Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 28 april 2010 heeft de Belastingdienst het aan [appellant] toegekende voorschot kindertoeslag over het jaar 2008 herzien en vastgesteld op nihil.

Uitspraak



201107168/1/A2.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te 's-Hertogenbosch,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 mei 2011 in zaken nrs. 10/3141 en 10/3143 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst).

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2010 heeft de Belastingdienst het aan [appellant] toegekende voorschot kindertoeslag over het jaar 2008 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 6 mei 2010 heeft de Belastingdienst het aan [appellant] toegekende voorschot kindgebonden budget over het jaar 2009 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 17 mei 2010 heeft de Belastingdienst het aan [appellant] toegekende voorschot kindgebonden budget over het jaar 2010 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft de Belastingdienst de door [appellant] tegen de besluiten van 28 april 2010 en 6 mei 2010 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft de Belastingdienst het door [appellant] tegen het besluit van 17 mei 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 12 en 17 augustus 2010 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 30 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. B.M.A. van Eck en mr. drs. J.H.E. van der Meer, beiden werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget heeft de ouder aanspraak op een kindgebonden budget voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien de artikelen 7, tweede lid, en 7a van die wet niet van toepassing zouden zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Ingevolge artikel 6a, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, wordt, in afwijking van artikel 2, eerste lid, de ouder, bedoeld in dat lid, geacht voor het berekeningsjaar 2008 ongeacht het aantal kinderen één aanspraak te hebben in de vorm van een kindertoeslag, met dien verstande dat die aanspraak geacht wordt te bestaan met ingang van 1 januari 2008, maar niet eerder dan de kalendermaand na de maand waarin het oudste kind is geboren dan wel tot zijn huishouden gaat behoren, tot en met 31 december 2008, maar uiterlijk tot en met de kalendermaand waarin het jongste kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 1 4;

b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 2 0;

c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 2 8;

d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 3 3;

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en 33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

i. (…);

j. (…);

k. (…);

l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

m. (…).

Ingevolge artikel 10, eerste lid, kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, zijn de aanspraken van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in overeenstemming met de aard van het verblijf. Tenzij bij of krachtens het wettelijk voorschrift waarop de aanspraak is gegrond anders is bepaald, is daarbij het tweede lid van toepassing.

Ingevolge het tweede lid kan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, aanspraken maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, indien hij:

a. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a, tot en met e en l;

b. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder f, g, h, en een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift, waarin aanspraken van deze vreemdelingen zijn neergelegd;

c. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder i tot en met k, voor de aanspraken die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.

Artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 (hierna: het IVRK) luidt als volgt:

"1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht."

Artikel 26 luidt als volgt:

"1. De Staten die partij zijn, erkennen voor ieder kind het recht de voordelen te genieten van voorzieningen voor sociale zekerheid, met inbegrip van sociale verzekering, en nemen de nodige maatregelen om de algehele verwezenlijking van dit recht te bewerkstelligen in overeenstemming met hun nationale recht.

2. De voordelen dienen, indien van toepassing, te worden verleend, waarbij rekening wordt gehouden met de middelen en omstandigheden van het kind en de personen die verantwoordelijk zijn voor zijn of haar onderhoud, alsmede iedere andere overweging die van belang is voor de beoordeling van een verzoek daartoe dat door of namens het kind wordt ingediend."

Artikel 27 luidt als volgt:

"1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.

4. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders of andere personen die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind dragen, zowel binnen de Staat die partij is als vanuit het buitenland. Met name voor gevallen waarin degene die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere Staat woont dan die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding tot internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke overeenkomsten, alsmede het treffen van andere passende regelingen."

2.2. De Belastingdienst heeft de voorschotten kindertoeslag en kindgebonden budget van [appellant] over de jaren 2008 onderscheidenlijk 2009 en 2010 herzien en vastgesteld op nihil, omdat hij in die jaren geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Daaraan heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat uit de van de Immigratie- en Naturalisatiedienst ontvangen gegevens blijkt dat [appellant] vanaf 16 maart 2004 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens verblijfstitelcode 98 was toegekend, hetgeen betekent dat hij geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 van de Vw 2000 .

De rechtbank heeft overwogen dat, daargelaten of door [appellant] voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van verblijfstitelcode 98 zijn aangedragen, zijn betoog dat hij in de jaren 2008, 2009 en 2010 rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder g en h, van de Vw 2000 er niet toe leidt dat hij over die jaren aanspraak heeft op kindertoeslag en kindgebonden budget, omdat hij niet voldoet aan de bijkomende voorwaarde van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 . Voorts is de herziening van de voorschotten tot nihil niet in strijd met de artikelen 3, 26 en 27 van het IVRK , omdat de bestreden besluiten geen besluiten betreffen ten aanzien van kinderen en deze bepalingen geen normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar zijn, aldus de rechtbank.

2.3. [appellant] voert aan dat hij in de jaren 2008, 2009 en 2010 rechtmatig verblijf had in Nederland ingevolge artikel 8, aanhef en onder g en h, van de Vw 2000 . Hij betoogt dat de rechtbank, daarvan uitgaande, heeft miskend dat hiermee een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds Nederlanders en vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben ingevolge artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw 2000 en anderzijds vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben ingevolge artikel 8, aanhef en onder g en h, van de Vw 2000 . Hij heeft daarbij ter zitting gewezen op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarin het verbod op discriminatie is neergelegd. Hij heeft in dat verband voorts gesteld dat hij al meer dan twintig jaar merendeels - met instemming van het bevoegd gezag - rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

2.3.1. Niet in geschil is dat [appellant] geen verblijfstitel heeft gehad als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw 2000. Hij heeft, naar gesteld, tijdens de in geding zijnde periode rechtmatig verblijf hier te lande gekend ingevolge artikel 8, aanhef en onder g en h, van de Vw 2000 . Om in die situatie aanspraak te kunnen maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan, moest hij voldoen aan de in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 gestelde voorwaarde dat hem een aanspraak als bedoeld in die bepaling was toegekend. [appellant] heeft ter zitting bij de rechtbank erkend dat hij niet aan deze voorwaarde heeft voldaan en hij is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat hij aan artikel 11 van de Vw 2000 geen aanspraak kan ontlenen op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

2.3.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het koppelingsbeginsel, dat aan de uitsluiting van aanspraken op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen - in dit geval een aanspraak op kindertoeslag of kindgebonden budget - ten grondslag ligt, voldoende rechtvaardiging vormt voor het onderscheid tussen vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben ingevolge artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw 2000 en vreemdelingen die dat verblijf ontlenen aan artikel 8, aanhef en onder g en h, van die wet.

Het koppelingsbeginsel heeft tot doel te voorkomen dat illegale vreemdelingen door de ontvangst van uitkeringen en verstrekkingen in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijk verblijf of het verwerven van de schijn van legaliteit. Daarnaast is het erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling 'in procedure' voor een verblijfsvergunning gaandeweg in staat blijkt een zodanig sterke rechtspositie op te bouwen - of de schijn van een dergelijke positie - dat hij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijkt (zie Kamerstukken II, 1994/95, 24 233, nr. 3, blz. 2). Onder verwijzing naar de uitspraak van 22 december 2010 in zaak nr. 200909234/1/H2 overweegt de Afdeling dat gezien het met het koppelingsbeginsel nagestreefde doel, dit beginsel op zichzelf een redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt voor het gemaakte onderscheid tussen enerzijds een Nederlander of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw 2000 en anderzijds een vreemdeling - zoals [appellant] - aan wie een zodanig verblijfsrecht (nog) niet is toegekend en die daarover in een procedure verkeert, en aldus geen strijd met artikel 26 van het IVBPR oplevert. Dit kan in zeer bijzondere gevallen mogelijk anders zijn, maar van een dergelijk bijzonder geval is in de situatie van [appellant] uit hetgeen hij daarover heeft gesteld, niet gebleken.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de herziening van de kindertoeslag en het kindgebonden budget in strijd is met de artikelen 3, 26 en 27 van het IVRK . De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de bij haar bestreden besluiten niet zijn genomen jegens kinderen. Het gaat hier om een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten van kinderen, waarop niet een kind zelf maar een ouder, in dit geval [appellant], voor een kind aanspraak kan hebben. De ouder is de begunstigde. Onder verwijzing naar de uitspraken van 13 juni 2007, in zaak nr. 200607475/1, en van 13 juli 2011, in zaak nr. 201007252/1/H2, overweegt de Afdeling voorts, met de rechtbank, dat de artikelen 3 en 27 van het IVRK geen normen bevatten die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij daarvoor niet voldoende concreet zijn en derhalve nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving behoeven. Zoals de Afdeling eveneens heeft overwogen in evengenoemde uitspraak van 13 juni 2007 heeft Nederland het voorbehoud gemaakt dat artikel 26 van het IVRK geen zelfstandig recht van kinderen op sociale zekerheidsvoorzieningen, met inbegrip van sociale verzekeringsuitkeringen, inhoudt.

2.5. Nu [appellant] in de jaren 2008, 2009 en 2010 geen aanspraak had op kindertoeslag en kindgebonden budget, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst bevoegd was de toegekende voorschotten te herzien en vast te stellen op nihil en aan die bevoegdheid toepassing heeft kunnen geven. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

18-710.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature