Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Eerzaak. Voorbereiding van moord, meermalen gepleegd; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd; voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III en bijbehorende munitie. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren. De proeftijd wordt op een periode van 5 jaren gesteld, omdat - gelet op het bewezen verklaarde - er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Uitspraak



Sector strafrecht

Parketnummer : 20-002372-11

Uitspraak : 24 februari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 17 mei 2011 in de strafzaak met parketnummer 02-800099-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1943],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is bij akte onbeperkt ingesteld. Blijkens de toelichting van de advocaat-generaal richt het hoger beroep zich niet tegen de vrijspraak van de onder feit 1 impliciet cumulatief tenlastegelegde bedreiging van [A] en [B], gedaan op 24 januari 2011 in het politiebureau te Tilburg. Nu de advocaat-generaal heeft aangegeven geen belang meer te hebben bij een behandeling in hoger beroep van dit feit en het hof geen aanleiding ziet dit feit te onderzoeken, zal het hof het ingestelde hoger beroep op de voet van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de onder 1 ten laste gelegde voorbereiding van moord en de bedreiging bewezen zal verklaren;

- het onder 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren;

- de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan achttien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;

- met als bijzondere voorwaarden:

? reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een behandeling betreffende systeemtherapie in de vorm van een conferentie bij de Eigen Kracht Centrale Brabant;

? een contactverbod ten aanzien van [A];

- het pistool met munitie zal onttrekken aan het verkeer en de onder verdachte in beslag genomen gsm aan hem zal teruggeven.

Namens verdachte is vrijspraak van de onder 1 ten laste gelegde voorbereiding van moord bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 24 januari 2011 te Tilburg ter voorbereiding van het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [A] en/of [B] van het leven te beroven, opzettelijk een pistool en/of (bijbehorende) munitie bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 24 januari 2011 te Tilburg, in elk geval in Nederland, [A] en/of [B] eenmaal of meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [A] en/of [B] dreigend de woorden toegevoegd: "Luister naar mij, ik kom jou en [B] opzoeken. Ik stop jullie in bed en ga jullie allebei neuken en dan snijd ik jullie met een mes in stukjes", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met 24 januari 2011 te Tilburg een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk FN, type 10/22), en/of (bijbehorende) munitie van categorie III, te weten twee scherpe kogelpatronen (merk CBC), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1:

hij in de periode van 27 december 2010 tot en met 24 januari 2011 te Tilburg ter voorbereiding van het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [A] en [B] van het leven te beroven, opzettelijk een pistool en bijbehorende munitie bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;

en

hij in de periode van 27 december 2010 tot en met 24 januari 2011 te Tilburg [A] en

[B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [A] en [B] dreigend de woorden toegevoegd: "Luister naar mij, ik kom jou en [B] opzoeken. Ik stop jullie in bed en ga jullie allebei neuken en dan snijd ik jullie met een mes in stukjes", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 2:

hij in de periode van 27 december 2010 tot en met 24 januari 2011 te Tilburg een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk FN, type 10/22), en bijbehorende munitie van categorie III, te weten twee scherpe kogelpatronen (merk CBC), voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende aangevoerd.

I

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 januari 2011 moet worden uitgesloten van het bewijs. Bij dit verhoor van verdachte is geen tolk aanwezig geweest en verdachte is ook niet in een later stadium in de gelegenheid gesteld via een tolk te reageren op het van dit verhoor opgemaakte proces-verbaal. Verdachte spreekt matig Nederlands en dat is ook door verschillende personen in het (opsporings)onderzoek geconstateerd.

II

Verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde voorbereiding van moord. Verdachte heeft weliswaar een wapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad, maar niet met het doel om zijn dochter en [B] om het leven te brengen. Verdachte heeft dat ook consequent ontkend. Gelet op de voorhanden stukken kan het oogmerk van verdachte niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ad I

Bedoeld proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 januari 2011 is op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1], brigadier, en [verbalisant 2] brigadier. Hierin zijn de bevindingen van de verbalisanten tijdens het verhoor van verdachte neergelegd. Zij vermelden dat verdachte zelf aan gaf dat hij geen tolk wilde. Verdachte zei dat hij goed Nederlands sprak en dat als verbalisanten hem niet goed konden verstaan hij het nog een keer zou uitleggen. Verbalisanten vermelden ook dat hij aan een stuk door blijft praten en dat zij hier bijna niet tussen kunnen komen. Nergens staat dat hij niet goed Nederlands lijkt te spreken of te verstaan. Het hof ziet geen reden om aan deze bevindingen te twijfelen. Hierbij neemt het hof tevens in aanmerking het proces-verbaal van bevindingen van de hierboven genoemde verbalisanten van 14 februari 2011 waarin de gang van zaken tijdens de aanhouding en het verhoor van verdachte op 24 januari nog eens uitvoerig is uiteengezet en waarin de verbalisanten nogmaals vermelden dat verdachte een tolk is aangeboden, waarop verdachte antwoordde dat hij zich goed verstaanbaar kon maken, dat hij ook verbalisanten goed begreep en dat hij zelf zijn verhaal wilde doen. Verdachte was vervolgens bijna non-stop aan het woord en verbalisanten hebben het verhaal dat verdachte in het Nederlands vertelde goed kunnen verstaan en volgen. Met name de omstandigheid dat verdachte eigener beweging heeft verklaard waarbij hij nauwelijks door verbalisanten is onderbroken, maakt dat hij door het ontbreken van een tolk niet tot een andere verklaring is gebracht dan hij zelf wilde. Overigens heeft ook het hof tijdens zijn terechtzitting waargenomen dat verdachte het Nederlands uitstekend verstaat: de enkele keer dat de tolk in zijn ogen zijn verklaring onvoldoende precies in het Nederlands weergaf, corrigeerde hij de tolk onmiddellijk. Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat er geen redenen zijn het proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2011 van het bewijs uit te sluiten. Het hof verwerpt het daarop gerichte verweer.

Ad II

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:

- verdachte heeft in de ten laste gelegde periode een wapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Dit wapen lag in zijn nachtkastje. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij dit wapen reeds vele jaren in zijn bezit had, maar het hof hecht daaraan geen geloof. Verdachtes echtgenote verklaart tijdens haar verhoor op 7 februari 2011 dat zij op 24 januari 2011 een pistool heeft gevonden in het nachtkastje op de slaapkamer. Zij voegt daaraan toe dat het aangetroffen wapen niet langer dan een paar dagen in het nachtkastje kan hebben gelegen omdat zij dat kastje regelmatig schoonmaakt. In een latere verklaring van 21 maart 2011 bevestigt zij dat verdachte eerder een wapen heeft gehad maar verklaart zij dat zij dat wapen heeft weggegooid en dat het wapen dat op 24 januari in beslag is genomen, gelet op kleur en vorm, een ander wapen is dan het wapen dat zij heeft weggegooid. Verder verklaart zij dat zij altijd in huis is en precies weet wat er allemaal in huis ligt. Op grond van de verklaringen van de echtgenote van verdachte die het hof betrouwbaar acht, concludeert het hof dat verdachte het in beslag genomen pistool met munitie slechts een paar dagen voor de inbeslagneming in zijn bezit heeft gekregen;

- verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie d.d. 24 januari 2011 meermalen het voornemen geuit om [A] ([A]) en [B] ([B]) van het leven te beroven;

- de vrouw van verdachte heeft op 7 februari 2011 verklaard dat verdachte in de ten laste gelegde periode verschillende keren tegen haar heeft gezegd dat hij zou afrekenen met [A] en [B];

- de zoon van verdachte, [C], heeft op 14 februari 2011 verklaard dat hij samen met zijn moeder, verdachte in het Huis van Bewaring heeft bezocht op 9 februari 2011. Tijdens dat bezoek heeft verdachte tegen [C] gezegd dat [C] en zijn broer [D] moesten afrekenen met [A] en [B]. Deze verklaring wordt door de echtgenote van verdachte in zoverre bevestigd dat zij op 21 maart 2011 verklaart haar man te hebben bezocht in de gevangenis en haar man toen heel kwaad werd en allemaal slechte dingen over [A] zei. Weliswaar is deze uitlating door verdachte gedaan buiten de tenlastegelegde periode maar deze uitlating ondersteunt andere verklaringen en onderstreept het serieuze karakter van de voorbereiding. Zelfs in de gevangenis is verdachte nog bezig met zijn voornemen om [A] en [B] te (laten) vermoorden;

- verdachte heeft [A] en [B] in de ten laste gelegde periode direct bedreigd hen van het leven te beroven.

Op grond van het vorenstaande, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ter voorbereiding van het voornemen om [A] en [B] met voorbedachten rade van het leven te beroven een wapen en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Voorbereiding van moord, meermalen gepleegd.

en

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie .

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij gelet op:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is;

- de omstandigheid dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Hoewel in het kader van vergelding en generale preventie een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zeker op zijn plaats zou zijn geweest, ziet het hof in de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden reden om, conform de eis van de advocaat-generaal, een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf waaraan bijzondere voorwaarden zullen worden gekoppeld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de strafbare feiten hebben plaatsgevonden binnen de gezinssituatie. Indien verdachte thans opnieuw naar de gevangenis zou moeten, bestaat de vrees dat de verhoudingen binnen het gezin zodanig onder druk komen te staan dat ook de slachtoffers daarbij niet gebaat zullen zijn.

De Reclassering Nederland heeft in haar rapport d.d. 29 april 2011 aangegeven dat toezicht gewenst is en dan met name begeleiding betreffende systeemtherapie in de vorm van een conferentie bij de Eigen-Kracht-Centrale Brabant, waarbij onder begeleiding van een Turkse coördinator gewerkt wordt aan herstel van het gezinssysteem. Een dergelijke begeleiding kan enkel plaatsvinden indien deze gekoppeld kan worden aan een voorwaardelijke straf.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof zal gelet op al het vorenstaande de proeftijd vaststellen op een periode van 5 jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht opleggen. De proeftijd wordt op een periode van 5 jaren gesteld, omdat - gelet op het bewezen verklaarde - er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het onder verdachte in beslag genomen wapen en de bijbehorende munitie zal onttrekken aan het verkeer. Verdachte heeft echter afstand gedaan van deze voorwerpen (pagina 52 van het dossier). Gelet daarop is een beslissing van het hof daaromtrent niet langer vereist.

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet langer verzet, zal het hof gelasten dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven gsm zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 14d, 46, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie , zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat ziet op de onder feit 1 impliciet cumulatief tenlastegelegde bedreiging van [A] en [B], gedaan op 24 januari 2011 in het politiebureau te Tilburg.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 18 (achttien), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland te Breda en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven, ook als dat inhoudt een behandeling betreffende systeemtherapie in de vorm van een conferentie bij de Eigen Kracht Centrale Brabant;

- dat de verdachte gedurende de gehele proeftijd geen contact heeft met zijn dochter [A], aangeefster, behoudens voor zover contact in het kader van een behandeling als bedoeld in de vorige bijzondere voorwaarde nodig en/of wenselijk is.

Geeft eerstgenoemde instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Een gsm, merk Nokia, type 6310i, zilverkleurig.

Aldus gewezen door

mr. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J.J. Horevoorts-Jochems, griffier,

en op 24 februari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature