Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een groengasvulpunt op het perceel. Op de toevoeging van het groengasvulpunt is hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing. Met de toevoeging van het groengasvulpunt aan het benzinestation is dus weliswaar sprake van het veranderen van een inrichting, maar daarvoor is op grond van artikel 2.4, tweede lid, van het Bor geen omgevingsvergunning vereist.

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2330

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2011 in de zaak van

[naam verzoekster], te Den Helder, verzoekster

(gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder

(gemachtigden: M.A.M. Rodenburg en N. van Koningsbruggen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Marees Full Service B.V., te Kolhorn.

Procesverloop

Op 22 juni 2011 heeft Marees Full Service B.V. (hierna: vergunninghouder) een aanvraag ingediend voor het plaatsen van een groengasvulpunt op het perceel [adres] te [plaatsnaam] (hierna: het perceel). Bij besluit van 4 augustus 2011 heeft verweerder omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een groengasvulpunt op het perceel (hierna: het bestreden besluit). Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 12 september 2011 bezwaar gemaakt. Bij afzonderlijke brief van 12 september 2011 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 december 2011. Verzoekster is, daartoe ambtshalve opgeroepen, ter zitting vertegenwoordigd door [naam], bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden. De derde-partij is ter zitting niet verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan het gestelde in het vigerende bestemmingsplan “Verlengde Zuiderhaaks 2002”. Op het perceel rust de bestemming “Bedrijven” en de aanduiding “bv, verkooppunt voor motorbrandstoffen (met uitzondering van LPG) toegestaan”. De aanvraag voorziet in de plaatsing van een groengasvulpunt, dat binnen het bebouwingsvlak wordt geplaatst. Een groengasvulpunt is volgens verweerder zowel planologisch als milieutechnisch gezien geen LPG. Voor een LPG-installatie is een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu vereist en een groengasvulpunt valt onder het Activiteitenbesluit. Een milieumelding is door vergunninghouder ingediend. Hierbij is duidelijk geworden dat de afstand van de buffer aardgas de vereiste minimale afstand van 10 meter tot een (beperkt) kwetsbaar object heeft en tevens dat de afstand van het afleverstation minimaal 15 meter bedraagt ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten. De plaatsing van het groengasvulpunt is dusdanig binnen het perceel gesitueerd dat deze vereiste afstanden worden gehaald. Voorts voldoet het bouwplan volgens verweerder aan het gestelde in het bouwbesluit en is het niet in strijd met de redelijke eisen van welstand. Gelet op het voorgaande doet zich volgens verweerder geen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor en moet de omgevingsvergunning daarom worden verleend.

3. Verzoekster heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat het bestreden besluit in strijd is met het (ontwerp)bestemmingsplan. Gelet hierop is volgens verzoekster de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing, welke ten onrechte niet is gevolgd. Voorts heeft verzoekster zich op het standpunt gesteld dat in strijd wordt gehandeld met het criterium van onlosmakelijkheid, zoals verwoord in artikel 2.7 van de Wabo . Volgens verzoekster heeft vergunninghouder ten onrechte niet gelijktijdig met de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting aangevraagd. Tenslotte heeft verzoekster naar voren gebracht dat verweerder de aanvraag ten onrechte niet heeft getoetst aan het Besluit externe veiligheidinrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). De risico’s van het bouwplan zijn volgens verzoekster onvoldoende inzichtelijk geworden.

4. De voorzieningenrechter dient te beoordelen of verweerder de omgevingsvergunning voor het bouwplan terecht heeft verleend. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 2, of 120 van de Woningwet ;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening, of (…);

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening ;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft (…) in strijd is met redelijke eisen van welstand (…);

(…)

5.2. De omgevingsvergunning voor bouwen mag door verweerder slechts worden geweigerd als zich één (of meer) van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde situaties voordoet. Als geen van deze situaties zich voordoet, moet verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor bouwen verlenen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de aanvraag had moeten afwijzen, omdat er sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

5.3. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan ‘Verlengde Zuiderhaaks 2002’ de bestemming ‘Bedrijven” en de aanduiding “bv: verkooppunt voor motorbrandstoffen (met uitzondering van LPG) toegestaan”.

5.4. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat CNG - dit is het gas zoals derde-partij dit verkoopt - gelijkgesteld dient te worden met LPG. Volgens verzoekster is het bouwplan daarom in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft dit betwist en ter zitting het verschil uiteengezet. Gelet op deze toelichting en het feit dat in de relevante milieuwetgeving verschillende bepalingen zijn opgenomen voor LPG en CNG, is de voorzieningenrechter van oordeel dat LPG wel degelijk verschilt van CNG. Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

6.1. Vaststaat voorts dat de aanvraag van vergunninghouder om een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo zoals die bij verweerder is ingediend, alleen ziet op bouwen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat vergunninghouder er ten onrechte niet voor heeft zorggedragen dat de aanvraag tevens betrekking heeft op het veranderen van een inrichting. Gelet hierop is er volgens verzoekster sprake van strijd met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo .

6.2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: 1º het oprichten, 2º het veranderen of veranderen van de werking of 3º het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, onverminderd het bepaalde in 2.10, tweede lid, er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten.

6.3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden als categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de categorie ën inrichtingen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.

Ingevolge het tweede lid van artikel 2.1 van het Bor worden als vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorie ën inrichtingen waartoe een gpbv-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.

6.4. De voorzieningenrechter overweegt dat het onbemande tankstation, waarvoor in het verleden al bouwvergunning is verleend, een inrichting is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Bor . Het tankstation behoort namelijk tot de inrichtingen aangewezen in bijlage I, onderdeel C, categorie 5, onder 5.1, te weten inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen.

6.5. Als vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor zijn in bijlage I, onderdeel C, categorie 5, onder 5.4, bij e, aangewezen:

Inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstoffen ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer door een afleverzuil waar aflevering zonder direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20 meter afstand is tussen de afleverzuil en een woning van derden, sporthal, zwembad, winkel, hotel, restaurant, kantoorgebouw, bedrijfsgebouw, speeltuin, sportveld, camping, volkstuinencomplex, recreatieterrein, bejaardenoord, verpleeginrichting, ziekenhuis, sanatorium, zwakzinnigeninrichting, gezinsvervangend tehuis, school, telefooncentrale, gebouw met vluchtleidingsapparatuur, elektriciteitscentrale, hoofdschakelstation van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet, object met een hoge infrastructurele waarde, installatie en bovengrondse opslagtank voor brandbare, explosieve of giftige stoffen, en een plaats ten behoeve van de bewaring van gasflessen waarvan de gezamenlijke inhoud meer dan 2.500 liter (waterinhoud) bedraagt van derden.

6.6. Niet in geschil is dat het tankstation waarvoor in het verleden bouwvergunning is verleend geen vergunningplichtige inrichting is als hiervoor aangegeven onder 6.5. Het is wel een zogenoemde ‘meldingsplichtige’ inrichting waarop de regels van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) van toepassing zijn.

6.7. De voorzieningenrechter overweegt dat het groengasvulpunt op zichzelf ook een inrichting is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Bor . Het behoort tot de inrichtingen aangewezen in bijlage I, onderdeel C, categorie 2, onder 2.1, onder a, te weten inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van gassen of gasmengsel, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand. Het groengasvulpunt is echter niet aangewezen in bijlage I, onderdeel C, categorie 2, onder 2.7, zodat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen vergunningplichtige inrichting is als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor . Ook voor het groengasvulpunt op zichzelf geldt dus dat het een zogenoemde ‘meldingsplichtige’ inrichting is waarop de regels van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn.

6.8. Ingevolge artikel 2.4, tweede lid, van het Bor is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2 º, van de wet geen omgevingsvergunning vereist met betrekking tot veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan voor zover daarop regels, gesteld krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn.

Het Activiteitenbesluit is een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer zoals bedoeld in dit artikellid.

6.9. Artikel 3.17 van het Activiteitenbesluit luidt als volgt:

“Deze paragraaf is van toepassing op een inrichting waarbij sprake is van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer voor zover geen aflevering plaatsvindt met een pomp die zich onder het vloeistofniveau in een ondergrondse tank bevindt”.

Artikel 3.18, eerste lid, van het Activiteitenbesluit luidt als volgt:

“1. De afleverzuil bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer die aardgas als motorbrandstof gebruiken bevindt zich op een afstand van ten minste 10 meter van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Indien per etmaal meer dan 300 personenauto’s worden gevuld, bedraagt deze afstand 15 meter. Indien per etmaal meer dan 100 autobussen worden gevuld, bedraagt deze afstand 20 meter. De bufferopslag bevindt zich op een afstand van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zoals aangegeven in tabel 3.18.

Tabel 3.18

Waterinhoud bufferopslag: Afstand:

Minder dan 3000 liter 10 meter

Vanaf 3000 tot 5000 liter 15 meter

Meer dan 5000 liter 20 meter

2. Een aardgas-afleverinstallatie voor het afleveren van aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan”.

6.10. De regeling bedoeld in artikel 3.18, tweede lid, van het Activiteitenbesluit is de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: de Regeling). Daarin staan de volgende voor het onderhavige geval relevante artikelen.

Ingevolge artikel 3.18, eerste lid, van de Regeling wordt ten behoeve van het voorkomen van risico ’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan bij het afleveren van vloeibare brandstoffen, mengsmering ten minste voldaan aan de artikelen 3.20 tot en met 3.22 en bij het afleveren van aardgas aan artikel 3.2 3.

Ingevolge artikel 3.23 van de Regeling voldoet een aardgas-afleverinstallatie bij het afleveren van aardgas ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer aan hoofdstuk 7 tot en met 14 van PSG 25 met uitzondering van de paragrafen 7.1.8, 7.3.8 tot en met 7.3.13, 7.7.1, 7.9, 8.6, 8.7, 8.8, 9.2, 10.8 en 13.4.

6.11. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat op de toevoeging van het groengasvulpunt hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. Met de toevoeging van het groengasvulpunt aan het benzinestation is dus weliswaar sprake van het veranderen van een inrichting, maar daarvoor is op grond van artikel 2.4, tweede lid, van het Bor geen omgevingsvergunning vereist.

Verzoekster heeft overigens niet aangevoerd dat aan de afstandseisen die volgen uit artikel 3.18 van het Activiteitenbesluit of aan de eisen die het PGS 25 stelt, niet wordt voldaan. Mocht alsnog blijken dat aan die eisen niet wordt voldaan, dat zal verzoekster verweerder kunnen vragen om handhavend op te treden.

6.12. Nu geen sprake is van een vergunningplichtige verandering van een inrichting is ook geen sprake van strijd met artikel 2.7 van de Wabo .

7. Voor toepassing van het Bevi, zoals verzoekster heeft gevraagd, biedt de Wabo geen ruimte. Nu niet is gebleken dat zich één van de weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoet, moest verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor bouwen verlenen.

8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat verweerder een onrechtmatig besluit heeft genomen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

9. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S.T. Visser, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2011.

griffier voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature