Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank veroordeelt een 65-jarige man voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een geldboete van € 1000 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank acht bewezen dat de man (bestuurder van een auto) in de schemer rechtsaf een inrit wilde oprijden en daarbij een bromfietser heeft aangereden die daarbij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij het opleggen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het ongeval al meer dan een jaar geleden heeft plaatsgehad, alsook met het feit dat de man zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/700514-11

Datum zitting : 10 februari 2012

Datum uitspraak : 24 februari 2012

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 oktober 2010, te Lienden, gemeente Buren,, in elk

geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto) over de voor het openbaar verkeer openstaande weg,

de Papestraat,

roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of

onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

-terwijl het zicht ter plaatse werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd door het ontbreken van (enig) daglicht, en/of

-terwijl hij voornemens was, en/of bezig was een bijzondere manoeuvre uit te

voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, namelijk vanaf een weg een inrit inrijden/oprijden,

op die Papestraat ter hoogte van perceelnummer [nr] een bijzondere manoeuvre,

als bedoeld in artikel 54 van voornoemd Reglement heeft uitgevoerd, namelijk

vanaf die Papestraat een inrit is opgereden, althans is gaan oprijden, en/of

(daarbij) zijn, verdachtes, voertuig naar rechts heeft gestuurd en/of

rechtsaf is geslagen, en/of

(daarbij) een aan de rechterzijde van die Papestraat gelegen

fietssuggestiestrook is opgereden en/of is overgereden, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of achter en/of

naast hem gelegen gedeelte van die Papestraat en/of die fietssuggestiestrook

en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 54 en/of artikel 18 lid 1 van voornoemd

Reglement van een over die fietssuggestiestrook rijdende bromfiets(er) die

over die fietssuggestiestrook rechtdoor reed en/of die zich op dezelfde weg

naast, dan wel rechts en/of links dicht achter hem bevond, niet voor heeft

laten gaan, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

bromfiets(er),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar

lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 13 oktober 2010 te Lienden, gemeente Buren, in elk geval

in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende

op de weg, de Papestraat,

-terwijl het zicht ter plaatse werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd door het ontbreken van (enig) daglicht, en/of

-terwijl hij voornemens was, en/of bezig was een bijzondere manoeuvre uit te

voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, namelijk vanaf een weg een inrit inrijden/oprijden,

op die Papestraat ter hoogte van perceelnummer [nr] een bijzondere manoeuvre,

als bedoeld in artikel 54 van voornoemd Reglement heeft uitgevoerd, namelijk

vanaf die Papestraat een inrit is opgereden, althans is gaan oprijden, en/of

(daarbij) zijn, verdachtes, voertuig naar rechts heeft gestuurd en/of

rechtsaf is geslagen, en/of

(daarbij) een aan de rechterzijde van die Papestraat gelegen

fietssuggestiestrook is opgereden en/of is overgereden, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of achter en/of

naast hem gelegen gedeelte van die Papestraat en/of die fietssuggestiestrook

en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 54 en/of artikel 18 lid 1 van voornoemd

Reglement van een over die fietssuggestiestrook rijdende bromfiets(er) die

over die fietssuggestiestrook rechtdoor reed en/of die zich op dezelfde weg

naast, dan wel rechts en/of links dicht achter hem bevond, niet voor heeft

laten gaan, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

bromfiets(er),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 10 februari 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. De door verdachte daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman mr F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen, heeft namens verdachte het woord ter verdediging gevoerd.

De officier van justitie, mr. K.J.L. de Valk heeft gerekwireerd.

De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 13 oktober 2010 reed verdachte als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, zijnde een Volkswagen Caddy, over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Papestraat te Lienden. Verdachte reed vanuit de richting Lienden. Op de, rechts van deze weg gelegen, fietssuggestiestrook reed in dezelfde richting een bromfietser. Verdachte heeft op het moment dat hij, net buiten de bebouwde kom, op de Papestraat ter hoogte van perceel nummer [nr] reed, naar rechts gestuurd en is de aldaar gelegen fietssuggestiestrook opgereden. Daar heeft er een aanrijding plaatsgehad tussen verdachte en de bromfietser , ten gevolge waarvan deze bromfietser lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een open onderbeen fractuur aan het rechterbeen, waaraan hij geopereerd moest worden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem primair ten laste gelegde, nu verdachte een aanmerkelijke verkeersfout heeft gemaakt door niet in zijn spiegel te kijken alvorens naar rechts te sturen. Het door de aanrijding bij de bromfietser ontstane letsel dient naar de mening van de officier van justitie gekwalificeerd te worden als zodanig letsel dat daaruit de tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn normale bezigheden is ontstaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte gepleit voor vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde, aangezien niet wettig en overtuigend bewezen is dat zijn cliënt aanmerkelijke schuld treft. Volgens de raadsman kan enkel bewezen worden dat zijn cliënt zich heeft schuldig gemaakt aan gevaarzettend gedrag in het verkeer, nu hij heeft gedaan wat van hem in deze situatie verwacht mocht worden. De raadsman gaat er namelijk van uit dat de bromfietser achter zijn cliënt moet hebben gereden omdat het zijns inziens zeer onaannemelijk is dat zijn cliënt de bromfietser niet gezien zou hebben als hij deze ingehaald zou hebben. Voorts heeft zijn cliënt aan de politie verklaard richting te hebben aangegeven en uit het feit dat hij de inrit wilde oprijden kan worden afgeleid dat zijn cliënt vaart heeft geminderd. Tot slot kan er ook van worden uitgegaan dat zijn cliënt in zijn rechter- buitenspiegel heeft gekeken. Met zijn verklaring tegenover de politie, inhoudende dat hij zich niet kon herinneren of hij in zijn spiegel had gekeken, bedoelde zijn cliënt immers niet dat hij niet heeft gekeken, maar meer dat hij altijd kijkt en dit zodanig vanuit een automatisme doet, dat hij zich er niet meer van bewust is.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte reed op de openbare weg en wilde rechtsaf slaan en een inrit oprijden. De rechtbank stelt vast dat verdachte derhalve een bijzondere manoeuvre wilde uitvoeren in de zin van artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en op grond daarvan als bestuurder die van een weg een inrit opreed het overige verkeer diende voor te laten gaan. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte die wilde afslaan, het verkeer dat op dezelfde weg naast, dan wel links of rechts dicht achter hem, eveneens voor diende te laten gaan op grond van artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

De aanrijding tussen de auto van verdachte en de bromfietser heeft plaatsgevonden op de wijze als onder de vaststaande feiten is omschreven. Verdachte heeft verklaard dat hij richting heeft aangegeven naar rechts, om de aan die zijde van de weg gelegen parkeerplaats op te rijden en dat hij zich niet herinnerde of hij tijdens het naar rechts sturen in zijn rechter buiten spiegel heeft gekeken. De bromfietser heeft verklaard ongeveer dertig kilometer per uur of iets meer te hebben gereden, rechtdoor te hebben willen rijden en de auto van verdachte niet eerder te hebben gezien dan op het moment dat de botsing plaatsvond. Uit het voorgaande, in combinatie met de -mede op basis van de geconstateerde schade aan de voertuigen en het aangetroffen bandenspoor- gereconstrueerde botspositie, waaruit is gebleken dat de bromfietser door de rechter zijflank van de voorkant van de auto is geraakt , leidt de rechtbank af dat de bromfietser, die rechtdoor wilde rijden, op het moment van de aanrijding zich rechts dicht naast/achter hem bevond. Voorts oordeelt de rechtbank dat verdachte bij het uitvoeren van de bijzondere manoeuvre deze bromfietser niet heeft laten voorgaan. Verdachte heeft derhalve niet voldaan aan de op hem krachtens de artikelen 18 en 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 rustende verplichtingen.

Uit de Verkeers Ongevals Analyse is voorts gebleken dat het tijdstip van het ongeval 18.15 was, dat het schemerde en dat de straatverlichting niet in werking was. De rechtbank maakt daaruit op dat het licht op het moment van het ongeval beperkt was. Voorts is gebleken dat verdachte in een personenauto reed, waarvan aan beide zijden, vanaf de voorkant gezien, de tweede en de derde zijruiten geblindeerd waren (in het spraakgebruik ook wel genoemd een bedrijfsauto met een grijs kenteken). Gezien bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat op verdachte, naast de op hem rustende plichten voortvloeiende uit het hiervoor genoemde Reglement, een extra zorgplicht rustte om zich ervan te vergewissen dat hij veilig naar rechts kon sturen.

De vraag dient dan ook beantwoord te worden of verdachte heeft voldaan aan deze op hem rustende extra zorgplicht. Uit onderzoek is gebleken dat de spiegels van de auto van verdachte juist afgesteld stonden en dat via de rechter buitenspiegel van de auto de rechtsgelegen fietssuggestiestrook, waarop de bromfietser reed, waargenomen kon worden. Tevens is gebleken dat het uitzicht door de voorruit, de achterruit en de zijruiten van het voertuig niet werd belemmerd. De rechtbank in dan ook van oordeel dat verdachte op het moment dat hij de bijzondere manoeuvre is gaan uitvoeren, de bromfietser had moeten (kunnen) zien. Daarbij is zij van oordeel dat van verdachte verwacht had mogen worden, dat hij in zijn rechter buitenspiegel had gekeken, over zijn schouder had gekeken en zijn auto tot stilstand had gebracht om zich ervan te kunnen vergewissen dat hij veilig de inrit kon oprijden, alvorens hij de stuurbeweging maakte. Zo er al sprake is geweest van een door de raadsman aangevoerd, “uit automatisme in de rechter buitenspiegel kijken” door verdachte, waarvan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende blijkt uit de verklaring van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat in geen geval is gebleken dat verdachte de overige extra voorzorgsmaatregelen die van hem verwacht mochten worden, heeft genomen. De rechtbank is daarom dan ook van oordeel dat verdachte aanmerkelijke schuld treft en dat hij aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden.

Ten aanzien van het letsel van de bromfietser overweegt de rechtbank als volgt.

De officier van justitie en de verdediging zijn van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er bij het slachtoffer sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1995.

Uit de zich in het dossier bevindende geneeskundige verklaring van 9 december 2010 blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer], door de aanrijding een open onderbeen fractuur rechts heeft opgelopen, die gefixeerd diende te worden door een operatie en waarvan de geschatte duur van genezing drie tot zes maanden in beslag zou nemen. De rechtbank kwalificeert dit letsel als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 13 oktober 2010, te Lienden, gemeente Buren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Papestraat, aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of

onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

-terwijl het zicht ter plaatse werd , beperkt of werd gehinderd door het ontbreken van (enig) daglicht, en-terwijl hij voornemens was, en/of bezig was een bijzondere manoeuvre uit te

voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, namelijk vanaf een weg een inrit oprijden,

op die Papestraat ter hoogte van perceelnummer [nr] een bijzondere manoeuvre,

als bedoeld in artikel 54 van voornoemd Reglement heeft uitgevoerd, namelijk

vanaf die Papestraat een inrit is gaan oprijden, en/of

daarbij zijn, verdachtes, voertuig naar rechts heeft gestuurd , en/of

daarbij een aan de rechterzijde van die Papestraat gelegen

fietssuggestiestrook is opgereden, en

daarbij niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of achter en/of

naast hem gelegen gedeelte van die Papestraat en/of die fietssuggestiestrook

en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

daarbij in strijd met artikel 54 en artikel 18 lid 1 van voornoemd

Reglement van een over die fietssuggestiestrook rijdende bromfiets(er) die

over die fietssuggestiestrook rechtdoor reed en die zich op dezelfde weg

naast, dan wel rechts dicht achter hem bevond, niet voor heeft laten gaan, en

vervolgens in aanrijding is gekomen met die bromfiets(er),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar

lichamelijk letsel, werd toegebracht.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 750,- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegheid voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht in de op te leggen straf te verdisconteren dat het feit al lange tijd geleden heeft plaatsgevonden en dat verdachte vervolgens op een zeer korte termijn is gedagvaard. Ook heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte voor zijn werk zijn rijbewijs nodig heeft.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 20 januari 2012 .

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft een ernstige verkeersfout gemaakt waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op de ernst van de fout en de gevolgen acht de rechtbank een geldboete en een voorwaardelijke rijontzegging van na te noemen hoogte op zijn plaats. De rechtbank heeft rekening gehouden met het feit dat het ongeval al meer dan een jaar geleden heeft plaatsgehad, alsook met het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. De door de rechtbank op te leggen straf is hoger dan de door de officier van justitie gevorderde nu de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, wel van oordeel is dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 .

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een betaling van een geldboete van € 1000,- (zegge eenduizend euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van 20 dagen hechtenis.

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door mr. J.W.T.M. Follender Grossfeld, als voorzitter, mr. A.M. van Gorp en mr. C.N. Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Cosijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature