Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

psychische decompensatie van verkeersslachtoffer. Onzekerheid over de vraag of die psychische decompensatie als ongevalsgerelateerd is aan te merken.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 447771 / HA ZA 10-72

Vonnis van 9 november 2011

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VALUTA SPEELAUTOMATEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. G.C. Endedijk,

tegen

[A],

wonende te --,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. E.G.M. van den Heuvel.

Partijen zullen hierna London c.s. en [A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 maart 2011 met de daarin vermelde stukken en/of proceshandelingen,

- de akte na tussenvonnis, tevens akte houdende vermeerdering van eis van [A], met producties,

- de antwoordakte.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in zowel conventie als reconventie

2.1. Gelet op hetgeen partijen over en weer van elkaar hebben gevorderd ziet de rechtbank aanleiding om de conventie en de reconventie ook in dit vonnis tegelijk te behandelen.

2.2. Bij voormeld tussenvonnis is (in rechtsoverweging 5.12) overwogen dat [A] aanspraak heeft op vergoeding van één derde deel van zijn schade. Voorts is [A] toegelaten tot het nemen van een akte waarin hij een nadere opstelling en onderbouwing van de door hem gevorderde schade diende te verstrekken.

2.3. Hierop heeft [A] bij akte na tussenvonnis zijn eis vermeerderd in die zin dat hij naast het bedrag van € 500.439,14 en bijkomende kosten, die reeds in de oorspronkelijke eis in reconventie waren gevorderd, thans ook vergoeding vordert van de volgende posten:

- verlies arbeidsvermogen 2010 € 80.000,=

- verlies arbeidsvermogen toekomst met een looptijd

van 13 jaar 8.8646 x € 80.000,= € 709.168,=

- kosten fysiotherapie t/m februari 2011 € 34.810,=

- aanvulling smartengeld € 50.000,=

- rente over smartengeld tot en met 1 mei 2011 € 26.832,14

- rente over smartengeld vanaf 1 mei 2011 p.m.

2.4. Het bij eis in reconventie door [A] gevorderde bedrag van € 500.439,14 bestaat uit:

* Rapport [C] (van 27 februari 2008) € 248.753,=

* Voorschot 24-uurs zorg eerste half jaar € 33.500,=

* Deurwaarderskosten € 641,54

* Verlies arbeidsvermogen over 2008 en 2009 € 160.000,=

* Voorschot smartengeld € 50.000,=

* Rente smartengeld p.m.

* Kosten rechtsbijstand tot aan het moment

dat een aanvang is gemaakt met de werkzaamheden

m.b.t. het kort geding (nota van 14 april 2009) € 7.544,60

Totaal € 500.439,14

In totaal bedraagt de vordering van [A] dus, kort gezegd: € 1.401.249,28.

2.5. De rechtbank stelt voorop dat uitgangspunt vormt dat de rechter op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. De benadeelde dient feiten te stellen waaruit, in het algemeen, het geleden zijn van schade kan worden afgeleid. Heeft hij daaraan voldaan, dan kan de rechter in beginsel zonder nader bewijs uitgaan van het bestaan van schade en deze vervolgens met inachtneming van de aard daarvan -indien nodig-, door schatting bepalen.

De rechtbank zal de verschillende door [A] gevorderde posten hierna achtereenvolgens behandelen.

2.6. [A] heeft bij akte na tussenvonnis verder nog betoogd dat hij de reeds jarenlang gemaakte kosten in verband met zijn verzorging door [B] zal opvoeren in de schadestaat. Ten aanzien daarvan heeft te gelden dat de rechtbank bij tussenvonnis van 16 maart 2011 [A] in de gelegenheid heeft gesteld een nadere opstelling en onderbouwing van zijn schade te verstrekken. Dit betekent dat de rechtbank de begroting van de schade aan zich houdt en dat er voor verwijzing naar de schadestaatprocedure in beginsel geen plaats is. Dat desondanks sprake zou zijn van omstandigheden die verwijzing naar de schadestaatprocedure zouden rechtvaardigen is gesteld noch gebleken.

Schade uit rapport [C]

2.7. In het rapport zijn de volgende posten berekend:

Verlies van arbeidsvermogen 2006 € 63.365,=

Verlies van arbeidsvermogen 2007 € 80.124,=

Carry Back Inkomstenbelasting € 15.770,= -/-

Toekomstige schade p.m.

Opvangkosten t/m 2007 € 87.774,=

Verzorgingskosten t/m 2007 € 27.500,=

PGB 2007 € 17.752,= -/-

Toekomstige verzorgingskosten p.m.

Deskundigenkosten t/m 2007 € 15.235,=

Kosten fysiotherapie t/m 2007 € 6.240,=

Delairessekliniek € 432,=

Reparatiekosten auto € 1.605,=

Kosten medisch advies p.m.

Wettelijke rente __p.m._________

Totale schade € 248.753,=

Verlies arbeidsvermogen

2.8. Uitgangspunt dient te zijn dat de vraag, of [A] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord door een vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij het wegdenken van het ongeval. Daarbij komt het aan op de redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen; aan de benadeelde die blijvende letselschade heeft opgelopen mogen daarbij geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs.

2.9. Blijkens de jaarrekeningen van [A] bedroeg de winst (omzet minus kosten) uit onderneming (de eenmanszaak van [A] met als bedrijfsomschrijving dameskapsalon en het verhuren van gokautomaten) over de jaren 2003 (indien de rekenfout in de jaarrekening 2003 wordt geëlimineerd) € 37.060,=, 2004 € 50.803,=, en over 2005 € 54.068,=, derhalve gemiddeld € 47.310,33 per jaar. De rechtbank acht dit, nu het de laatste drie jaren betreft voorafgaand aan het ongeval, een relevante representatieve periode voor vaststelling van de ontwikkeling van het bedrijfsresultaat van [A]. Dat het bedrijfsresultaat van [A] in 2007 en daarna significant zou stijgen, zoals in het rapport [C] tot uitganspunt wordt genomen, kan -zonder nadere toelichting, die ontbreekt- niet worden gevolgd. De rechtbank zal dan ook uitgaan van het bedrag aan winst (vóór belasting) van € 47.310,33 per jaar.

2.10. Het betoog van London c.s. dat niet het hele inkomen uit onderneming van [A] na het ongeval is weggevallen omdat de exploitatie van een deel van de onderneming (voorzover het de verhuur van gokkasten betrof) feitelijk door [B] werd verricht en dat de exploitatie van de gokkasten dus niet door de ongevalsgevolgen in gevaar is gebracht, wordt niet gevolgd. Exploitatie van gokkasten behoorde tot de activiteiten van de onderneming van [A], ookal werden de daarmee samenhangende feitelijke inspanningen door [B] verricht. Vaststaat dat [A] niet meer tot loonvormende arbeid in staat is. In de stellingen van London c.s. en in de stukken is geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat [A] desondanks na het ongeval nog inkomsten uit de exploitatie van gokkasten ten goede komen.

Datum pensioen [A]

2.11. [A] heeft betoogd dat er van uit dient te worden gegaan dat hij wegens gebrek aan pensioenvoorzieningen en uit liefde voor zijn vak zonder ongeval zou hebben doorgewerkt tot zijn 75ste jaar. In dat kader heeft [A] zijn vordering vermeerderd met het verlies van arbeidsvermogen over 2010, en tevens over de 13 jaar daarna. Een en ander is door London c.s. gemotiveerd betwist.

2.12. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de psychische toestand van [A] voor het ongeval niet tot uitgangspunt kan worden genomen dat hij, het ongeval weggedacht, zou hebben doorgewerkt tot zijn 75ste jaar. Naast de fragiele geestelijke toestand van [A] is het kappersvak ook nog eens een fysiek inspannend vak. De rechtbank acht het meer waarschijnlijk dat [A] hooguit zou hebben doorgewerkt tot zijn 67ste levensjaar en zal daar dan ook bij het berekenen van zijn schade als gevolg van verlies van verdienvermogen vanuit gaan.

2.13. Aangezien [A] is geboren op 14 augustus 1948 en het ongeval heeft plaatsgevonden op 28 februari 2006, dient -gelet op hetgeen hiervoor is overwogen- te worden gerekend met een periode van 9 jaar aan verlies verdienvermogen.

Conclusie verlies arbeidsvermogen

2.14. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt er toe dat aan [A] wegens verlies van arbeidsvermogen een bedrag toekomt van € 47.310,33 aan winst vóór belasting minus de daarover af te dragen belasting van € 18.185,58 overeenkomstig de toepasselijke belastingschijven is € 29.124,75, vermenigvuldigd met 9 jaar is € 262.122,75, welk bedrag contant gemaakt (rente 3%) € 200.895,26 oplevert, waarvan London c.s. een derde deel dienen te vergoeden, zijnde een bedrag van € 66.965,09.

Fysiotherapie

2.15. London c.s. stellen dat de kosten van fysiotherapie kunnen worden voldaan uit het persoonsgebonden budget (hierna: PGB) van [A]. Bovendien ontbreekt volgens London c.s. de medische noodzaak voor fysiotherapie. [A] wordt drie maal per week, driemaal de duur van een normaal consult behandeld door De Wal, zonder dat hier, aldus London c.s., een medische indicatie aan ten grondslag ligt.

2.16. [A] heeft in het geheel niet gesteld en tegenover het verweer van London c.s. op enigerlei wijze onderbouwd dat de kosten van fysiotherapie ongevalgerelateerd zijn. Een dergelijke onderbouwing is des te noodzakelijker gelet op het bij tussenvonnis vastgestelde ongevalgerelateerde letsel, dat psychisch van aard is. De rechtbank zal de vordering van [A] op dit punt dan ook afwijzen.

Opvangkosten t/m 2007 € 87.774,= (rapport [C]) en verzorgingskosten t/m 2007

€ 27.500,= (rapport [C])

2.17. Als toelichting bij de opvangkosten is in het rapport [C] (paragraaf 5.1) vermeld dat [A] kort na het ongeval bij [B] is gaan wonen. [B] heeft de zorg voor [A] op zich genomen. Dit houdt in dat hij hem rijdt naar de diverse behandelend artsen en toeziet op de medische behandeling en begeleiding van [A]. Voor de bemoeienissen van [B] heeft [A] een vergoeding verstrekt ter hoogte van het reguliere maandinkomen van [B] van € 3.741,= bruto. Voor 2007 is uitgegaan van 12 x het bruto maandloon, inclusief de kosten van de zorgverzekering zijn de jaarlasten aldus € 48.034,=.

2.18. Als toelichting bij de verzorgingskosten vermeldt het rapport van [C] (paragraaf 5.2) dat deze betrekking hebben op het inhuren van “een mevrouw” die niet alleen zorgdraagt voor het wassen en strijken van de kleding, respectievelijk het onderhoud van de kamer van [A], maar eveneens aanwezig is op de momenten dat [B] niet beschikbaar is. Voorts wast zij [A] en draagt zij zorg voor het bereiden van zijn eten. Over de periode maart 2006 tot en met ultiomo 2007 bedragen deze kosten 22 x € 1.250 =

€ 27.500,=. Aan de verzorgster wordt € 10,= per uur betaald. Aldus [A].

2.19. London c.s. betogen dat ten aanzien van een aantal van deze kosten heeft te gelden dat deze uit het inkomen van [A] dienen te worden voldaan. Die kosten had [A] voor het ongeval immers ook al. Een vergoeding voor zowel verlies van arbeidsvermogen als kosten voor normaal levensonderhoud zou dubbelop zijn, aldus nog steeds London c.s. Voorts betogen London c.s. dat de kosten gemaakt voor de verzorging van [A] uit zijn PGB voldaan dienen te worden. Bovendien zijn deze kosten niet onderbouwd. Onduidelijk is waar de vergoeding voor [B] op is gebaseerd en ook waarom daarnaast nog extra verzorgingskosten voor “een mevrouw” dienen te worden vergoed, aldus steeds London c.s.

2.20. De rechtbank overweegt als volgt. Ter onderbouwing van de opvang- en verzorgingskosten heeft [A] slechts het rapport [C] in het geding gebracht. Op hetgeen London c.s. daartegen hebben aangevoerd heeft [A] niet gereageerd. Nu [A] daartoe in het tussenvonnis van 16 maart 2011 nadrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, heeft te gelden dat [A] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist hetgeen door London c.s. naar voren is gebracht. Het voorgaande betekent dat de door [A] opgevoerde posten zullen worden afgewezen.

Deskundigenkosten t/m 2007 € 15.235,= (rapport [C])

2.21. Dit bedrag bestaat blijkens de toelichting in het rapport van [C] (paragraaf 5.4) uit:

- advocatenkantoor [D] € 7.524,07

- [C] Expertisebureau b.v. € 7.710,61.

2.22. London c.s. voeren aan dat zij vermoeden dat de post “advocatenkantoor [D]” kosten betreft ter zake van het eerste kort geding. Deze kosten kunnen niet worden vergoed, omdat die kosten niet buitengerechtelijk zijn. De kosten van Bureau [C] komen evenmin voor vergoeding in aanmerking, omdat die niet voldoen aan de eisen van artikel 6:96 BW. De inspanningen van Bureau [C] zijn niet anders dan als een samenvatting van het standpunt van [A] te beschouwen, en dat is reden noch rechtvaardiging om de kosten daarvan op London c.s. af te wentelen, aldus steeds London c.s.

2.23. De rechtbank overweegt als volgt. [A] heeft in het geheel niet onderbouwd waar de gevorderde posten op zien. Aldus heeft [A] niet voldaan aan zijn stelplicht en zal zijn vordering op dit punt worden afgewezen.

Delairessekliniek € 432,= (rapport [C])

2.24. Blijkens het rapport van [C] betreft dit een nota van 20 februari 2007.

2.25. London c.s. hebben bij dagvaarding de verschuldigdheid van dit bedrag betwist -bij gebrek aan wetenschap-, alsmede het causaal verband met het ongeval. London c.s. wijzen er op dat door [A] niet wordt uitgelegd waarop deze factuur ziet en waarom deze zou moeten worden vergoed door London c.s.

2.26. Op hetgeen London c.s. hebben gesteld ten aanzien van deze factuur heeft [A], hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd. Aldus is de rechtbank van oordeel dat [A] zijn standpunt onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd en zal de vordering van [A] op dit punt worden afgewezen.

Reparatiekosten auto € 1.605,= (rapport [C])

2.27. Blijkens het rapport van [C] zijn dit diverse nota’s voor autoreparatie. Bij akte van 13 april 2011 heeft [A] als productie 41 in het geding gebracht een nota ter zake de reparatie van de auto voor een bedrag van € 1.355,01. Als omschrijving staat op de factuur “REP.ACHTERSCHADE”. De factuurdatum is 13 maart 2006.

2.28. London c.s. hebben bij dagvaarding het bestaan van causaal verband tussen de reparatiekosten van de auto en het ongeval betwist. De door London c.s. ingeschakelde expert ITEB concludeerde dat als gevolg van het ongeval geen schade aan de auto was ontstaan. Ten aanzien van de aangetroffen schade aan de achterbumper was volgens deze expert duidelijk dat deze reeds langere tijd aanwezig was. [A] heeft daarop op 29 mei 2006 zijn auto laten onderzoeken door een schade-expert van CED Bergweg. In het rapport van de door [A] inschakelde expert wordt geconcludeerd dat er een scheur zat in de achterbumper van [A]. Daarop heeft London om een reactie van haar expert gevraagd. In een aanvullend rapport komt de expert van London tot de conclusie dat de scheur in de achterbumper mogelijk na het ongeval is ontstaan.

2.29. De rechtbank overweegt als volgt. London c.s. hebben gemotiveerd gesteld dat er geen sprake was van schade aan de auto van [A] als gevolg van het ongeval. Hierop heeft [A] niet, anders dan door het overleggen van een factuur van 13 maart 2006, gereageerd. Nu de expert van London kort na het ongeval nauwelijks beschadigingen aan de achterbumper van de auto van [A] heeft waargenomen, is zonder nadere toelichting van [A] -die ontbreekt- niet te begrijpen waarom door de door [A] inschakelde expert een scheur aan de achterkant van de auto is waargenomen. In het licht van het voorgaande dient het ervoor te worden gehouden dat de auto van [A] als gevolg van het onderhavige ongeval niet noemenswaardig is beschadigd, en zal de vordering van [A] in zoverre worden afgewezen.

Voorschot 24-uurs zorg eerste half jaar € 33.500,=

2.30. London c.s. stellen dat het onduidelijk is waar het voorschot 24-uurszorg voor het eerste half jaar op ziet. Bij gebrek aan een duidelijke specificatie kan deze vordering volgens London c.s. niet worden toegewezen.

2.31. De rechtbank zal deze vordering van [A] afwijzen en overweegt daartoe als volgt. [A] heeft deze post niet onderbouwd anders dan door een uitdraai van een website waarop de algemene kosten van 24-uurs zorg zijn omschreven. Dit is onvoldoende om aannemelijk te maken dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt of dat daar noodzaak toe bestaat. Nu deze post door London c.s. gemotiveerd is betwist, had het op de weg van [A] gelegen deze kosten van een afdoende toelichting te voorzien. Nu [A] zulks heeft nagelaten zal deze post worden afgewezen.

Immateriële schadevergoeding (€ 100.000,=)

2.32. In het tussenvonnis van 16 maart 2011 is overwogen (zie rechtsoverwegingen 5.6, 5.7 en 5.12) dat [A] toen het ongeval hem trof, in een psychisch kwetsbare positie verkeerde. [A] had zich in verband daarmee ook onder behandeling gesteld van een psychiater. Blijkens het rapport van dr. [E] zijn er aanwijzingen dat [A] zich voor het ongeval met een geforceerde ontkenning van zijn problemen en beperkingen krampachtig probeerde staande te houden. De kwalificatie door de behandelend psychiater van de psychische toestand van [A] voor het ongeval als “marginaal” wordt door dr. [E] als gerechtvaardigd aangemerkt. De reeds voor het ongeval aanwezige marginale psychische toestand van [A] is na het ongeval verslechterd en hij is na het ongeval psychisch gedecompenseerd. [A] is sinds zijn ontslag uit het ziekenhuis (alwaar hij drie dagen heeft verbleven in verband met een hersenschudding) bij [B] woonachtig omdat hij niet voor zichzelf kan zorgen. Zijn arbeidszame leven heeft hij na het ongeval niet kunnen voortzetten. In het licht van al deze omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van

€ 15.000,= aan immateriële schade billijk. Nu in het tussenvonnis tevens is overwogen dat [A] recht heeft op vergoeding van een derde deel van zijn schade, betekent dit dat hem een bedrag toekomt van € 5.000,= .

2.33. De wettelijke rente over voornoemd bedrag zal worden toegewezen vanaf datum ongeval, zijnde 28 februari 2006.

Deurwaarderskosten van € 641,54

2.34. De rechtbank begrijpt uit hetgeen [A] heeft betoogd dat deze post bestaat uit het verschil tussen het bedrag dat London c.s. op basis van het tweede kort geding vonnis aan [A] verschuldigd waren en het uiteindelijk daadwerkelijk door [A] ontvangen bedrag. Deze post zal worden afgewezen nu het een vordering betreft waarvoor reeds een executoriale titel in de vorm van het kortgeding vonnis bestaat. Dit bedrag kan niet opnieuw in de onderhavige procedure worden gevorderd.

Kosten rechtsbijstand

2.35. Dit betreft volgens de vordering van [A] een nota van 14 april 2009 met betrekking tot kosten rechtsbijstand tot aan het moment dat een aanvang is gemaakt met de werkzaamheden met betrekking tot het kort geding.

2.36. London c.s. betogen dat deze post onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd is en dat deze daarom dient te worden afgewezen.

2.37. De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere toelichting die ontbreekt, de door [A] gevorderde kosten voor rechtsbijstand niet toewijsbaar zijn.

P.M. posten

2.38. Voorzover [A] “p.m.” posten heeft opgevoerd (anders dan die ten aanzien van de wettelijke rente) zullen deze worden afgewezen. [A] is immers bij tussenvonnis van 16 maart 2011 in de gelegenheid gesteld zijn schade nader te onderbouwen. Voor de posten die zijn omschreven met “p.m.” heeft te gelden dat deze onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd zijn gebleven, terwijl evenmin is toegelicht waarom de omvang van die posten thans niet kan worden becijferd.

2.39. Het voorgaande betekent dat [A] een bedrag van € 66.965,09 + € 5.000,= in totaal € 71.965,09 toekomt waar op de reeds door London betaalde voorschotten (zie hierna) in mindering dienen te worden gebracht.

in conventie

2.40. London c.s. hebben gevorderd dat [A] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van de reeds door London betaalde voorschotten van € 65.001,72. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal deze vordering worden afgewezen nu [A] na aftrek van de betaalde voorschotten nog recht heeft op betaling van € 71.965,09 minus € 65.001,72 =

€ 6.963,37, welk bedrag in reconventie zal worden toegewezen.

In conventie en in reconventie

2.41. Nu beide partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

3.3. veroordeelt London c.s. om aan [A] te betalen een bedrag van EUR 6.963,37 (zesduizend negenhonderddrieenzestig en zevenendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 28 februari 2006 tot de dag van volledige betaling,

3.4. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen en in het openbaar uitgesproken op 9 november.?


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature