Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 15 december 2010, nr. 119, heeft de raad het bestemmingsplan "Stedelijke Gebieden Gemert-Bakel - herziening oktober 2010" vastgesteld.

Uitspraak



201102396/1/T1/R3.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A]k en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te [woonplaats], gemeente

Gemert-Bakel,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente

Gemert-Bakel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2010, nr. 119, heeft de raad het bestemmingsplan "Stedelijke Gebieden Gemert-Bakel - herziening oktober 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2011, en [appellant sub 2] en anderen bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen en [belanghebbenden] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende], hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2011, waar [appellant sub 1B], bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Verkoijen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. F.T.H. Branten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [directeur], en bijgestaan door mr. P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg, en [gemachtigde], verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: WRvS), voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] richten zich in beroep tegen deelplan 6 "[belanghebbende]-Milheeze". Zij betogen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf - BTC" ten onrechte voorziet in een uitbreiding in westelijke richting van een ter plaatse gevestigde betoncentrale. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] voeren hiertoe aan dat het plan is vastgesteld in strijd met de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de verordening ruimte (tweede fase)), omdat niet wordt onderbouwd dat er aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot uitbreiding ter plaatse. [appellant sub 1] stelt in dit verband verder dat niet voldoende is onderbouwd dat voldaan wordt aan het in de verordening ruimte (tweede fase) neergelegde vereiste dat het bedrijf niet kan worden verplaatst. Volgens hem kan het door ETIN Adviseurs opgestelde rapport "Bedrijfseconomische gevolgen voor bedrijfsverplaatsing" (hierna: het ETIN-rapport) van 14 maart 2008 daarvoor niet als afdoende onderbouwing gelden.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voldoet aan de in de verordening ruimte (tweede fase) neergelegde vereisten. Het plan is aangepast naar aanleiding van de zienswijze van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant. De onderbouwing van het deelplan gaat volgens de raad voldoende in op de uitbreiding van de betoncentrale in relatie tot de verordening ruimte (tweede fase). De raad stelt zich voorts op het standpunt dat voldoende alternatieve locaties zijn onderzocht en besproken en dat de ruimtelijke economische belangen daarbij voldoende zijn afgewogen.

2.2.2. Anders dan partijen kennelijk menen was ten tijde van de planvaststelling nog de Verordening ruimte Noord-Brabant van kracht, zoals deze luidde na de wijziging van 1 juli 2010 (hierna: de verordening ruimte eerste fase). Voor zover in dit geval relevant komt de inhoud van de verordening ruimte eerste fase overeen met de verordening ruimte (tweede fase).

2.2.3. Ingevolge artikel 2.1.9, eerste lid, van de verordening ruimte eerste fase sluiten bestemmingsplannen die zijn gelegen in het bestaand stedelijk gebied in een landelijke regio uit dat bedrijven behorend tot de milieucategorie 2 en hoger, een kavelgrootte hebben groter dan 5.000 m².

Ingevolge het derde lid kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in een regeling op grond waarvan een kavelgrootte boven 5.000 m² ten behoeve van uitbreiding van een bestaand bedrijf dan wel de vestiging van een nieuw bedrijf wordt toegestaan indien de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

Ingevolge het vierde lid blijkt uit de in het derde lid bedoelde verantwoording dat:

a. reële mogelijkheden ontbreken om op het in gebruik zijnde perceel tegemoet te komen aan de ruimtebehoefte door middel van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 2.1. 7, derde lid;

b. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot uitbreiding of vestiging ter plaatse;

c. reële mogelijkheden ontbreken om het bedrijf te verplaatsen naar of te vestigen op:

1. een bestaand bedrijventerrein in een nabij gelegen stedelijke regio, of

2. een nabijgelegen bovenregionaal bedrijventerrein, of

3. wat betreft gemeenten in de landelijke regio's Land van Heusden en Altena, De Kempen en Land van Cuijk, een regionaal bedrijventerrein, of

4. als laatste mogelijkheid, enig ander bestaand bedrijventerrein in de eigen gemeente.

2.2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat door het plan het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf - BTC" een totale oppervlakte krijgt van 13.720 m².

2.2.5. Uit de plantoelichting blijkt dat het ETIN-rapport is opgesteld om de bedrijfseconomische gevolgen van bedrijfsverplaatsing in kaart te brengen. In het ETIN-raport staat dat voor een ontwikkeling van het bedrijf op een nieuw ingerichte bedrijfslocatie, een aanzienlijk hoger bedrag moet worden geïnvesteerd. Volgens het rapport lijkt dat een onmogelijke opgave. Ook ligt het niet in de verwachting dat de bedrijfsverplaatsing leidt tot een stimulering van het bedrijfseconomisch resultaat van het bedrijf. De bedrijfsverplaatsing leidt niet tot een verbetering van de (geografische) concurrentiepositie ten opzichte van andere centrales, aldus het ETIN-rapport. Daarnaast blijkt uit de plantoelichting dat het bedrijf belangrijk is voor de werkgelegenheid in de omgeving en voor sponsoring. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat verscheidene bedrijfslocaties zijn onderzocht, maar dat deze ongeschikt waren. Verder is verscheidene keren overleg gevoerd met het provinciebestuur en [belanghebbende] en is de conclusie getrokken dat bedrijfsverplaatsing niet mogelijk is.

Gelet op het vorenstaande is het standpunt van de raad dat geen reële verplaatsingsmogelijkheden bestaan niet onredelijk. In zoverre faalt het betoog van [appellant sub 1].

2.2.6. In de plantoelichting is een verwijzing opgenomen naar bijlage 6 bij het bestemmingsplan. In deze bijlage wordt ten aanzien van de vraag welke aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot uitbreiding uitsluitend vermeld dat [belanghebbende] verwacht ook in de toekomst te blijven groeien en door nu te investeren het bedrijf kan bijblijven in de zeer concurrerende bouwmarkt. Deze niet nader onderbouwde passage toont echter de noodzaak tot uitbreiding in ruimtelijke zin niet aan.

Gelet hierop is de verantwoording voor de noodzaak tot uitbreiding als bedoeld in artikel 2.1.9, vierde lid, onder b, van de verordening ruimte eerste fase onvoldoende. De hierop betrekking hebbende betogen van [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] slagen.

2.3. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van geluidoverlast. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] hebben daarbij gewezen op de overlast die ontstaat door verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten van de betoncentrale en de verwijdering van een geluidsscherm. Zij betwisten, onder verwijzing naar een op 6 mei 2011 door HMB B.V. opgestelde akoestische beoordeling (hierna: het rapport HMB), de juistheid van het aan het plan ten grondslag gelegde akoestische rapport "[belanghebbende]" van Agel adviseurs van 16 februari 2009 (hierna: het Agel-rapport). Verder voeren zij aan dat, voor zover het akoestisch rapport al juist zou zijn, het plan niet garandeert dat de geluidwerende maatregelen, die in dat onderzoek worden beschreven, ook daadwerkelijk worden getroffen.

2.3.1. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uit het Agel-rapport en een aanvullend rapport van Agel van 29 november 2011 blijkt dat de beoogde uitbreiding geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat voor omwonenden met zich brengt. De uitbreiding van het bedrijfsperceel en de herinrichting daarvan zorgen er juist voor dat de woonomgeving minder wordt belast dan in de huidige situatie.

2.3.2. De conclusie van het Agel-rapport is dat, om te kunnen voldoen aan de doelstelling dat ter plaatse van de bestaande woningen, gelegen aan de zuid- en westzijde van de betoncentrale, geen relevante toename van de geluidbelasting zal plaatsvinden, aanvullende geluidbeperkende maatregelen getroffen dienen te worden zoals het gedeeltelijk overkappen van de zand- en grindopslag en het afschermen van de laadplaats van de betonmixers om te kunnen voldoen aan geluidsvoorschriften die in overeenstemming zijn met de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

Zoals de voorzitter reeds heeft overwogen bij uitspraak van 24 juni 2011, in zaak nr. 201102396/2/R3 maken de planregels de ten behoeve van de afscherming benodigde betonnen muur met een hoogte van 3 m met daarbovenop een schuin omhoog lopende overkapping niet mogelijk, omdat ter plaatse, aan de zuidzijde van het perceel nabij de perceelsgrens, een bouwhoogte van maximaal 3 m geldt.

Weliswaar wordt in het aanvullende rapport van Agel uitgegaan van een gewijzigde bedrijfsopzet, waarbij geluidhinder veroorzakende handelingen op een ander perceelsgedeelte plaatsvinden en de routing over het perceel wordt aangepast, maar ook in dit rapport wordt de conclusie getrokken dat de geluidhinder bij een aantal woningen zal toenemen. Het enkele ter zitting ingenomen standpunt van de raad en [belanghebbende] dat de geluidsituatie ter plaatse kan worden verbeterd zonder dat daarvoor het plan behoeft te worden aangepast, is niet nader onderbouwd.

De hierop betrekking hebbende betogen van [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] slagen.

2.4. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf - BTC", niet berust op een deugdelijke motivering, zodat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.5. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de WRvS op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen in 2.2.6 en 2.3.2 alsnog deugdelijk te motiveren welke ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn noodzaken tot uitbreiding van de betoncentrale en alsnog te onderbouwen dat door de gewijzigde bedrijfsopzet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gegarandeerd dan wel het besluit te wijzigen door de vaststelling van een andere planregeling, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

2.6. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Tevens zullen in de einduitspraak, gelet op de samenhang met de geconstateerde gebreken, de overige beroepsgronden van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] worden besproken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Gemert-Bakel op om binnen drie maanden na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van hetgeen is overwogen in 2.2.6 en 2.3.2 alsnog deugdelijk te motiveren welke ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn noodzaken tot uitbreiding van de betoncentrale, alsmede alsnog te onderbouwen dat door de gewijzigde bedrijfsopzet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gegarandeerd dan wel het besluit te wijzigen door de vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

- de Afdeling van de uitkomsten en van het eventuele nieuwe besluit mededeling te doen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

45-662.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature