Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De Wtcg, in werking getreden op 1 januari 2009, heeft tot doel chronisch zieken en gehandicapten die worden geconfronteerd met meerkosten door problemen die zij met hun gezondheid ervaren, tegemoet te komen voor deze kosten, nadat de fiscale aftrek daarvan is beëindigd. De rechtbank stelt vast dat eiseres behoort tot de doelgroep van de Wtcg, dat zij in het jaar 2009 ook de meerkosten heeft gemaakt waarvoor de regeling bedoeld is geweest en dat het van meet af aan de bedoeling is geweest dat de in geschil zijnde tegemoetkoming ook bij gehandicapten en chronisch zieken als eiseres terecht zou komen, ware het niet dat de wetgever zich geplaatst zag voor technische uitvoeringsproblemen daarbij. Voor het jaar 2010 is het probleem voor de groep waartoe eiseres behoort, degenen voor wie de AWBZ-indicatie wordt afgegeven door Bureau Jeugdzorg, opgelost door het CIZ de door Bureau Jeugdzorg afgegeven indicatie te laten toetsen. De rechtbank ziet niet in waarom dit voor het jaar 2009 voor eiseres in het kader van de heroverweging in bezwaar niet ook op die wijze had kunnen verlopen. Uit de overgangsrechtelijke bepalingen is niet is af te leiden dat die gewijzigde regelgeving niet in ogenschouw moet worden genomen bij de heroverweging in bezwaar nu in die artikelen enkel is opgenomen dan dit besluit (het gewijzigde Btcg) dan wel de regeling (de gewijzigde Rtcg) in werking treedt met ingang van de datum van 1 januari 2010. In die bepalingen is niet opgenomen dat de werking zich beperkt tot aanvragen die zien op het jaar 2010 (en later). Verweerder heeft bij de beslissing op bezwaar niet heeft kunnen volstaan met het toepassen van de regelgeving voor het jaar 2009, waarvan voldoende is gebleken dat dit tot een onrechtvaardige en ook niet door de wetgever bedoelde uitkomst leidde.

Uitspraak



RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 1015

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

het CAK, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) voor de dochter van eiseres, [naam dochter], geweigerd.

Bij besluit van 28 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B. Imhoff, mr. K. Mahabali en mr. S.W.M. Boelee.

Overwegingen

1. Eiseres heeft (onder meer) een aanvraag ingediend om ten behoeve van haar minderjarige dochter Britt in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming op grond van de Wtcg. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen en die afwijzing na bezwaar gehandhaafd op de grond dat (de dochter van) eiseres niet aan de voorwaarden voldoet.

2. Eiseres voert in beroep aan dat het primaire besluit tot stand is gekomen in strijd met de motiveringsplicht en met het zorgvuldigheidsbeginsel en dat daarom reeds het bezwaar gegrond had moeten worden verklaard. Eiseres betoogt verder dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de informatieplicht van artikel 4 van de Wtcg en zelfs het bestreden besluit heeft genomen zonder eerst de gevraagde informatie aan eiseres toe te zenden en haar de gelegenheid te bieden aanvullende gronden van bezwaar in te dienen. Bovendien had verweerder eiseres voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit moeten horen. Bij het nemen van het bestreden besluit heeft verweerder de beslistermijn overschreden.

Eiseres betoogt dat haar dochter voldoet aan de eisen van artikel 2 van de Wtcg . Voor zover verweerder heeft gesteld dat enkel het CIZ bevoegd is indicaties af te geven en verweerder op die grond een indicatie van het CIZ eist, heeft eiseres betoogd dat uit artikel 9b, vierde lid, van de AWBZ in samenhang met artikel 5, tweede lid, sub b van de Wet op de Jeugdzorg blijkt dat ook Bureau Jeugdzorg de AWBZ-indicatie vaststelt. Verder wijst eiseres erop dat voor het jaar 2010 ook indicaties door Bureau Jeugdzorg in het kader van de Wtcg worden gehonoreerd en dat vanwege tijdgebrek voor het jaar 2009 een grote groep chronisch zieken en gehandicapten zijn uitgesloten, te weten de verzekerde minderjarigen. Eiseres acht deze uitsluiting in strijd met het gelijkheidsbeginsel en heeft betoogd dat minderjarige chronisch zieken en gehandicapten dezelfde dan wel meer rechten dienen te hebben dan meerderjarige chronisch zieken en gehandicapten. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat er sprake is van ongeoorloofde discriminatie van kinderen met een chronische ziekte of handicap, hetgeen in strijd is met artikel 1 van de Grondwet , artikel 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 1 en 2 van de Universele verklaring van de rechten van de mens en artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, terwijl verweerder op deze al in bezwaar aangevoerde grond in het bestreden besluit niet is ingegaan.

Eiseres doet voorts een beroep op de voorlichting die van de zijde van verweerder voor de tegemoetkoming over het jaar 2009 is gegeven en waarin is verwoord dat de vereiste AWBZ-indicatie wordt uitgevoerd door het CIZ of Bureau Jeugdzorg.

3. De Wtcg, in werking getreden op 1 januari 2009, heeft tot doel chronisch zieken en gehandicapten die worden geconfronteerd met meerkosten door problemen die zij met hun gezondheid ervaren, tegemoet te komen voor deze kosten, nadat de fiscale aftrek daarvan is beëindigd. Bij deze meerkosten gaat het niet om kosten van zorg waarvoor zij op grond van de AWBZ of de Zorgverzekeringswet (Zvw) zijn verzekerd. Meerkosten zijn kosten die samenhangen met de gezondheidsproblemen waarmee deze mensen kampen, zoals hogere stookkosten, vervoerskosten voor geneeskundige hulp en extra kosten voor kleding of beddengoed.

4. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wtcg heeft iemand jaarlijks recht op een tegemoetkoming, indien hij behoort tot een groep van personen voor wie ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ is vastgesteld dat zij aanspraak hebben op zorg. In het derde lid van dat artikel is bepaald dat de criteria, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met c, indien dit met het oog op een betere werking van deze wet op korte termijn noodzakelijk wordt geacht, bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden aangevuld. Het Besluit chronisch zieken en gehandicapten (Btcg) is ingaande 18 augustus 2010 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 aangevuld in die zin dat in artikel 2 van het Btcg aanvan kelijk als zesde lid, later als zevende lid, is toegevoegd dat ook een indicatie die is afgegeven ingevolge artikel 9b, vierde lid, van de AWBZ aanspraak op een tegemoetkoming geeft.

5. De dochter van eiseres is geïndiceerd voor AWBZ-zorg, niet ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ door het CIZ, maar ingevolge artikel 9b, vierde lid, van de AWBZ door Bureau Jeugdzorg. Verweerder heeft ten tijde van het primaire besluit en het besluit op bezwaar toepassing gegeven aan de Wtcg en het Btcg zoals die luidden voorafgaand aan

1 januari 2010, terwijl ten tijde van de totstandkoming van de regelgeving en van de besluitvorming al duidelijk was en onderkend werd dat bij de inwerkingtreding van de Wtcg ten onrechte degenen met een indicatie die niet door het CIZ maar door Bureau Jeugdzorg is afgegeven, werden uitgesloten van een regeling die in beginsel mede voor deze groep bedoeld is geweest. Daar komt bij dat ook in de voorlichting voor het jaar 2009 was verwoord dat AWBZ-indicaties, zowel afgegeven door CIZ als door Bureau Jeugdzorg, aanspraak gaf op de tegemoetkoming, zodat eiseres ook bij de aanvraag in de veronderstelling verkeerde dat zij in aanmerking kwam voor de tegemoetkoming.

6. De rechtbank stelt vast dat eiseres behoort tot de doelgroep van de Wtcg, dat zij in het jaar 2009 ook de meerkosten heeft gemaakt waarvoor de regeling bedoeld is geweest en dat het van meet af aan de bedoeling is geweest dat de in geschil zijnde tegemoetkoming ook bij gehandicapten en chronisch zieken als eiseres terecht zou komen, ware het niet dat de wetgever zich geplaatst zag voor technische uitvoeringsproblemen daarbij. Voor het jaar 2010 is het probleem voor de groep waartoe eiseres behoort, degenen voor wie de AWBZ-indicatie wordt afgegeven door Bureau Jeugdzorg, opgelost door het CIZ de door Bureau Jeugdzorg afgegeven indicatie te laten toetsen. De rechtbank ziet niet in waarom dit voor het jaar 2009 voor eiseres in het kader van de heroverweging in bezwaar niet ook op die wijze had kunnen verlopen.

7. Uitgangspunt bij de toepassing van artikel 7:11 van de Awb is dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Ten tijde van onderhavige beslissing op bezwaar gold de Wtcg en het Btcg zoals in werking getreden per 1 januari 2010.

8. De rechtbank is van oordeel dat uit de overgangsrechtelijke bepalingen die ziijn opgenomen in artikel III van de Wijziging BTCG van 4 augustus 2010 (Stb. 2010, 319) en artikel IV van de Wijziging Rtcg van 14 juli 2011 (Stcrt. 22 juli 2011, 13469) niet is af te leiden dat die gewijzigde regelgeving niet in ogenschouw moet worden genomen bij de heroverweging in bezwaar nu in die artikelen enkel is opgenomen dan dit besluit (het gewijzigde Btcg) dan wel de regeling (de gewijzigde Rtcg) in werking treedt met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad onderscheidenlijk de Staatscourant waarin het/zij gepubliceerd wordt en terugwerkt tot en met 1 januari 2010. In die bepalingen is niet opgenomen dat de werking zich beperkt tot aanvragen die zien op het jaar 2010 (en later).

9. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder bij de beslissing op bezwaar die thans hier ter toetsing voorligt, niet heeft kunnen volstaan met het toepassen van de regelgeving voor het jaar 2009, waarvan voldoende is gebleken dat dit tot een onrechtvaardige en ook niet door de wetgever bedoelde uitkomst leidde. Het beroep van eiseres slaagt dan ook reeds op deze grond zodat de rechtbank aan de andere gronden niet meer toekomt. Het beroep van eiseres is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. In het kader van finale geschillenbeslechting zal de rechtbank bepalen dat alsnog aan eiseres een tegemoetkoming naar de voor geldende norm wordt toegekend en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat aan eiseres over het jaar 2009 een tegemoetkoming op grond van de Wtcg wordt toegekend en uitbetaald naar de voor haar gelden de hoogte;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 874,00 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,00 volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2012.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier w.g. mr. A.W.P. Letschert,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 15 maart 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature