Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Beëindiging ZW-uitkering. Er is geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten, dan wel de uitkomst daarvan voor onjuist te houden.

Uitspraak



10/6096 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2010, 09/3730 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.D. Koren hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.W.C. Bonnet, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als administratief medewerker toen hij op 6 augustus 2003 voor dit werk is uitgevallen wegens vermoeidheid en polyneuropathische klachten. Na ommekomst van de wachttijd die destijds 52 weken bedroeg heeft het Uwv hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering is na een medische en arbeidskundige herbeoordeling, laatstelijk per 30 augustus 2006 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Appellant ontving daarnaast een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze situatie heeft appellant zich per 5 januari 2009 ziek gemeld met diverse klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant twee maal het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts E. Pieterse. Deze arts is na het laatste spreekuur van 12 mei 2009 tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 18 mei 2009 geschikt kon worden geacht voor de bij de eerdere WAO-beoordeling geduide functies. Bij besluit van 12 mei 2009 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van

18 mei 2009 geen recht meer had op ziekengeld.

1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts A. van den Broeke-Spieker, heeft het Uwv bij besluit van 3 juli 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 mei 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep voert appellant aan dat zijn klachten van vermoeidheid, hoofdpijn en concentratiestoornissen een gevolg zijn van apnoe. De in de brief van 26 augustus 2009 door de KNO-arts voorgestelde behandeling op grond van de conclusie dat bij appellant sprake is van een licht OSAS is, zoals blijkt uit de verklaring van de longarts van 8 november 2010, niet afdoende geweest. Appellant heeft ten tijde van de datum in geding een zwaardere vorm van therapie nodig gehad. Met de diagnose apnoe is door de bezwaarverzekeringsarts dan ook onvoldoende rekening gehouden. Ter onderbouwing heeft appellant een brief van de KNO-arts dr. M.L. Tan van 27 januari 2012 overgelegd. Ten slotte betoogt appellant dat de (bezwaar)verzekeringarts zich niet heeft gehouden aan het Rapportageprotocol verzekeringsgeneeskunde van het (toenmalige) Landelijk instituut sociale verzekeringen van maart 1999.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO.

4.4. De Raad ziet geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten, dan wel de uitkomst daarvan voor onjuist te houden. Daarbij acht de Raad van belang dat de bezwaarverzekeringsarts Van den Broeke-Spieker het dossier heeft bestudeerd en appellant op het spreekuur van 2 juli 2009 psychisch heeft onderzocht. Daarbij had zij de beschikking over de al in het dossier aanwezige en de door de verzekeringsarts opgevraagde informatie van de huisarts van appellant. In het rapport van 2 juli 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat uit deze informatie blijkt dat bij appellant sprake is van een niet agressieve polyneuropathie en bloeduitslagen die passen bij de ziekte van Lyme. De uit deze aandoeningen voortvloeiende beperkingen waren volgens de bezwaarverzekeringsarts al bij de eerdere WAO-beoordeling bekend. Zoals voorts blijkt uit bovengenoemd rapport was de bezwaarverzekeringsarts ook bekend met het gegeven dat bij appellant sprake is van een licht OSAS. De in beroep overgelegde informatie van de KNO-arts van 26 augustus 2009 levert dan ook geen nieuwe nog niet eerder bij de bezwaarverzekeringsarts bekende gegevens op. De in hoger beroep overgelegde medische informatie van de longarts en de huisarts is door de bezwaarverzekeringsarts W. Langerak beoordeeld. Zij is in haar rapport van 22 februari 2011 tot de conclusie gekomen dat het gegeven dat de behandeling van de OSAS van appellant is aangepast niets afdoet aan het feit dat uit alle voorhanden medische informatie blijkt dat bij appellant sprake is van een licht OSAS. Hiermee is volgens de bezwaarverzekeringsarts al door de verzekeringsarts Pieterse in voldoende mate rekening gehouden bij de beoordeling van de geschiktheid voor één van de in 2006 geduide functies. De brief van KNO-arts Tan van 27 januari 2012 doet aan het vorenstaande niet af, nu ook deze informatie in essentie niet afwijkt van de al eerder bij de bezwaarverzekeringsarts bekende medische gegevens. Ook volgt de Raad appellant niet in zijn standpunt dat de bezwaarverzekeringsarts niet conform het onder 3 genoemde protocol heeft gehandeld, waarbij appellant met name betoogt dat de bezwaarverzekeringsarts niet expliciet heeft vermeld waarom geen informatie is opgevraagd bij zijn behandelend KNO-arts. De Raad stelt vast dat bezwaarverzekeringsarts Van den Broeke-Spieker in het rapport van 2 juli 2009 te kennen heeft gegeven dat geen informatie is ingewonnen bij derden omdat er voldoende gegevens werden verkregen uit het dossier en het eigen onderzoek om tot een weloverwogen oordeel te kunnen komen. De Raad ziet, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, geen aanleiding deze motivering voor onvoldoende te houden. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv dan ook op goede gronden het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 18 mei 2009 heeft beëindigd.

4.5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

De griffier is buiten staat te ondertekenen

KR


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature