overweging nemende, de bouw van de recreatiewoningen in het plangebied aanvaardbaar wordt geacht en dat mogelijke (milieu)hinder van jachthavens inherent is aan een gebied voor waterrecreatie en -toerisme.

2.6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat niet aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden van 30 meter wordt voldaan, nu de afstand tussen de grens van het perceel van de jachthaven van [appellant sub 2] en anderen en de gevel van enkele van de voorziene recreatiewoningen kleiner is dan 30 meter; de kortste afstand bedraagt nog geen 10 meter.

De in dit kader door de raad aangevoerde omstandigheid dat reeds bestaande recreatiewoningen op een afstand van 20 meter van de perceelsgrens van een andere jachthaven staan, noch het beroep van de raad op de mogelijkheden die het vorige plan ter plaatse bood, kunnen er aan afdoen dat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat op de in het voorliggende plan voorziene recreatiewoningen wegens het in werking zijn van de jachthaven van [appellant sub 2] dienen te worden beoordeeld en in de belangenafweging te worden betrokken. Een onderzoek om te bepalen of en hoe een vergelijkbare geluidkwaliteit bij de voorziene recreatiewoningen behaald kan worden, als het geval is bij een afstand van 30 meter, ontbreekt. Met de enkele stelling dat de hinder van jachthavens voor recreatiewoningen inherent is aan het voor waterrecreatie en watertoerisme bestemde gebied heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat de hinder ter plaatse van de voorziene recreatiewoningen niet onevenredig belastend zal zijn. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2.7. [appellanten sub 1] voeren aan dat een evidente privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de vaststelling van het plan nu ontsluiting van het plangebied via het water niet mogelijk is. Hiervoor dient namelijk gebruik te worden gemaakt van de strook water die in hun eigendom is en zij hebben hier bezwaar tegen. Op deze strook water rust volgens [appellanten sub 1] geen erfdienstbaarheid ten behoeve van het plangebied en, mocht er al sprake zijn van een erfdienstbaarheid, dan mag deze niet worden verzwaard. Dat de strook water als openbaar (vaar)water kan worden gekwalificeerd is volgens [appellanten sub 1] niet van belang, omdat zij als eigenaar van de grond waarboven het water zich bevindt, niet hoeven te dulden dat eenieder over het water boven hun gronden vaart.

2.8. De raad stelt dat de betrokken strook water openbaar vaarwater is, waardoor deze voor publiek toegankelijk is. Daarnaast kunnen volgens de raad de voorziene recreatiewoningen met gebruikmaking van de bestaande erfdienstbaarheid worden bereikt over de strook water die [appellanten sub 1] in eigendom hebben. Uit de notariële akte waarin de erfdienstbaarheid is gevestigd blijkt niet dat een beperking is gesteld aan het aantal vaartuigen dat gebruik mag maken van deze erfdienstbaarheid, aldus de raad.

2.8.1. In de plantoelichting staat dat het vaarwater langs het zuidoosten en het zuidwesten van het plangebied dient voor recreatief gebruik en om het Heegermeer te bereiken. [appellanten sub 1] hebben een gedeelte van het vaarwater in eigendom. Deze strook water, kadastraal bekend gemeente Heeg sectie A nummer 4494, loopt parallel over de lengte van dit vaarwater langs de gehele lengte van het plangebied.

2.8.2. De Afdeling stelt voorop dat eigendomsverhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis zijn. Hieraan kan slechts betekenis toekomen, indien privaatrechtelijke verhoudingen van een dusdanig evident belemmerende aard zijn dat in verband daarmee de realisering van het bestemmingsplan binnen de planperiode niet aannemelijk is.

De raad stelt terecht dat de strook water die eigendom is van [appellanten sub 1] voor publiek toegankelijk is. Nu het hier gaat om water dat in open gemeenschap staat met water op eens anders erf, is - anders dan [appellanten sub 1] menen - de in artikel 5:20, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek voorziene uitzondering op de regel dat water kan circuleren naar een of meer anderen toebehorende grond geen voorwerp van eigendom kan zijn, niet van toepassing. Het beroep van [appellanten sub 1] faalt in zoverre.

2.9. [appellanten sub 1] stellen verder dat de in het plan voorziene mogelijkheid om een trailerhelling te realiseren schade aan zijn aanlegsteiger behorende bij zijn recreatiewoning kan veroorzaken en tevens geluidsoverlast met zich brengt.

2.9.1. [appellanten sub 1] zijn eigenaar van een recreatiewoning op het ten noordoosten van het plangebied gelegen perceel [locatie A]. Bij dit perceel bevindt zich een aanlegsteiger.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1., aanhef, en onder e, van de planregels zijn de voor "Water" bestemde gronden, bestemd voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder beschoeiingen en steigers.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2., geldt ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde dat steigers en vlonders uitsluitend zijn toegestaan ten behoeve van de recreatieve functie van de recreatiewoningen en dat de bouwhoogte hiervan niet meer dan 3 meter mag bedragen.

2.9.2. Ten aanzien van de gestelde overlast heeft de raad in de nota van zienswijzen gesteld dat de in het plan beoogde trailerhelling blijkens het stedenbouwkundig ontwerp op een afstand van tenminste 25 meter zal liggen van de recreatiewoning van [appellanten sub 1]. Nu in artikel 4, lid 4.2. van de planregels geen minimaal in acht te nemen afstandsmaat tot de zijdelingse perceelsgrens is opgenomen, is - nu moet worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan - het realiseren van een trailerhelling en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogelijk tot op de perceelsgrens van [appellanten sub 1]. Ter zitting heeft de raad erkend dat hij niet heeft beoogd te voorzien in deze mogelijkheid voor de trailerhelling en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het besluit tot vaststelling van het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

Slotconclusie

2.10. In hetgeen Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door hen bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hun beroep is ongegrond.

2.11. De beroepen van [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] zijn gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 onderscheidenlijk artikel 3:2 van de Awb , gezien de samenhang tussen de plandelen, in het geheel te worden vernietigd.

Proceskosten

2.12. De raad dient ten aanzien van [appellanten sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3], voor zover ingesteld mede voor de niet nader bij naam genoemde familieleden van [appellant sub 3], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen gegrond, en het beroep van Heegermeer Opleidingen B.V. en [appellant sub 3], voor zover ontvankelijk, ongegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Wymbritseradiel, thans gemeente Súdwest Fryslân van 30 november 2010, waarbij de raad van de gemeente Wymbritseradiel, thans gemeente Súdwest Fryslân het bestemmingsplan "12 Recreatiewoningen Gouden Boaijum te Heeg" heeft vastgesteld;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Wymbritseradiel, thans gemeente Súdwest Fryslân tot vergoeding van de bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Wymbritseradiel, thans gemeente Súdwest Fryslân aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2012

375-685.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature