Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Eiser reed in Utrecht in zijn auto achter gedaagde die eveneens een auto bestuurde. Tussen beide auto's heeft een aanrijding plaatsgevonden, nadat eiser gedaagde links inhaalde. Volgens eiser heeft gedaagde onrechtmatig t.o.v. hem gehandeld door zonder tijdig richting aan te geven plotseling naar links af te slaan zonder eiser voorrang te geven. Vaststaat dat eiser bij het inhalen een ononderbroken streep heeft overschreden, harder reed dan ter plaatse maximaal toegestaan was en op de busbaan reed die uitsluitend bestemd was voor bussen uit te tegengestelde rijrichting. In reconventie vordert gedaagde een verklaring voor recht en een voorschot op schadevergoeding van eiser. De conventionele vorderingen worden afgewezen, omdat o.m. niet is komen vast te staan dat gedaagde art. 18 lid 1 RVV heeft overtreden en evenmin dat hij plotseling en zonder noodzaak tot stilstand is gekomen. In reconventie wordt geoordeeld dat eiser onrechtmatig t.o.v. gedaagde heeft gehandeld. Het beroep op eigen schuld door eiser wordt gepasseerd. Partijen worden in de gelegenheid gesteld een akte te nemen m.b.t. verwijzing naar een schadestaatprocedure.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 775303 UC EXPL 11-15278 mh

vonnis van 29 februari 2012

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [eiser],

eiser in conventie,

verweerder partij in reconventie,

gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand N.V.,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [gedaagde],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. E.J. Wervelman.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 november 2011;

- de brief van [gedaagde] van 4 januari 2012 ten behoeve van de comparitie met twee producties;

- de comparitie van partijen van 26 januari 2012, waarvan aantekening is gehouden.

1.2. Hierna is uitspraak bepaald.

2. Feiten

2.1. Op 29 juni 2009 reed [gedaagde] als bestuurder van een Hyundai Lantra op de Van Egmondkade in Zuilen, Utrecht in de richting van de Marnixlaan. Achter hem reed in dezelfde richting [eiser] als bestuurder van een Volvo S60. Ter hoogte van de kruising met de Jan van der Doesstraat en de Hubert Duijfhuijsstraat vond een aanrijding tussen beide auto’s plaats.

2.2. Als gevolg van de aanrijding zijn beide voertuigen beschadigd. Blijkens het rapport van [bedrijf 2] van 13 juli 2009 bedraagt de schade aan [eiser]’ Volvo € 4.849,- (inclusief BTW).

De Hyundai van [gedaagde] is volgens het rapport van [bedrijf 2] total loss verklaard, omdat de reparatiekosten van € 4.250,- (inclusief BTW) de dagwaarde van € 1.700,- (inclusief BTW) overtreffen.

2.3. In haar schriftelijke verklaring van 4 november 2009 verklaart mevrouw [getuige 1] onder meer:

“De mnr ([gedaagde]; toevoeging kantonrechter) wilde de Jan v/d Doesstraat inrijden. De mnr reed rustig / stond stil doordat de brommer daar stond (hoek van Jan v/d doesstr & V Egmondkade) en werd geramd door de andere auto.”

2.4. In zijn ongedateerde schriftelijke verklaring verklaart van [getuige 2]:

“op het tijdstip v/d. aanrijding was ik met mijn collega een verhuislift aan t op zetten. Net toen ik wat uit de zijkant v/d. auto pakte, zag ik u ([gedaagde]; toevoeging kantonrechter) staan bij de kruising. inderdaad wachtend op de jonge brommer bestuurder kleur brommer rood. toen ik langs mijn vrachtauto liep in uw richting hoorde ik vanachter mij het versnellen van een auto die net extra gas gaf op het moment dat ie mij passeerd en rijdt deze auto vol in uw zijkant over de busbaan en tegen de rijrichting in. (…)

ik rijdt al twaalf jaar op de vrachtauto heb heel veel dome acties gezien van weggebruikers. maar dit sloeg echt nergens op!!”

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 4.932,30 (bestaande uit € 4.849,- aan voertuigschade en € 83,30 aan expertisekosten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2009 tot algehele voldoening en kosten.

3.2. Hij legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zonder tijdig richting aan te geven linksaf de Jan van der Doesstraat in te slaan. Op dat moment haalde [eiser] [gedaagde] in, omdat laatstgenoemde de indruk wekte te willen stoppen voor een brommer die uit de Jan van der Doesstraat kwam en geen voorrang had. Bij dit afslaan had [gedaagde] op grond van artikel 18 lid 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV) voorrang aan hem moeten geven, aldus [eiser].

Ter onderbouwing van zijn stelling dat de aanrijding plaatsvond tussen een inhalend en afslaand voertuig beroept [eiser] zich onder meer op het eerste deel van de schriftelijke verklaring van [getuige 2] (zie r.o. 2.4). De overige onderdelen van de verklaring van [getuige 2] zijn suggestief en alleen gebaseerd op niet te toetsen waardeoordelen, aldus nog steeds [eiser].

3.3. Tijdens de zitting heeft [eiser] toegelicht dat [gedaagde] al een tijdje aarzelend voor hem reed. Ook heeft hij toegelicht dat hij waarnam dat er bij de kruising met de Jan van der Doesstraat/Hubert Duijfhuijsstraat iets zou gebeuren; [eiser] ging ervan uit dat [gedaagde] wilde afslaan, maar het was niet duidelijk of hij naar links of rechts wilde. Op een gegeven moment ging [eiser] ervan uit dat [gedaagde] naar rechts wilde afslaan, zodat hij besloot hem links in te halen. Op dat moment, zo begrijpt de kantonrechter [eiser]’ stellingen, sloeg [gedaagde] naar links af. [eiser] erkent dat hij een fout heeft gemaakt, maar voert aan dat het ongeval niet had plaatsgevonden als [gedaagde] niet zonder op te letten links af was geslagen.

Als sprake is van eigen schuld, dient [gedaagde] volgens [eiser] in elk geval 50% van de schade te dragen.

3.4. [gedaagde] concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser] in zijn vorderingen althans tot het afwijzen ervan, met veroordeling van [eiser] in de kosten in conventie gevallen.

Volgens [gedaagde] valt hem geen enkel verwijt te maken. Hij voert daartoe aan dat hij tijdig richting aan heeft gegeven, waarna hij links voorsorteerde. Vanwege de brommer die met grote snelheid de kruising naderde, bracht hij zijn auto net over de ononderbroken middenstreep (de wegas) tot stilstand. Toen hij nog stilstond, werd hij plotseling door [eiser] aangereden, aldus [gedaagde], waarbij zijn auto aan de linker voorzijde werd geraakt. Ter onderbouwing van dit verweer beroept hij zich onder meer op de schriftelijke verklaringen van [getuige 1] (zie r.o. 2.3) en [getuige 2] (zie r.o. 2.4).

3.5. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] zo ongeveer alles fout gedaan wat hij fout had kunnen doen. Hij heeft voor het inhalen een doorgetrokken streep overschreden, hetgeen overtreding van het bepaalde in artikel 76 RVV oplevert. Verder heeft [eiser] op de busbaan – nota bene uitsluitend bedoeld voor bussen uit de tegenovergestelde rijrichting – gereden, waardoor hij ook het bepaalde in artikel 81 RVV heeft overtreden. Tijdens het inhalen reed [eiser] volgens zijn eigen opgave op het door beide partijen ondertekende schadeformulier 65 km/u waar maximaal 50 km/u is toegestaan.

Daar komt bij dat [eiser], in plaats van even te wachten, [gedaagde] links heeft ingehaald, terwijl hij op grond van artikel 11 lid 2 RVV rechts had moeten inhalen, omdat deze links voorgesorteerd stond en had aangegeven naar links te willen afslaan.

Het was verder ingevolge artikel 12 RVV niet toegestaan vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen.

Tot slot heeft [eiser] het bepaalde in artikel 19 RVV overtreden door zijn auto niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was.

Al met al heeft [eiser] door zo in te halen artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) overtreden, aldus [gedaagde].

Voor zover hem al enig verwijt te maken valt, valt dit volgens [gedaagde] in het niet bij het geheel aan verkeersovertredingen van [eiser]. Hij had geen rekening hoeven te houden met de roekeloze en niet te verwachten handelwijze van [eiser], aldus nog steeds [gedaagde].

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.7. [gedaagde] vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [eiser] ter zake van de aanrijding volledig, dan wel een door de rechter te bepalen percentage, aansprakelijk is voor vergoeding van de door hem geleden en nog te lijden schade, een en ander op te maken bij staat en te vereffen volgens de wet, alsmede [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeelt tot voldoening van een voorschot op de schadevergoeding van € 1.700,- (inclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2009 en de kosten van het geding.

3.8. [gedaagde] legt – met verwijzing naar hetgeen hij in conventie heeft gesteld – aan zijn vorderingen ten grondslag dat [eiser] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Als gevolg van deze onrechtmatige daad heeft hij schade geleden, welke schade door [eiser] vergoed moet worden.

In het bijzonder stelt [gedaagde] dat [eiser] op grond van artikel 5 WVW in samenhang met artikel 19 RVV gehouden was zijn snelheid aan te passen aan de concrete omstandigheden van het geval en in staat moet zijn zijn voertuig tijdig tot standstand te brengen. Deze door [eiser] overtreden norm strekt ter voorkoming van een specifiek gevaar, namelijk een aanrijding. Omdat deze aanrijding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is het handelen aan [eiser] toerekenbaar, aldus [gedaagde]. Het is aan [eiser] om te bewijzen dat de aanrijding ook zonder zijn gevaarzettend handelen had plaatsgevonden.

3.9. De schade waarvan [gedaagde] vergoeding vordert, bestaat uit materiële schade aan zijn auto van € 1.700,- en uit “letselschade” zoals deze schadepost ter zitting werd genoemd. Ter onderbouwing van deze laatste schadepost voert [gedaagde] aan dat hij als gevolg van de aanrijding lichamelijk letsel heeft opgelopen, bestaande uit nekklachten. Voor deze klachten is hij onder fysiotherapeutische behandeling, hetgeen blijkt uit de schriftelijke verklaring van 12 september (de rest van de datum is weggevallen) van [therapeut] (verbonden aan Fysiotherapie Gezondheidscentrum Zuilen) die schrijft:

“Dhr [gedaagde] (…) is vanaf 7 juli 2009 onder fysiotherapeutische behandeling voor nekklachten. Momenteel met lage frekwentie nog onder behandeling.”

Tijdens de zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat hij ook inkomensschade heeft geleden, omdat hij als gevolg van de aanrijding een tijd niet heeft kunnen werken.

3.10. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Hij voert daartoe – naast hetgeen hij in conventie heeft gesteld – onder meer aan dat de verklaring van [getuige 1] niet geloofwaardig is, omdat uit niets blijkt waar zij stond toen zij het ongeval heeft waargenomen. Verder stelt [eiser] zich op het standpunt dat van overtreding van artikel 12 RVV geen sprake is, omdat de kruising geen voetgangersoversteekplaats is. Evenmin is sprake van overtreding van het bepaalde in artikel 11 RVV , omdat [gedaagde] niet links voorgesorteerd stond; daarvoor is de weg te smal, aldus [eiser].

Tot slot stelt [eiser] zich op het standpunt dat artikel 19 RVV en artikel 5 WVW geen schuldvermoeden opleveren.

3.11. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Vanwege hun verwevenheid lenen de vorderingen in conventie en reconventie zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2. [eiser] verwijt [gedaagde], kort gezegd, dat deze zonder tijdig richting aan te geven plotseling naar links afsloeg zonder hem voorrang te geven. Zodoende heeft hij het bepaalde in artikel 18 lid 1 RVV overtreden, aldus [eiser].

Artikel 18 lid 1 RVV bepaalt: “Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan.”

4.3. Niet in geschil is dat de aanrijding tussen de voertuigen van [eiser] en [gedaagde] plaatsvond op het moment dat [eiser] inhaalde. Partijen twisten over de vraag of [gedaagde] tijdig richting heeft aangegeven en of hij stilstond of reed op het moment van de aanrijding. Vaststaat wel dat [eiser] tijdens het inhalen harder reed dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid, een ononderbroken streep heeft overschreden en op de busbaan reed die uitsluitend bedoeld is voor bussen uit tegengestelde richting.

4.4. De kantonrechter oordeelt als volgt. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat hij wilde afslaan, maar dacht dat de van links komende bromfietser voorlangs wilde gaan, zodat hij gedwongen was stil te staan. Deze verklaring is in overeenstemming met hetgeen zowel [gedaagde] als [getuige 2] heeft verklaard. Beiden hebben verklaard dat [gedaagde] stilstond toen de aanrijding plaatsvond. Weliswaar heeft [eiser] de verklaring van [getuige 2] (die door hem zelf in het geding is gebracht) betwist, maar deze betwisting wordt als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. Hetzelfde geldt voor [eiser]’ betwisting van de verklaring van [getuige 1].

[getuige 2] heeft verder verklaard dat [gedaagde] stilstond en wachtte op een naderende brommer. Gelet hierop had het op de weg van [eiser] gelegen zijn stelling nader te onderbouwen dat [gedaagde] reed en dus aan het afslaan was. Dit heeft hij nagelaten. In dit licht overweegt de kantonrechter dat de verklaring van [getuige 1] daarvoor ontoereikend is, omdat uit deze verklaring evenmin onomwonden blijkt dat [gedaagde] reed op het moment van de aanrijding.

Gelet op het voorgaande neemt de kantonrechter als juist aan dat [gedaagde] net over de ononderbroken middenstreep stilstond toen zijn auto werd aangereden. Dit leidt ertoe dat rechtens niet vaststaat dat [gedaagde] het bepaalde in artikel 18 lid 1 RVV heeft overtreden, omdat hij niet afsloeg maar stilstond. Daarom kan niet gezegd worden dat [gedaagde] in zoverre onrechtmatig ten opzichte van [eiser] heeft gehandeld.

4.5. Voor zover [eiser] bedoelt te zeggen dat [gedaagde] plotseling en zonder noodzaak tot stilstand is gekomen, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Uit de verklaringen van [gedaagde], [getuige 2] en [getuige 1] blijkt namelijk dat eerstgenoemde wachtte op een (snel) naderende bromfietser.

Hoewel deze bromfietser geen voorrang had op [gedaagde], heeft [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter zorgvuldig gehandeld door te wachten. Het is namelijk een ervaringsfeit dat (brom)fietsers in de stad in het algemeen weinig waarde hechten aan voorrangsregels en voorrang plegen te nemen in situaties waarin zij dat niet hebben.

Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat [eiser] ter gelegenheid van de comparitie heeft toegelicht dat [gedaagde] aarzelend reed. Hierom – en mede gelet op het feit dat uit zijn toelichting blijkt dat ook [eiser] de bromfietser heeft gezien – had hij erop bedacht moeten zijn dat [gedaagde] mogelijk zou stoppen voor de bromfietser. Van plotseling en zonder noodzaak tot stilstand komen, is dan ook geen sprake. Omdat het [eiser] niet was toegestaan [gedaagde] links in te halen en de Van Egmondkade volgens [eiser] te smal is om rechts in te halen, had hij beter moeten anticiperen door afstand te houden, zodat hij in staat was zijn auto tijdig tot stilstand te brengen.

4.6. Resteert het verwijt van [eiser] dat [gedaagde] niet tijdig richting heeft aangegeven. Voor zover hij hiermee bedoelt te zeggen dat [gedaagde] in het geheel geen richting heeft aangegeven, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Tijdens de comparitie heeft [eiser] namelijk toegelicht dat [gedaagde] mogelijk wel richting heeft aangegeven, maar dat hij dit te laat deed.

4.7. Voor zover [eiser] betoogt dat [gedaagde] te laat richting heeft aangegeven en daarmee het bepaalde in artikel 17 lid 2 RVV heeft overtreden althans gevaarzettend heeft gehandeld, gaat de kantonrechter daar eveneens aan voorbij. Nog daargelaten dat [gedaagde] betwist dat hij te laat richting heeft aangegeven, is de kantonrechter van oordeel dat de stellingen van [eiser] innerlijk tegenstrijdig zijn. Tijdens de comparitie heeft hij toegelicht dat hij wist dat [gedaagde] zou afslaan, maar niet welke kant op (zie r.o. 3.3). [eiser] heeft evenwel ook erkend dat de bromfietser links vanuit de Jan van der Doesstraat kwam en dat hij zag dat deze “bijdehand” reed door volledig links op de weg te rijden om zo [gedaagde] de gelegenheid te geven voorlangs te kruisen en de Jan van der Doesstraat in te rijden. Gelet hierop en gelet op het feit dat [eiser] ervan uitging dat [gedaagde] zou afslaan (zie r.o. 3.3), moet worden aangenomen dat [eiser] ook wist dat [gedaagde] naar links zou afslaan.

Bovendien blijkt uit de door [eiser] in het geding gebrachte foto’s dat aan het begin van de Hubert Duijfhuijsstraat een rood bord met een witte balk (verkeersbord C2) is geplaatst dat, kort gezegd, betekent dat het verboden is de straat vanuit die richting in te rijden. Weliswaar heeft [eiser] tijdens de comparitie toegelicht dat hij dit bord niet gezien heeft, maar deze toelichting acht de kantonrechter ongeloofwaardig, omdat [eiser] volgens eigen zeggen zeer goed bekend is in Zuilen en wel de bromfietser heeft gezien die vanuit de tegenoverliggende straat (de Jan van der Doesstraat) naderde. Dit betekent dat [eiser] wist, althans had moeten weten, dat [gedaagde] redelijkerwijs alleen naar links af had kunnen slaan.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dan ook niet in te zien in welk opzicht [gedaagde] te laat richting heeft aangegeven althans gevaarzettend en dus onrechtmatig heeft gehandeld.

4.8. Zelfs als aangenomen zou worden dat [gedaagde] niet tijdig heeft aangegeven naar welke richting hij wilde afslaan, dan nog kan niet gezegd worden dat zijn handelen heeft bijgedragen tot de aanrijding en daarmee tot de schade. Immers, [eiser] betrekt het standpunt dat hij wist dat [gedaagde] zou afslaan, maar niet welke kant op. Anders gezegd: hij wist dat [gedaagde] van richting zou veranderen. Gelet op het feit dat ter plaatse links inhalen verboden en rechts inhalen onmogelijk was, resteerde voor [eiser] slechts één mogelijkheid: afstand houden, zodat hij zijn auto tijdig tot stilstand had kunnen brengen. Zo bezien is niet van belang of [gedaagde] tijdig heeft aangegeven of hij naar links of naar rechts wilde.

4.9. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] niet onrechtmatig ten opzichte van [eiser] heeft gehandeld, zodat hij niet gehouden is diens schade te vergoeden. Aan beoordeling van het verweer van [gedaagde] dat de schade het gevolg is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van [eiser], wordt niet toegekomen. [eiser]’ vorderingen in conventie zullen dan ook worden afgewezen.

4.10. Met betrekking tot de vordering in reconventie oordeelt de kantonrechter als volgt. Vaststaat dat [eiser] tijdens het inhalen harder reed dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid, een ononderbroken streep heeft overschreden en op de busbaan reed die uitsluitend bedoeld is voor bussen uit tegengestelde richting (zie r.o. 4.3). Daar komt bij dat [eiser] beter had moeten anticiperen door afstand te houden, zodat hij in staat was zijn auto tijdig tot stilstand te brengen (zie r.o. 4.5). Door zo te handelen heeft hij onrechtmatig ten opzichte van [gedaagde] gehandeld. Ingevolge artikel 6:162 BW is [eiser] aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade.

4.11. Voor zover hij een beroep doet op eigen schuld van [gedaagde], gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Immers is niet komen vast te staan dat [gedaagde] zijn auto plotseling en zonder noodzaak tot stilstand heeft gebracht (zie r.o. 4.5) en evenmin dat hij niet of niet tijdig richting heeft aangegeven (zie r.o. 4.7). Van enige aan [gedaagde] toerekenbare omstandigheid die heeft bijgedragen tot de schade, is dan ook geen sprake. Verder is niet vast komen te staan dat het handelen van [gedaagde] – aannemende dat hij niet tijdig heeft aangegeven naar links te willen afslaan – heeft bijgedragen aan de schade, zodat ook hierom een beroep op eigen schuld faalt.

4.12. [gedaagde] stelt schade geleden te hebben als gevolg van lichamelijk letsel en vordert in dit verband verwijzing naar een schadestaatprocedure. Ter gelegenheid van de comparitie heeft hij toegelicht dat dit letsel ertoe geleid heeft dat hij niet of minder heeft kunnen werken. Kennelijk stelt [gedaagde] zich op het standpunt inkomensschade te hebben geleden. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de door hem gestelde schade heeft geleden. Alvorens te oordelen over verwijzing naar een schadestaatprocedure, zal [gedaagde] in de gelegenheid gesteld worden bij akte feiten en omstandigheden te stellen die het aannemelijk maken dat hij voornoemde schade heeft geleden, waarbij hij zich tevens dient uit te laten over de vraag of deze schade in deze procedure kan worden begroot. Vervolgens zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld bij akte te reageren.

4.13. [gedaagde] vordert voorts een voorschot op de te betalen schadevergoeding, bestaande uit de schade aan zijn auto. Niet in geschil is dat deze schade € 1.700,- bedraagt, zodat de omvang van deze schade vaststaat. Deze schade zal door [eiser] moeten worden vergoed. De kantonrechter zal zijn beslissing hierover evenwel aanhouden, totdat geoordeeld is over eventuele verwijzing naar een schadestaatprocedure.

Als het tot verwijzing komt, zal het bedrag van € 1.700,- bij wijze van voorschot worden toegewezen. Komt het niet tot een zodanige verwijzing, dan zal het bedrag van € 1.700,- in deze procedure worden toegewezen, al dan niet als onderdeel van [gedaagde]s totale schade.

4.14. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie en in reconventie

5.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 14 maart 2012 te 9.30 uur, waar [gedaagde] zich bij akte dient uit te laten over hetgeen is vermeld onder r.o. 4.12,

5.2. [eiser] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om daarop bij akte te reageren,

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 29 februari 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature