Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Intrekking bijstand en terugvordering. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak terecht geoordeeld dat het intrekkingsbesluit in rechte is komen vast te staan. Bevestiging van de tussen uispraak. Vaststaat dat het college bij bestreden besluit I ten onrechte tevens het intrekkingsbesluit in de heroverweging heeft betrokken. Vernietiging bestreden besluit I. De rechtbank heeft dit niet ten volle onderkend. Aan bestreden besluit II, voor zover dat ziet op de intrekking, kleeft hetzelfde gebrek als aan bestreden besluit I. Vernietiging bestreden besluit II voor zover dat ziet op de intrekking. Vernietiging aangevallen einduitspraak, met uitzondering van de bepalingen over proceskosten en griffierecht. Niet valt in te zien dat het college in dit geval geen toepassing zou mogen geven aan het beleid dat erop neerkomt dat in alle gevallen wordt teruggevorderd, tenzij er sprake is van dringende redenen om daarvan af te zien. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd over de achtergrond en de gevolgen van de terugvordering liggen geen dringende redenen besloten, op grond waarvan het college had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand.

Uitspraak



11/1867 WWB

11/1868 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 juni 2010, 09/8221 (aangevallen tussenuitspraak) en

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 februari 2011, 09/8221 (aangevallen einduitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)

Datum uitspraak: 19 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. Tap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de behandeling van het hoger beroep van appellante met de zaak 09/6935 WWB, plaatsgevonden ter zitting van 6 februari 2012. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Kant. Na de sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In beide zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 5 september 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Het Regionaal Coördinatiepunt Fraudebestrijding Noord-Holland heeft in maart 2006 een onderzoek ingesteld naar kraamhouders op de Beverwijkse Bazaar. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat appellanten vanaf 26 april 1999 op de Beverwijkse Bazaar één of meerdere kramen dan wel grondplaatsen hebben gehuurd en/of werkzaamheden hebben verricht in de vorm van het verkopen van goederen, terwijl zij daarover geen informatie hadden verstrekt aan de afdeling Werk en Bijstand van de gemeente Alphen aan den Rijn. Naar aanleiding hiervan heeft de Sociale Recherche Zuid-Holland Noord een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand.

1.3. In de bevindingen van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 4 maart 2008, heeft het college aanleiding gezien de bijstand van appellanten te herzien (lees: in te trekken) over de periodes van 1 april 1999 tot en met 30 april 2000 en van 1 oktober 2002 tot en met 30 september 2006 (intrekkingsbesluit). Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen of onjuiste inlichtingen te verstrekken over hun inkomsten uit arbeid en/of werkzaamheden op de Beverwijkse Bazaar en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 3 augustus 2009 heeft het college de over de periodes van 1 april 1999 tot en met 30 april 2000 en 1 oktober 2002 tot en met 30 september 2006 gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 81.188,15 (terugvorderingsbesluit).

1.5. Appellanten hebben een bezwaarschrift ingediend, gedateerd 21 augustus 2008 en ingekomen bij het college op 25 augustus 2008, waarvan de eerste volzin luidt: “Hierbij maken wij bezwaar tegen de brief over de terugvordering van de uitkering.”

1.6. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft het college bij besluit van 6 oktober 2009 (bestreden besluit I) zowel het intrekkingsbesluit als het terugvorderingsbesluit heroverwogen. Deze heroverweging heeft ertoe geleid dat, voor zover van belang, beide besluiten zijn gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het intrekkingsbesluit in rechte vaststaat, omdat appellanten tegen dat besluit niet of te laat bezwaar hebben gemaakt en dat daarom is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van ten onrechte verleende bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB . Voorts heeft de rechtbank in de aangevallen tussenuitspraak geconstateerd dat het college in bestreden besluit I niet is ingegaan op de door appellanten geschetste extreme financiële situatie en evenmin op de vraag of deze situatie een dringende reden oplevert om van terugvordering af te zien. De rechtbank heeft geoordeeld dat bestreden besluit I in zoverre niet op zorgvuldige wijze is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd en dat dit besluit dan ook wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen door een nieuw besluit te nemen, waarbij het college kenbaar maakt welk beleid hij voert met betrekking tot zijn terugvorderingsbevoegdheid en toetst of de door appellanten aangevoerde financiële situatie dringende redenen oplevert om van terugvordering af te zien.

2.1. Bij besluit van 30 juni 2010 (bestreden besluit II) heeft het college van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt. Daarbij is wederom zowel het intrekkingsbesluit als het terugvorderingsbesluit heroverwogen en heeft die heroverweging er wederom toe geleid dat, voor zover van belang, beide besluiten zijn gehandhaafd. Met betrekking tot de wijze waarop van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt is, samengevat, het volgende overwogen. Volgens het in een richtlijn neergelegde terugvorderingsbeleid kan geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien indien dringende redenen daartoe aanleiding geven. De slechte financiële situatie van appellanten geeft geen aanleiding om af te zien van terugvordering. Niet is gebleken van specifieke individuele omstandigheden die aanleiding vormen om van het terugvorderingsbeleid af te wijken.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen bestreden besluit I gegrond verklaard en het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond.

4. Appellanten hebben zich in hoger beroep gekeerd tegen deze uitspraak en tegen de aangevallen tussenuitspraak, voor zover daarbij is geoordeeld dat het intrekkingsbesluit in rechte vaststaat, omdat tegen dat besluit niet of te laat bezwaar is gemaakt. Tegen de aangevallen tussenuitspraak hebben appellanten, samengevat, het volgende aangevoerd. Het is niet duidelijk wanneer het intrekkingsbesluit is verzonden. Nu de verzenddatum van dat besluit niet vaststaat, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de termijn voor het maken van bezwaar is overschreden. In dit geval is sprake van geen, dan wel een verschoonbare termijnoverschrijding, zodat de rechtbank inhoudelijk had moeten ingaan op de bezwaren en gronden die betrekking hebben op het intrekkingsbesluit.

Tegen de aangevallen uitspraak hebben appellanten, samengevat, het volgende aangevoerd. Appellanten worden geconfronteerd met de zeer ernstige gevolgen van het niet naleven van een formele regel, te weten het bijhouden van een boekhouding. Appellanten beschouwden hun bezigheden op de Beverwijkse Bazaar als een hobby, waarmee zij nimmer geld hebben verdiend, en hebben om die reden geen boekhouding bijgehouden. Niet gebleken is dat appellanten daadwerkelijk inkomsten hebben ontvangen en evenmin dat appellanten opzettelijk verwijtbaar hebben gehandeld. De situatie van appellanten is dusdanig schrijnend in verhouding tot de eventueel verzuimde verplichtingen, dat afwijken van het standaardbeleid geboden is en dat van terugvordering moet worden afgezien. Niet duidelijk is wanneer de richtlijn, waarop het college zich beroept, van kracht is geworden. Bij gebrek aan wetenschap wordt betwist dat het terugvorderingsbeleid als zodanig kan worden aangewend.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen tussenuitspraak

5.1. Uit de onder 1.5 weergegeven eerste volzin van het bezwaarschrift van 21 augustus 2008 blijkt onmiskenbaar dat appellanten uitsluitend bezwaar hebben gemaakt tegen het terugvorderingsbesluit. De brief over terugvordering waartegen bezwaar wordt gemaakt betreft immers - alleen - het terugvorderingsbesluit. Appellanten hebben niet gesteld dat zij het intrekkingsbesluit niet hebben ontvangen, maar uitsluitend dat dit besluit - mogelijk - later dan 9 juli 2009 is verzonden.

5.2. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 volgt dat de rechtbank bij de aangevallen tussenuitspraak terecht heeft geoordeeld dat het intrekkingsbesluit in rechte is komen vast te staan. Dit betekent dat de beroepsgronden, die erop neerkomen dat de termijn voor het maken van bezwaar tegen het intrekkingsbesluit niet is overschreden, geen bespreking behoeven. De tussenuitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

De aangevallen einduitspraak

5.3. Vaststaat dat het college bij bestreden besluit I ten onrechte tevens het intrekkingsbesluit in de heroverweging heeft betrokken. Immers, zoals in 5.1 is overwogen, appellanten hebben met hun bezwaarschrift van 21 augustus 2008 uitsluitend bezwaar gemaakt tegen het terugvorderingsbesluit. Bestreden besluit I, voor zover dat ziet op de intrekking, is daarom genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb . Gelet op de aangevallen tussenuitspraak, voor zover betrekking hebbend op de terugvordering, staat voorts vast dat bestreden besluit I in zoverre is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb . Bestreden besluit I komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

5.4. De rechtbank heeft hetgeen is overwogen in 5.3 niet ten volle onderkend, nu is volstaan met gegrondverklaring van het beroep tegen dat besluit.

5.5. Aan bestreden besluit II, voor zover dat ziet op de intrekking, kleeft hetzelfde gebrek als aan bestreden besluit I. Dit betekent dat bestreden besluit II in zoverre eveneens is genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb en op die grond in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft dit evenmin onderkend.

5.6. Vaststaat dat het college bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot terugvordering het beleid hanteert zoals dat is omschreven in bestreden besluit II. Niet valt in te zien dat het college in dit geval geen toepassing zou mogen geven aan dat beleid dat erop neerkomt dat in alle gevallen wordt teruggevorderd, tenzij er sprake is van dringende redenen om daarvan af te zien.

5.7. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd over de achtergrond en de gevolgen van de terugvordering liggen geen dringende redenen besloten, op grond waarvan het college had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad - zie voor een recent voorbeeld de uitspraak van 5 juli 2011, LJN BR1253 - immers slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd zijn evenmin bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het College met - overeenkomstige - toepassing van artikel 4:84, eerste lid, laatste volzin, van de Abw van zijn beleid had moeten afwijken.

5.8. Bestreden besluit II kan, voor zover het ziet op de terugvordering, in stand blijven.

5.9. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.3 tot en met 5.5 dient de aangevallen einduitspraak te worden vernietigd, met uitzondering van de bepalingen over proceskosten en griffierecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II gegrond verklaren. Voorts zal bestreden besluit I in zijn geheel worden vernietigd en bestreden besluit II voor zover dat ziet op de intrekking.

6. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen tussenuitspraak voor zover aangevochten;

- vernietigt de aangevallen einduitspraak, met uitzondering van de bepalingen over proceskosten en griffierecht;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2009 gegrond en vernietigt dit besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juni 2010 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover dat ziet op de intrekking;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 437,--;

- bepaalt dat het college aan appellanten het door hen in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature