Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Officiersappel. Kind zit op de motorfiets vóór de bestuurder en met voeten op extra gemonteerde voetsteunen. Sanctie ter zake van artikel 58a RVV 1990 opgelegd. Zit het kind op een zitplaats in de zin van de wet? Op grond van welke bepaling valt hier tegen op te treden?

Uitspraak



WAHV 200.090.471

27 januari 2012

CJIB 143629951

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Haarlem

van 31 mei 2011

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Haarlem genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 13 januari 2012. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. C.T. Brontsema.

Na de zitting heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “Passagier vervoeren terwijl deze niet is gezeten op zitplaats”, welke gedraging zou zijn verricht op 29 april 2010 om 17.00 uur op de Schipholweg te Badhoevedorp met het voertuig met het kenteken [AB-00-AB] (het hof leest: [AB-AB-00]).

2. De betrokkene heeft bij de kantonrechter betwist dat hij de gedraging heeft verricht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn zoon wel degelijk op een zitplaats (van de motorfiets) zat, namelijk (vóór de betrokkene) op de verlengde buddyseat en met zijn voeten op de voetsteunen, hetgeen volgens de betrokkene verantwoord is en in elk geval niet verboden.

3. De kantonrechter heeft de stelling van de betrokkene dat zijn zoon geheel op de verlengde buddyseat van de motor zat en zijn voeten op de voetsteunen had aannemelijk geacht, vervolgens geoordeeld dat het op deze wijze vervoeren van een jong kind bij gebreke van enige specifieke regelgeving niet verboden is, en het beroep gegrond verklaard.

4. De officier van justitie heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en stelt daartoe dat de gedraging wel is verricht. Hij voert daartoe aan uit de ambtsedige verklaringen van de verbalisanten in het dossier (die de kantonrechter ten onrechte niet tot uitgangspunt heeft genomen) blijkt dat kind half op de tank, half op de buddyseat zat en dat zijn beentjes geen enkele steun hadden. Dit betekent dat het kind niet op een zitplaats zat, zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel ar, RVV 1990 juncto artikel 1.1 Regeling Voertuigen . Daarnaast kan de positie voorop niet anders worden gezien dan als een zitplaats bestemd voor de bestuurder en zijn (dus) zitplaatsen voor passagiers op de motor achter de bestuurder gesitueerd. Bovendien blijkt uit deze definitie dat deze zitplaats alleen voor een volwassen persoon is bedoeld.

5. De eerste vraag die ter beoordeling van het hof voor ligt is of de onder 1 genoemde gedraging valt onder het bepaalde in artikel 58a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Gelet op het belang van de zaak zal het hof ook ingaan op de vraag of de gedraging anderszins als ongeoorloofd moet worden beschouwd.

6. Artikel 58a RVV 1990 werd ingevoerd bij Besluit van 17 maart 2008 (Stb 2008, 90) en luidde van 1 april 2008 tot 1 mei 2009 als volgt:

"1. Tijdens deelname aan het verkeer worden passagiers alleen vervoerd indien zij zijn gezeten op zitplaatsen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan, bij incidenteel gebruik van het gangpad of toilet in autobussen zonder staanplaatsen en bij het vervoer van personen als bedoeld in artikel 61b, tweede lid, onderdelen a, b en d;

b. het vervoer van passagiers jonger dan 18 jaren en met een lengte van minder dan 1,35 meter die gebruik maken van een voor deze passagiers geschikte zitgelegenheid die deel uitmaakt van de constructie van het voertuig, hierin deugdelijk is bevestigd en is voorzien van autogordels;

c. het vervoer van passagiers die gebruik maken van een rolstoel als bedoeld in artikel 59, vierde lid;

d. het vervoer van personen op de bagagedrager door fietsers met uitzondering van snorfietsers.

3. Het is bestuurders verboden passagiers te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven. "

De nota van toelichting luidde, voor zover hier van belang: "Deze bepaling maakt expliciet dat passagiers dienen te worden vervoerd op zitplaatsen die voor dat doel zijn geconstrueerd en derhalve niet op geïmproviseerde zitplaatsen (…)."

7. Bij dit Besluit werd tevens aan artikel 1.1 onderdeel ar toegevoegd, waarin als definitie van "zitplaats" werd opgenomen: "zitplaats als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel bo, van het Voertuigreglement . " Artikel 1.1, onderdeel bo, van het Voertuigreglement luidde: "zitplaats: constructie die al dan niet een integrerend deel vormt van de constructie van het voertuig, die plaats biedt aan een volwassen persoon, met dien verstande dat de zitplaats zowel een afzonderlijke zitplaats kan zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon en die afhankelijk van de richting als volgt wordt aangeduid: (…)."

8. Artikel 58a RVV 1990 was ten tijde van de gedraging slechts in zoverre gewijzigd, dat bij Besluit van 23 maart 2009 (Stb. 2009, 191, inwerkingtreding 1 mei 2009) aan de uitzonderingen van het tweede lid werd toegevoegd het vervoer van kinderen, jonger dan 3 jaren, in autobussen. Het eerste lid van dit artikel was ten tijde van de gedraging dus ongewijzigd.

9. Eveneens met ingang van 1 mei 2009 werd de definitie van zitplaats aangepast aan de vervanging van het Voertuigreglement door de Regeling voertuigen, waardoor deze kwam te luiden: "zitplaats: zitplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen . "

10. Daarmee wijzigde de definitie van zitplaats in het RVV 1990. Artikel 1.1, onderdeel bo van de Regeling voertuigen (hierna: RV) luidde namelijk als volgt:

"zitplaats: samenstel van een zitting en een rugleuning die al dan niet integrerend deel vormt van een constructie van het voertuig, die plaats biedt aan een volwassen persoon, met dien verstande dat de zitplaats zowel een afzonderlijke zitplaats kan zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon (…)."

De toelichting op de RV houdt met betrekking tot (onder meer) deze wijziging niet meer in dan dat een aantal definities is aangepast om strijdigheid te voorkomen met de definities die voorkomen in EG-richtlijnen.

Opmerking verdient dat ondanks deze wijziging van de definitie van zitplaats, in de RV bij de permanente eisen waaraan een motorfiets dient te voldoen is opgenomen in artikel 5.4. 46: "de zitplaats of zitplaatsen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd."

11. Artikel 1.1 RV is inmiddels gewijzigd. Na deze wijziging, die is gepubliceerd in de Staatscourant van 4 mei 2010, 6724 en in werking is getreden per 1 juli 2010, wordt "zitplaats" omschreven als: "een constructie, inclusief bekleding, die al dan niet een integrerend deel vormt van de constructie van het voertuig die plaats biedt aan een volwassen persoon, met dien verstande dat de zitplaats zowel een afzonderlijke zitplaats kan zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon (…)." De wijziging is niet toegelicht, maar is, op een kleine toevoeging na, gelijkluidend aan de hierboven weergegeven definitie in het Voertuigreglement.

12. Ook artikel 58a RVV 1990 is gewijzigd (eveneens in werking getreden per 1 juli 2010 maar gepubliceerd in Staatscourant 2010, 227), in die zin dat het eerste lid daarvan luidt: "Tijdens deelname aan het verkeer zitten bestuurders en passagiers op de voor hen bestemde zitplaatsen." De toelichting op deze wijziging luidt: "Tot op heden bestond niet voor alle voertuigen de verplichting voor de bestuurder om gebruik te maken van een zitplaats. Deze verplichting vloeide in de meeste gevallen reeds voort uit de verplichting in artikel 59, eerste lid, om een autogordel te dragen. Voor de bestuurders van andere dan in dit artikel genoemde voertuigen wordt nu duidelijk vastgelegd dat ook zij verplicht zijn te (blijven) zitten op de zitplaats tijdens het rijden."

13. Het hof is op grond van de wetsgeschiedenis van oordeel, dat de bedoeling van het bepaalde in artikel 58a RVV 1990 van de aanvan g af is geweest, dat passagiers op of in alle voertuigen op een zitplaats dienden te worden vervoerd, voor zover daarop geen uitzondering in dat artikel werd gemaakt. Daarop wijst ook de uitzondering die in dat artikel is gemaakt en gehandhaafd voor het vervoer van personen op de bagagedrager van een fiets. Daaraan kan niet afdoen, dat gedurende een korte periode het begrip "zitplaats" door de verwijzing naar de RV een andere (zelfs voor die Regeling niet adequate) definitie kreeg.

14. De eerste conclusie van het hof is dan ook, dat de wijze waarop de betrokkene zijn zoontje vervoerde in strijd is met artikel 58a RVV 1990 , zoals dit luidde v óór 1 mei 2009 en na 1 juli 2010, alsmede met de bedoeling van de wetgever op het tijdstip van de gedraging. Het hof overweegt hierbij, dat de omstandigheid dat blijkens de door de betrokkene overgelegde foto zijn zoon vóór de bestuurder op de buddyseat is gezeten, niet meebrengt dat er geen sprake zou zijn van overtreding van het bepaalde in artikel 58a RVV 1990 . Immers, slechts door het bijzondere model van de motorfiets in kwestie loopt de buddyseat verder door naar voren dan gebruikelijk, terwijl duidelijk is, dat dat deel van de buddyseat niet is bestemd voor een passagier.

15. Het hof moet echter vaststellen, dat de omstandigheid dat de definitie in het RVV 1990 ten tijde van de gedraging een beperking aanbracht in het begrip "zitplaats" maakt, dat de bedoeling van de wetgever niet met de bewoordingen van artikel 58a RVV 1990 in overeenstemming was, noch door interpretatie daarmee in overeenstemming te brengen is. Nu sprake is van een door punitieve sancties te handhaven verbod, moet de bepaling strikt worden uitgelegd en kan de gedraging dus niet worden aangemerkt als strijdig met artikel 58a RVV 1990 , zoals dat gold ten tijde van de gedraging.

16. Ten tweede ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de wijze waarop de betrokkene zijn kind op de motorfiets heeft vervoerd daarmee ten tijde van die gedraging geoorloofd was, zoals door de kantonrechter is overwogen.

17. Het Reglement verkeersregels en verkeerstekens dat vooraf ging aan het RVV 1990, te weten het RVV 1966, bepaalde in paragraaf 14 "Bijzondere verplichtingen voor bestuurders van motorvoertuigen" in artikel 97 dat op motorvoertuigen op twee of drie wielen zich geen personen vóór de bestuurder mochten bevinden. Weliswaar is deze bepaling bij de invoering van het RVV 1990 komen te vervallen maar hieruit mag naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat het voortaan wel zou zijn toegestaan om vóór de bestuurder plaats te nemen. In de Nota van Toelichting op het RVV 1990 wordt aan het slot een overzicht gegeven van (overige) vervallen bepalingen, waaronder artikel 95, - waarin onder meer werd voorgeschreven dat naast of voor de bestuurder van een motorvoertuig op meer dan twee wielen zich geen persoon mag bevinden die niet op een normale zitplaats is gezeten - , alsmede artikel 97. Met betrekking tot de reden van het vervallen van die bepalingen wordt bij artikel 95 opgemerkt, dat motorvoertuigen slechts kunnen worden bestuurd als de bestuurder niet door andere personen in het voertuig wordt gehinderd. De bestuurder draagt hiervoor een eigen verantwoordelijkheid. Hij dient er met name voor te zorgen dat de passagiers voorin hem zijn taak laten verrichten. (…) Het verbod van het vervoeren van personen vóór de bestuurder is niet langer nodig gelet op de autogordel-bepalingen. Bij artikel 97 wordt, voor zover het de bestuurder betreft, verwezen naar hetgeen is opgemerkt ten aanzien van artikel 95. Uit het algemene deel van de Nota van toelichting op het RVV 1990 blijkt dat de vervanging van het RVV 1966 is voortgekomen uit een behoefte aan deregulering en het centraal stellen van de eigen verantwoordelijkheid van de verkeersdeelnemers. Daarbij is uitdrukkelijk bepaald dat de algemene bepaling van artikel 25 van de Wegenverkeerswet (thans artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 : hierna: WVW 1994 ) met de maatstaf dat ieder handelen, of dat nu betreft een in het reglement vervatte gedraging of dat voor de betrokken situatie geen concrete regel is gegeven, niet in strijd mag zijn met de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer, altijd geldt.

18. Blijkens de Nota van toelichting op het RVV 1990 dient slechts op grond van artikel 5 WVV 1994 te worden opgetreden in niet door het RVV 1990 geregelde gevallen "wanneer uit omstandigheden blijkt dat het gevaar - of de kans daarop - zich concreet heeft voorgedaan." Ten aanzien van beschermende maatregelen, zoals het gebruik van autogordels of goedgekeurde helmen, heeft de passagier een eigen verantwoordelijkheid. Maar uitdrukkelijk is de verantwoordelijkheid voor de bescherming van jeugdigen onder de twaalf jaar bij de bestuurder gelegd (zie onder meer artikel 59 en 60, laatste lid RVV 1990). Voorts is van belang dat artikel 58a RVV 1990 van af 1 juli 2010 voor het vervoer van passagiers jonger dan 8 jaar op fietsen of bromfietsen speciale kinderbeveiligingssystemen eist.

Op grond van de gedetailleerde wijze waarop het RVV 1990 de bescherming van jeugdigen in of op voertuigen regelt, is het hof van oordeel, dat zolang de wetgever niet in adequate regelgeving heeft voorzien, vervoer van kinderen op motorfietsen anders dan met gebruikmaking van een op dat kind toegesneden kinderbeveiligingssysteem al snel gevaarzettend kan zijn voor het kind en daarmee in strijd met artikel 5 WVW 1994 .

19. Uit het voorgaande volgt dat de gedraging van de betrokkene dient te worden beoordeeld naar de maatstaf van artikel 5 WVW 1994. Overtreding van dit artikel, voor zover hier aan de orde, betreft echter geen gedraging als bedoeld in artikel 2 van de WAHV . Derhalve zal het hof, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 15 is overwogen, de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

20. Het voorgaande brengt mee dat de proceskosten van de betrokkene voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof zal een vergoeding toekennen voor de reiskosten van de betrokkene in verband met het bijwonen van de zitting van het hof, te vergoeden op basis van het tarief van het openbaar vervoer 2e klasse, te weten (2 x € 1,70 voor de bus van [woonplaats] naar Schiphol v.v. en 1x retour trein Schiphol-Leeuwarden ad € 46,40, derhalve in totaal) € 49,80. Gesteld noch gebleken is dat er overigens sprake is van proceskosten aan de zijde van de betrokkene die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 49,80.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature