Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Tussen partijen is in geschil of van belanghebbende een bedrag van € 470,20 aan leges geheven mag worden.

Uitspraak



GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 11/00132

Uitspraakdatum: 21 februari 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met het nummer AWB 10/1098 van de Rechtbank Groningen van 4 maart 2011 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente De Marne, (hierna: de Heffingsambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is, op grond van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2009 van de Gemeente De Marne (hierna: de Verordening), op factuur een bedrag van € 560,90 in rekening gebracht ter zake van een vergunningaanvraag voor het bouwen van een garage en een carport op het perceel a-laan 1 te Z.

1.2 Het tegen deze legesfactuur op 11 maart 2010 ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Groningen (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank (de uitspraak van de Rechtbank vermeldt kennelijk per abuis rechtbank Leeuwarden) heeft het beroep op 4 maart 2011 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de legesnota verminderd tot € 470,20 en de Heffingsambtenaar veroordeeld in de vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht.

1.4 Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Daarna hebben partijen conclusies gewisseld.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 De eerste meervoudige kamer van het Hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 20 december 2011. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende op 6 december 2011 een stuk ingediend. Hierin heeft hij onder andere aangegeven niet te zullen verschijnen ter zitting. Ter zitting is verschenen de Heffingsambtenaar A, bijgestaan door mr. B.

2. Feiten

Het Hof ziet aanleiding de feiten als volgt vast te stellen.

2.1 Op 2 februari 2007 heeft tussen belanghebbende en een medewerker van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht een gesprek plaatsgevonden. In dat gesprek is aangegeven dat belanghebbende op een bepaalde plek van het perceel a-laan 1 te Z de door hem gewenste garage vergunningsvrij mocht bouwen. Voor de carport zijn echter een lichte bouwvergunning en een ontheffing van het geldende bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vereist.

2.2 Bij de behandeling van de aanvraag voor de lichte bouwvergunning voor de carport bleek dat ook voor de garage een lichte bouwvergunning en een ontheffing als bedoeld in 2.1 waren vereist. De garage was op dat moment al geplaatst. De lichte bouwvergunning voor de carport werd geweigerd.

2.3 Op 4 december 2009 heeft belanghebbende een bouwaanvraag ingediend voor de garage en de carport. De garage werd in de aanvraag betrokken teneinde de bouw daarvan te legaliseren. De bouwvergunning is op 28 januari 2010 verleend. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende met betrekking tot die bouwvergunning leges in rekening gebracht. Deze leges bedragen € 560,90. De specificatie daarvan is als volgt:

Bouwleges € 127,40

Advieskosten welstand € 17,50

Procedurekosten € 416,00

Voor de hoogte van de bouwleges is uitgegaan van een bouwsom van de carport en van de garage van in totaal € 7.000.

2.4 De Rechtbank heeft de leges verminderd met € 90,70 door uit te gaan van een bouwsom van € 1.000 voor de bouw van de carport.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen in hoger beroep

3.1 Tussen partijen is in geschil of van belanghebbende een bedrag van € 470,20 aan leges geheven mag worden.

3.2 Elk van de partijen heeft voor zijn standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

3.3 Belanghebbende verzoekt in hoger beroep de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de legesnota te vernietigen.

3.4 De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. De overwegingen omtrent het geschil in hoger beroep

4.1 Ingevolge artikel 2 van de Verordening worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in de Verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

4.2 Uit de Tarieventabel leidt het Hof af dat de Gemeente De Marne de onderhavige leges van belanghebbende heft voor het verstrekken van een dienst die inhoudt het in behandeling nemen van de aanvraag van de onder 2.3 genoemde bouwvergunning.

4.3 In de Tarieventabel behorende bij de Verordening is onder 8.2.3 het tarief ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een lichte bouwvergunning bepaald op 1,82% van de bouwsom met een minimum van € 36,70. In 8.8.4a van de Tarieventabel is opgenomen dat het tarief ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing van het geldende bestemmingsplan als bedoeld in 3.23 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening € 416 bedraagt. Tegen de in rekening gebrachte welstandskosten voert belanghebbende geen afzonderlijke grieven aan, zodat het Hof van de juistheid daarvan uitgaat.

4.4 In het door de Rechtbank vastgestelde legesbedrag van € 470,20 is uitgegaan van bouwsom van € 1.000 voor de carport. In dat bedrag is ook begrepen een bedrag van (eenmaal) € 416. Het door de Rechtbank vastgestelde bedrag ziet slechts op (de aanvraag tot het verkrijgen van een lichte bouwvergunning en een daaruit voortvloeiende aanvraag voor het verkrijgen van een ontheffing van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van) de carport. Voor de legalisatie van de bouw van de garage heeft de Heffingsambtenaar geen leges in rekening gebracht. Voor een verdere vermindering van het door de Rechtbank vastgestelde bedrag biedt de Verordening en de daarbij behorende tarieventabel geen ruimte.

4.5 Belanghebbende is van mening dat een bedrag van € 416 onredelijk hoog is vergeleken met de bouwsom van de carport van € 1.000. Hieromtrent is het Hof van oordeel dat de bevoegdheid tot het vaststellen van tarieven op grond van de artikelen 216 en 217 van de Gemeentewet toekomt aan de raad van de gemeente De Marne. Het staat de belastingrechter niet vrij om over de hoogte van het tarief te oordelen, tenzij het tarief leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing waarop de wetgever bij het aan de lagere overheden toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van belasting niet het oog kan hebben gehad. Deze situatie doet zich hier niet voor.

4.6 Belanghebbende stelt dat de gemeente – naar het Hof begrijpt - in de procedure ter zake van de verleende dan wel geweigerde bouwvergunning in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel en met het zorgvuldigheidsbeginsel. De gemeente zou onjuiste voorlichting hebben gegeven. Wat hiervan ook zij, deze gedragingen kunnen niet leiden tot een vernietiging of verdere vermindering van de onderhavige legesfactuur, nu deze - door belanghebbende als onbehoorlijke geduide - gedragingen van de gemeente niet hebben plaatsgevonden in de procedure van de belastingheffing, maar in de procedure van de aanvraag, verlening of weigering van een bouwvergunning (vgl. HR 22 juli 1982, nr. 21 112, BNB 1983/20).

4.7 Nu de Heffingsambtenaar noch de Rechtbank noch het Hof de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar respectievelijk het beroep en het hoger beroep hebben overschreden, ziet het Hof geen reden om belanghebbendes verzoek om een schadevergoeding te honoreren.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht het Hof geen termen aanwezig.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus vastgesteld op door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma.

De beslissing is op 21 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (P. van der Wal)

Op 22 februari 2012 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende ver-melden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature