Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende is een naar Belgisch recht opgerichte in België gevestigde vennootschap met één in Nederland woonachtige werknemer in dienst. Belanghebbende is werkgever als bedoeld in artikel 1 Wfsv , maar geen inhoudingsplichtige in de zin van de Wet LB 1964. Belanghebbende heeft geen inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw ingehouden ten behoeve van de werknemer. Partijen twisten over de uitleg van het begrip "inhoudingsplichtige"in artikel 1, onderdeel k, Wet Zvw. De inspecteur stelt dat een strikt grammaticale uitleg van dit begrip moet worden afgewezen en dat het nimmer de bedoeling is geweest om ïnhoudingsplichtige"te beperken tot de inhoudingsplichtige in de Wet LB 1964. Het Hof oordeelt dat doel en strekking van artikel 1, aanhef en onderdeel k Wet Zvw met zich brengt dat onder inhoudingsplichtige mede moet worden begrepen de werkgever in de zin van de Wfsv. Het beroep op het vertrouwensbeginsel dat belanghebbende doet, verwijzend naar een voorlichtingsbrochure verwerpt het Hof omdat er geen sprake is van een ten aanzien van dit punt bewuste standpuntbepaling. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00091

Uitspraak op het hoger beroep van

de Inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland

hierna: de Inspecteur

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 december 2010, nummer AWB 10/403, in het geding tussen

X N.V. (voorheen XX N.V.),

gevestigd te Y (België),

hierna: belanghebbende

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met aanslagnummer 1 een naheffingsaanslag loonheffing van € 1.944 opgelegd over het tijdvak 2 januari 2006 tot en met 31 december 2006 (hierna: de naheffingsaanslag). Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 297.

1.3. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, en de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag vernietigd.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 september 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is een naar Belgisch recht opgerichte, feitelijk in Y (België) gevestigde, vennootschap die aldaar een onderneming drijft. Belanghebbende beschikt in Nederland niet over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger.

2.2. In 2006 had belanghebbende in Nederland één werknemer in dienst, de heer A, die in het desbetreffende jaar ook in Nederland woonde.

2.3. Belanghebbende is een werkgever als is bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv). Belanghebbende is geen inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964) en heeft zich ook niet als zodanig aangemeld.

2.4. Per 1 januari 2006 is ingevolge de Zorgverzekeringswet (Wet van 16 juni 2005, houdende regeling van een sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking (Zorgverzekeringswet), Staatsblad 2005, 358; hierna: Zvw), de zogenoemde inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekering ingevoerd. Belanghebbende heeft over het onderhavige tijdvak ten behoeve van de heer A geen inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw ingehouden.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.

De Inspecteur is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van het begrip 'inhoudingsplichtige'

4.1. Ingevolge artikel 42 van de Zvw wordt de inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekering over een jaar geheven over het bijdrage-inkomen van dat jaar.

4.2. Het begrip 'bijdrage-inkomen van een jaar' wordt in artikel 43 van de Zvw, voor zover van belang, op de volgende wijze gedefinieerd:

'1. Het bijdrage-inkomen van een jaar is het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de verzekeringsplichtige in dat jaar is genoten aan:

a. belastbaar loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting, verminderd met de ingevolge artikel 46 genoten vergoeding en met uitzondering van loon waarover de belasting op grond van artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 is verschuldigd door de inhoudingsplichtige en het hierdoor voor de werknemer in de zin van die wet ontstane voordeel en vermeerderd met loon, bepaald volgens de regels van artikel 3.82 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ;

(...).'

4.3. Met betrekking tot de wijze waarop de inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekering wordt geheven in geval een verzekeringsplichtige loon geniet in de zin van artikel 43, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Zvw , bepaalt artikel 49, lid 1, van de Zvw :

'1. Voor zover het bijdrage-inkomen bestaat uit loon als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel a, dat van een inhoudingsplichtige wordt genoten, wordt de inkomensafhankelijke bijdrage bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels.

(...).'

4.4. Het begrip 'inhoudingsplichtige' wordt gedefinieerd in artikel 1, aanhef en onderdeel k, van de Zvw :

'In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

k. inhoudingsplichtige: de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 dan wel in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen;

(...).'

4.5. De vraag die partijen verdeeld houdt, betreft de wijze waarop het begrip 'inhoudingsplichtige' in artikel 1, aanhef en onderdeel k, van de Zvw dient te worden uitgelegd. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat doel en strekking van deze bepaling meebrengen dat een strikt grammaticale uitleg moet worden afgewezen en dat zelfstandige betekenis moet worden toegekend aan het tweede zinsdeel van die bepaling, luidende '(...) dan wel in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen'. Naar de mening van de Inspecteur is het bij de keuze van de bewoordingen van artikel 1, aanhef en onderdeel k, van de Zvw nimmer de bedoeling van de wetgever geweest om het begrip 'inhoudingsplichtige' te beperken tot de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet LB 1964, maar daaronder ook te scharen de werkgever in de zin van de Wfsv. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in de Wfsv het begrip 'inhoudingsplichtige' niet voorkomt, zodat hij ook niet kan worden aangemerkt als 'inhoudingsplichtige' in de zin van de Zvw. De in wetgeving en jurisprudentie gedefinieerde begrippen 'werkgever' en 'inhoudingsplichtige' kunnen naar het oordeel van belanghebbende niet dooreen gehanteerd worden, zodat het tweede zinsdeel van artikel 1, aanhef en onderdeel k Zvw ook niet gelezen kan worden als '(...) dan wel werkgever in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen.'

4.6. Naar het oordeel van het Hof brengen doel en strekking van artikel 1, aanhef en onderdeel k, van de Zvw met zich, dat onder de inhoudingsplichtige in de zin van die bepaling mede moet worden begrepen de werkgever in de zin van de Wfsv. Een andere uitleg dan de vorenstaande zou de woorden '(...) dan wel in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen' volstrekt zinledig maken, nu het begrip 'inhoudingsplichtige' als zodanig in de Wfsv niet voorkomt.

4.7. Voor de onder 4.6 gegeven uitleg van het begrip 'inhoudingsplichtige' vindt het Hof steun in de totstandkomingsgeschiedenis van de Zvw. Blijkens de Memorie van toelichting heeft de wetgever aan het begrip 'inhoudingsplichtige' in artikel 1, aanhef en onderdeel k, van de Zvw de betekenis toegekend van

'(...) de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet LB 1964 dan wel in de zin van de Wfsv, dat wil, samengevat, zeggen: werkgevers en instanties die bepaalde uitkeringen verstrekken' (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 763, nr. 3, MvT, blz. 80).

Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel

4.8. Belanghebbende beroept zich voorts op schending van het vertrouwensbeginsel, nu een in november 2005 uitgegeven voorlichtingsbrochure van de Belastingdienst vermeldt dat, indien de werknemer in Nederland woont maar de werkgever in het buitenland is gevestigd, de werkgever in de meeste gevallen geen bijdrage hoeft in te houden. De Inspecteur stelt hier tegenover dat de in november 2005 uitgegeven brochure een algemene brochure van algemene informatieve aard is, zodat aan deze brochure geen rechten en vertrouwen kunnen worden ontleend. Voorts heeft de Belastingdienst in maart 2006 een gerichte informatiebrief aan in het buitenland gevestigde werkgevers verstuurd waarin zij op de hoogte zijn gesteld van de op hen rustende verplichting tot inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekering.

4.9. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de in november 2005 uitgegeven voorlichtingsbrochure van de Belastingdienst een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur bevat, welke inhoudt dat belanghebbende in het onderhavige geval inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage volgens de Zvw achterwege mocht laten. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen.

Conclusie

4.10. Gelet op al het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11. Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Staat inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep van belanghebbende ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Inspecteur

- handhaaft de naheffingsaanslag.

Aldus gedaan op 16 december 2011 door M. van Dun, voorzitter, J. Swinkels en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van, A.W.J. Strik griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature