Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Verzoek om een primair besluit te nemen is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het ligt op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat betrokkene uitdrukkelijk en zonder voorbehoud kenbaar heeft gemaakt af te zien van het indienen van een aanvraag om bijstand. Appellant is daarin niet geslaagd. Het verzuim van de CWI om betrokkene in de gelegenheid te stellen een bijstandsaanvraag in te dienen moet aan appellant worden toegerekend. De brief van betrokkene is niet te beschouwen als een bezwaarschrift, maar als een verzoek om een primair besluit te nemen.

Uitspraak



09/6835 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en inkomen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 november 2009, 09/766 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 28 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.A. Wellen, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.D.L. Wissink, werkzaam bij het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en inkomen (hierna: ISWI). Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft zich op 8 oktober 2008 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI) te Aalten om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Volgens een rapportage van 10 oktober 2008 is betrokkene op 9 oktober 2008 een werkaanbod gedaan en is haar in dat verband een brief overhandigd met de volgende inhoud:

“U heeft een uitkering in het kader van de WWB en u staat ingeschreven bij het CWI als werkzoekende.

Wij nodigen u uit voor een kennismakingsgesprek met betrekking tot deelname aan een project. Dit betekent dat wij u een uitzend-/arbeidsovereenkomst willen aanbieden. (…) Het gesprek zal plaatsvinden op vrijdag 10 oktober 2008 (…).”

In de rapportage van 10 oktober 2008 is in dit verband nog het volgende vermeld:

“Mevrouw is voor 10-10-2008 uitgenodigd voor een gesprek en de aanstelling zal haar worden overhandigd. Ze geeft aan te twijfelen of ze dit wel wil.

Ze ziet vooralsnog af van het indienen van een aanvraag WWB. Of ze de aanstelling aanvaard, weet ze nog niet. Ze wil de komende dagen actief gaan solliciteren (heeft ze nog niet gedaan).”

Bij een e-mail van 10 oktober 2008 heeft betrokkene laten weten niet naar het kennismakingsgesprek te komen waarvoor ze was uitgenodigd.

1.2. Bij brief van 25 februari 2009, gericht aan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek, heeft betrokkene verzocht een beslissing te nemen op haar aanvraag om een WWB-uitkering toe te kennen met ingang van 8 oktober 2008. Hierbij merkt betrokkene op dat zij op 8 oktober 2008 een aanvraag voor een bijstandsuitkering heeft ingediend, dat ze bij haar melding een uitnodiging kreeg voor deelname aan een project, dat ze de werkzaamheden vanwege haar fysieke gesteldheid niet kon verrichten, dat ze werd overvallen door het werkaanbod, dat de omstandigheid dat ze zelf op zoek ging naar werk niet betekende dat ze geen aanspraak meer wilde maken op een bijstandsuitkering en dat ze na haar afmelding per e-mail niets meer van de sociale dienst heeft vernomen. Betrokkene eindigt haar brief met: “Inmiddels ben ik vanaf 9 januari 2009 verhuisd naar de gemeente [gemeente 1]. Hierbij verzoek ik u mij over de periode van 8 oktober 2008 tot en met 9 januari 2009 een WWB-uitkering toe te kennen.”

1.3. Het ISWI heeft deze brief in behandeling genomen als bezwaarschrift, gericht tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag. Bij besluit van 15 april 2009 heeft appellant dit bezwaar, overeenkomstig het advies van de adviescommissie bezwaarschriften, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat geen aanvraag om bijstand tot stand is gekomen en dat dus ook geen sprake kan zijn van het uitblijven van een besluit op een daartoe strekkende aanvraag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 15 april 2009 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant nadere primaire besluitvorming dient te realiseren met betrekking tot de bijstandsaanspraken van betrokkene per 8 oktober 2008. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij voor eiseres dient te worden gelezen betrokkene en voor verweerder appellant:

“De rechtbank is, gelet op de inhoud en strekking van de brief van eiseres van 25 februari 2009, van oordeel dat verweerder deze brief ten onrechte heeft aangemerkt als een bezwaarschrift, gericht tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag. Nu in genoemde brief wordt verzocht om alsnog te beslissen op de bijstandsaanvraag van

8 oktober 2008 had verweerder dienaangaande een primair besluit dienen te nemen. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat na de melding van het CWI op 8 oktober 2008 geen verdere aanvraag meer is gevolgd, dient de brief van 25 februari 2009 als zodanig te worden aangemerkt. Ook in dat geval heeft verweerder ten onrechte nagelaten een primair besluit te nemen.” De rechtbank heeft in het kader van de door appellant te realiseren primaire besluitvorming nog verwezen naar het bepaalde in artikel 44 van de WWB .

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat, nu betrokkene tegenover twee medewerkers van het ISWI heeft verklaard geen aanvraag in te dienen, vaststaat dat geen aanvraag tot stand is gekomen, zodat geen primair besluit kan worden genomen. In subsidiaire zin is naar voren gebracht dat, als van een aanvraag zou moeten worden uitgegaan, betrokkene dan geen procesbelang meer bij beoordeling van de uitspraak van de rechtbank heeft, omdat zij ten tijde van de brief van

25 februari 2009 geen inwoner meer was van de gemeente [gemeente 2] en dus per die datum geen aanspraak meer kon maken op een bijstandsuitkering van het ISWI.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 41, eerste lid, van de WWB (tekst tot 1 januari 2009) is de hoofdregel opgenomen dat een aanvraag om algemene bijstand bij de CWI wordt ingediend en dat deze na overdracht verder wordt behandeld door het college. In de drie volgende leden van het artikel zijn voorts uitzonderingen op de hoofdregel (tweede lid) en afwijkingsmogelijkheden (derde en vierde lid) vermeld waaruit voortvloeit dat bepaalde aanvragen, in afwijking van de hoofdregel, niet bij de CWI maar rechtstreeks bij het college moeten worden ingediend.

4.2. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.

4.3. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van melding, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt voorts wanneer van een melding bij de CWI of bij het college kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van de aanvraag de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen om te voorkomen dat er teveel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.

4.4. Artikel 28, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI, tekst tot 1 januari 2009 voor zover hier van belang) bepaalt dat de CWI aanvragen om algemene bijstand op grond van de WWB in ontvangst neemt. Bij een dergelijke aanvraag legt de CWI vast op welke dag zij naam, adres en woonplaats van de belanghebbende heeft geregistreerd en hem in staat heeft gesteld zijn aanvraag in te dienen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende aan de CWI alle gevraagde gegevens en bewijsstukken verstrekt die nodig zijn voor de beslissing op zijn aanvraag door burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente. De CWI onderzoekt de verstrekte gegevens en bewijsstukken op bij ministeriële regeling te bepalen wijze op juistheid, volledigheid en consistentie. Ingevolge het vierde lid van dit artikel draagt de CWI de aanvraag met de daarbij verstrekte gegevens en bewijsstukken, alsmede het daarbij behorende burgerservicenummer, over aan burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente. De CWI doet tegelijkertijd van deze overdracht schriftelijk mededeling aan belanghebbende.

4.5. Vaststaat dat betrokkene zich op 8 oktober 2008 bij de CWI heeft vervoegd voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB en dat de CWI op die datum de naam, het adres en de woonplaats van betrokkene heeft geregistreerd. Daarmee heeft betrokkene genoegzaam blijk gegeven van de intentie zich te melden in de zin van artikel 44, tweede lid, van de WWB .

4.6. Voorts staat vast dat aan betrokkene geen aanvraagformulier is uitgereikt. In plaats daarvan is haar een werkaanbod gedaan en de onder 1.1 geciteerde brief van 9 oktober 2008 overhandigd. De vertegenwoordiger van appellant heeft in dit verband ter zitting van de Raad uiteengezet, kort weergegeven, dat als een belanghebbende zich meldt voor een bijstandsaanvraag per direct een dienstverband wordt aangeboden en dat pas een aanvraagformulier wordt uitgereikt indien het werkaanbod niet wordt geaccepteerd. Dit laatste is in het geval van betrokkene niet gebeurd, omdat zij heeft afgezien van het indienen van een aanvraag om bijstand. Betrokkene heeft, aldus appellant, daarvan afgezien nadat haar was voorgehouden dat als ze niet op het werkaanbod in zou gaan, een maatregel zou kunnen volgen.

4.7. Omdat betrokkene dit laatste heeft betwist, ligt het op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat betrokkene uitdrukkelijk en zonder voorbehoud kenbaar heeft gemaakt af te zien van het indienen van een aanvraag om bijstand. Appellant is daarin niet geslaagd. De desbetreffende passage in de rapportage van 10 oktober 2008 is daarvoor onvoldoende.

4.8. Nu betrokkene het oogmerk had een bijstandsaanvraag in te dienen, en zij daar niet uitdrukkelijk van heeft afgezien, had de CWI betrokkene daartoe ook daadwerkelijk in de gelegenheid moeten stellen. Daarbij lag het in de rede betrokkene op de datum van eerste melding bij de CWI (dus op 8 oktober 2008), dan wel tijdens het gesprek op 9 oktober 2008, een aanvraagformulier uit te reiken en met haar een afspraak te maken voor een gesprek, waarin haar aanvraag om bijstand kon worden toegelicht, zonodig kon worden aangevuld en voorts in ontvangst kon worden genomen. De Raad stelt vast dat de CWI een en ander heeft nagelaten. Dit verzuim moet, gelet op het samenstel van de bepalingen als genoemd onder 4.1 tot en met 4.4, waaruit volgt dat de CWI degene die zich meldt voor een bijstandsaanvraag in ieder geval in staat moet stellen een dergelijke aanvraag in te dienen, aan appellant worden toegerekend.

4.9. De Raad is voorts, met de rechtbank, van oordeel dat de brief van betrokkene van 25 februari 2009 niet is te beschouwen als een bezwaarschrift, maar als een verzoek om een primair besluit te nemen.

4.10. De subsidiaire grond van appellant komt erop neer, naar ter zitting van de Raad is gebleken, dat betrokkene kan worden verweten dat zij niet zo spoedig mogelijk nadat zij zich had gemeld een aanvraag heeft ingediend, zodat met toepassing van artikel 44, derde lid, van de WWB kan worden afgeweken van het eerste lid van dit artikel. Gelet echter op hetgeen is overwogen onder 4.6 tot en met 4.8, kan betrokkene ter zake hiervan geen verwijt worden gemaakt. Hier doet niet aan af dat, naar de vertegenwoordiger van appellant ter zitting van de Raad heeft gesteld, betrokkene al eerder bijstand had aangevraagd en dus wist hoe dat moest.

4.11. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 437,--;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 447,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M.van Gorkum.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature