Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Donksbergen e.o." vastgesteld.

Uitspraak



201102610/1/R3.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

De cliëntenraden "Kempen-Oost" en "Kempen-West" (hierna: de cliëntenraden), gevestigd te Valkenswaard,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Eersel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Donksbergen e.o." vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de cliëntenraden bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De cliëntenraden hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2012, waar de cliëntenraden, vertegenwoordigd door J. Kerkhoff en A. Briels, en de raad, vertegenwoordigd door P. Kieboom, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Land 's-Heeren B.V., gevestigd te Veldhoven, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De raad en Land 's-Heeren B.V. betogen onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2007 in zaak nr. 200604913/1 dat de cliëntenraden niet-ontvankelijk zijn in hun beroep.

2.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3. Vast staat dat de cliëntenraden zijn ingesteld overeenkomstig artikel 2, eerste lid van de Wet medezeggenschap cli ënten zorginstellingen (hierna: WMCZ).

Zoals de Afdeling heeft overwogen in eerdervermelde uitspraak volgt uit deze bepaling dat de behartiging door de cliëntenraad van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten van de zorginstelling dient te worden geplaatst binnen het kader van de doelstellingen van de instelling. Ook uit de considerans van de WMCZ komt naar voren dat deze wet strekt ter bevordering van de medezeggenschap van de cliënten van uit de collectieve middelen gefinancierde instellingen op het terrein van de maatschappelijke zorg en gezondheidszorg en derhalve om aangelegenheden die spelen in de relatie tussen zorginstelling en cliënten. Hoewel artikel 6, eerste lid, van de WMCZ de zorgaanbieder de mogelijkheid biedt aan de cli ëntenraad verdergaande bevoegdheden dan de in deze wet genoemde toe te kennen, is ter zitting komen vast te staan dat van deze mogelijkheid geen gebruik is gemaakt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het voeren van procedures tegen planologische ontwikkelingen, zelfs al hebben deze betrekking op het terrein of de directe omgeving van het betrokken zorgcentrum, niet tot vorenbedoelde doelstellingen kan worden gerekend.

Voorts is niet gebleken dat de cliëntenraden niet alleen hebben beoogd om op te komen als algemene belangenbehartigers maar mede namens individuele bewoners. Het overleggen van een of meerdere machtigingen is, hoewel betrokkenen daartoe in het vooronderzoek in de gelegenheid zijn gesteld, achterwege gebleven.

2.4. De conclusie is dat de cliëntenraden geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, onderscheidenlijk derde lid, van de Awb zijn en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro , geen beroep kunnen instellen.

Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

45.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature