Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Loonbelasting

Belanghebbende is eigenaar van een pand dat gerenoveerd wordt met behulp van bouwvakkers waarvoor geen loonheffingen worden ingehouden en afgedragen. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat tussen belanghebbende en deze bouwvakkers een dienstbetrekking bestond. De naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen is terecht opgelegd. Vergrijpboete vanwege voorwaardelijk opzet passend en geboden.

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/4564

Uitspraakdatum: 12 januari 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch,

de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende, met dagtekening 21 augustus 2008, over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag loonbelasting en premie volkszekeringen opgelegd van € 145.900, alsmede bij gelijktijdige beschikkingen heffingsrente vastgesteld van € 17.785 en een vergrijpboete opgelegd van € 72.950.

1.2.De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van

21 september 2009 de naheffingsaanslag, de heffingsrente- en boetebeschikking gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 21 oktober 2009, ontvangen bij de rechtbank op 22 oktober 2009, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 297.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2010 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [de directeur], vergezeld van de gemachtigde [gemachtigde], belastingadviseur te Roosendaal, en namens de inspecteur, [gemachtigden]. Tegelijk met deze zaak is het beroep van [vennootschap A] BV, bij de rechtbank geregistreerd met procedurenummer 09/4565, behandeld.

1.7.Ter zitting is als getuige onder ede gehoord, [heer X], wonende te

’s-Hertogenbosch.

1.8.Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur.

1.9.De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten, de zaak aangehouden en de inspecteur in de gelegenheid gesteld nadere stukken te overleggen.

1.10.De rechtbank heeft van het getuigenverhoor en het verhandelde ter zitting een proces-verbaal opgemaakt en een afschrift daarvan aan partijen verstrekt.

1.11.De inspecteur heeft op 27 april 2010 nadere stukken ingediend waarop belanghebbende op 16 juni 2010 heeft gereageerd.

1.12.De rechtbank heeft op 18 februari 2011 nog een brief van de inspecteur ontvangen, waarvan een afschrift aan belanghebbende is verstrekt. Bij brief van 21 april 2011 is belanghebbende in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Belanghebbende heeft hier niet meer op gereageerd.

1.13.Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven.

1.14.Bij brief van 20 oktober 2011 heeft de rechtbank een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende is een groepsvennootschap van het zogenoemde [het concern] (hierna: het concern) en houdt zich hoofdzakelijk bezig met het verkrijgen, in stand houden en exploiteren van onroerend goed. De aandelen worden (middellijk) gehouden door [vennootschap B] BV ([vennootschap B]). [de directeur] (hierna: de directeur) voert de feitelijke leiding over het concern. [vennootschap A] BV ([vennootschap A]) is een andere vennootschap uit het concern.

2.2.[heer X] (hierna: [heer X]) heeft in december 2003 het pand [het pand] (hierna: het pand) gekocht en vervolgens het pand overgedragen aan belanghebbende.

2.3.[heer X] en de directeur (en/of [vennootschap B]) hebben op [datum] 2004 een mondelinge overeenkomst die zou dateren van [datum] 2003, schriftelijk vastgelegd, waarin onder meer de volgende passages zijn opgenomen:

“Om [heer X] in de gelegenheid te stellen zich te rehabiliteren m.b.t. de gedwongen verkoop van zijn O.R.G. portefeuille, en het gedeeltelijk herstellen van het daarbij verloren gegane vermogen, heeft [de directeur] op [datum] 2003 mondeling aangeboden met [heer X] in bovengenoemd project te delen in de winst op basis van onderstaande condities, welke heden zijn vastgelegd in deze overeenkomst.

[heer X] zal de bouw/verbouw-werkzaamheden van bovengenoemd pand begeleiden, directie voeren, waaronder zorgdragen voor produktie van ontwerpen, het verkrijgen van de benodigde vergunningen, het verzorgen van aanbestedingen, het geven van bouwopdrachten, en leveringen, het bepalen van verkoopprijzen etc.

Met als doel te komen tot woningen/appartementen t.b.v. verkoop, en het maken van winst.

Gedurende de hele bouwtijd, en tot 3 maanden na definitieve oplevering van genoemde project is uitsluitend [heer X] bevoegd betreffende woningen te verkopen na goedkeuring door [de directeur]. [de directeur] zal zorgdragen voor alle financiering m.b.t. aankoop en bouwen en verkopen van bovenstaand project voor zover zulks in zijn vermogen ligt.”

Bovendien is vastgelegd dat van de te behalen winst twee derde deel aan [heer X] toekwam en een derde deel aan de directeur.

2.4.Gedurende 2005 en 2006 hebben op uitgebreide schaal werkzaamheden aan het pand en aan andere aan het concern in eigendom toebehorende panden plaatsgevonden. Deze werkzaamheden zijn verricht door bouwvakkers die door [heer X] zijn aangezocht. Aan deze bouwvakkers zijn steeds, door [heer X], vergoedingen voor verrichte werkzaamheden betaald.

2.5.[heer X] heeft voor de nodige betalingen contante bedragen ontvangen van het concern en tevens de beschikking gehad over een bankpas van [cooperatie A] UA, een ooit door de directeur opgerichte en tot dan toe inactieve coöperatie. [heer X] heeft, doorgaans tweewekelijks, verantwoording afgelegd van de gemaakte materiaal- en loonkosten door het overleggen van door hem opgemaakte kostenoverzichten.

2.6.Voor het gebruik van voornoemde bankrekening heeft de echtgenote van de directeur, als voorzitter van [cooperatie A] U.A., een op 3 januari 2004 gedateerde machtiging opgesteld met voor zover hier van belang de volgende inhoud:

“Hierbij machtigen wij de heer [heer X], woonachtig [adres] om ons te vertegenwoordigen ter zake van de aankoop en verbouwing van het pand [het pand].”

2.7.Bij brief (met briefhoofd van [cooperatie B] U.A) van 3 januari 2004 heeft de echtgenote van de directeur [heer X] het volgende bericht:

“Misschien ten overvloede wil ik je er nog even op wijzen dat de door [cooperatie A] afgegeven machtiging betreffende het pand [het pand] voor wat betreft de financiële consequenties voorafgaande steeds overleg met ons dient te worden gepleegd.”

2.8.[vennootschap B] heeft de administratie gevoerd, de materiaalkosten steeds geboekt per pand op de grootboekrekeningen van de betreffende eigenaar en van de loonkosten steeds per pand overzichten vervaardigd. Daarbij zijn de loonkosten steeds verrekend in rekening-courant van de directeur bij [vennootschap B].

2.9.Op [datum] 2005 is de eigendom van het pand overgegaan op [vennootschap A]. De notariële akte van levering vermeldt, voor zover hier van belang, onder de kop “Feitelijke levering, staat registergoed”, Artikel 2, onder 1. (…) Verkoper heeft zich blijkens gemelde koopovereenkomst verbonden de verbouwing en restauratie van het verkochte sub 1 en sub 2 omschreven, overeenkomstig de aan partijen bekende plannen, uitsluitend en alleen voor haar rekening te (laten) realiseren.”

2.10.De inspecteur heeft naar aanleiding van een in 2007 bij het concern aangevangen boekenonderzoek geconcludeerd dat ter zake van de in 2.4 genoemde betalingen door belanghebbende geen loonbelasting en premie volksverzekering is ingehouden en afgedragen.

2.12.Bij brief van 15 augustus 2009 heeft de inspecteur belanghebbende bericht dat het bedrag van de niet verloonde betalingen over 2005 is gesteld op € 134.730 en dat de naheffing op basis van het anoniementarief € 145.900 bedraagt. De inspecteur heeft in deze brief tevens een vergrijpboete van 50% vanwege voorwaardelijk opzet aangekondigd.

3.Geschil

3.1.Primair is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag en de boete terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Daartoe dient de vraag te worden beantwoord of de in 2.4 genoemde bouwvakkers in dienstbetrekking stonden tot belanghebbende en zij aldus aangemerkt moeten worden als inhoudingsplichtige. Subsidiair is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag en de boete tot op het juiste bedrag zijn vastgesteld.

Belanghebbende beantwoordt de vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de aanslag en de boetebeschikking, dan wel tot vermindering daarvan. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.Op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, van de Wet op de loonbelasting 1964 is inhoudingsplichtige, degene, tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan.

4.2.De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van de inspecteur ligt om de feiten en omstandigheden te stellen - en bij betwisting aannemelijk te maken - die het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de bouwvakkers.

4.3.De inspecteur heeft onder meer gesteld dat de werknemers bij belanghebbende in dienstbetrekking stonden omdat de directeur feitelijk leiding heeft gegeven aan de werkzaamheden en ook feitelijk de daarmee verband houdende lonen heeft betaald.

4.4.De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat tussen belanghebbende en de bouwvakkers een dienstbetrekking bestond. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Het pand waaraan de werkzaamheden werden verricht was eigendom van belanghebbende. De directeur was de feitelijke leidinggevende en uit de afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat alle betalingen aan de bouwvakkers door hem, al dan niet achteraf, gefiatteerd werden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat die bouwvakkers in dienstbetrekking werkzaam waren bij belanghebbende.

4.5.Belanghebbendes stelling dat de werknemers feitelijk tot [heer X] in dienstbetrekking stonden wordt door de rechtbank verworpen. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat [heer X], die naar vast is komen te staan niet over eigen middelen beschikte, voor eigen rekening en risico de verbouwwerkzaamheden heeft uitgevoerd en als werkgever aangemerkt kon worden. Voor zover [heer X] leiding gaf aan de (ver)bouwwerkzaamheden van het pand, deed hij dat dan ook namens belanghebbende. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat, naast het overwogene in 4.4, uit de overige feiten en omstandigheden af te leiden is dat alle correspondentie met betrekking tot de bouwwerkzaamheden en de daarop betrekking hebbende offertes en facturen direct aan het concern gericht waren. Het antwoord op de primair in geschil zijnde vraag dient dan ook bevestigend te worden beantwoord.

4.6.Belanghebbende heeft voor de beantwoording van de subsidiaire vraag gesteld dat de inspecteur in zijn berekening ook loonkosten heeft verwerkt die verricht zijn aan andere, niet bij belanghebbende in eigendom zijnde panden en dat de naheffingsaanslag dus te hoog is vastgesteld. Verder heeft belanghebbende gesteld dat in de berekening ook loonkosten verwerkt zijn van personen die als zelfstandig ondernemer hebben opgetreden.

4.7.Ook deze stelling van belanghebbende dient naar het oordeel van de rechtbank te worden verworpen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur, niet meer weersproken, heeft verklaard dat bij het opmaken van de overzichten die aan de naheffingsaanslag ten grondslag liggen, enkel de bedragen zijn verwerkt die betrekking hebben gehad op de werkzaamheden aan het pand en dat daarbij niet zijn meegenomen de werkzaamheden van de zelfstandig ondernemers voor zover daar nota’s voor zijn overgelegd. De naheffingsaanslag is dan ook juist vastgesteld.

4.8.De inspecteur heeft belanghebbende een boete opgelegd van 50% van het nageheven bedrag vanwege voorwaardelijk opzet. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur het voorwaardelijk opzet dient te bewijzen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur in zijn bewijslast is geslaagd. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat het van algemene bekendheid is dat een werkgever over het door hem of haar uitbetaalde loon loonbelasting en premie volksverzekeringen dient in te houden en af te dragen.

4.9.Belanghebbende heeft zich er nog op beroepen dat sprake was van een pleitbaar standpunt. Zij heeft gesteld dat zij van mening was slechts financier te zijn en dat zij verder in het geheel niet betrokken is geweest bij de uitvoering van de werkzaamheden en zich dus niet hoefde te realiseren dat zij werkgever was. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling, met inachtneming van al hetgeen hiervoor is overwogen, verworpen dient te worden. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende opzettelijk € 145.900 te weinig loonbelasting en premie volksverzekeringen op aangifte heeft betaald en acht de opgelegde boete van 50% ofwel € 72.950 dan ook passend en geboden.

4.10.De rechtbank ziet wel reden de boete te verminderen vanwege het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM . Tussen het tijdstip van de aankondiging van de boete (15 augustus 2008) en de datum van de uitspraak ligt een tijdsverloop van drie jaar en vijf maanden. De redelijke termijn is daarmee een jaar en vijf maanden overschreden. De rechtbank matigt de boete daarom met 15% of € 10.942,50. De hoogte van de boete wordt dan € 72.950 -/- € 10.942,40 = € 62.007,60.

4.11.Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond verklaard te worden voor zover het de boete betreft en voor het overige ongegrond.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu de grond voor de boetevermindering uitsluitend door de rechtbank ambtshalve is toegepast.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

-vernietigt de uitspraak voor zover het de boete betreft;

-vermindert de boete tot € 62.007,60;

-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 297 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 12 januari 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter,

mr. D. Hund en mr . drs. M.M. de Werd, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 12 januari 2012.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR ).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature