Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vordering tot revindicatie van schilderij

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 483947 / HA ZA 11-634

Vonnis van 7 december 2012

in de zaak van

1. [A],

wonende te --,

2. [B],

wonende te --,

3. [C],

wonende te --,

4. [D],

wonende te --,

5. [E],

wonende te --,

6. [F],

wonende te --,

7. [G],

wonende te --,

eisers,

advocaat mr. A. Heijder te Amsterdam,

tegen

[H],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. P.W.L. Russell te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de erven [I] en [H] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 februari 2011;

- de akte overlegging producties aan de zijde van de erven [I];

- de conclusie van antwoord;

- het vonnis van 1 juni 2011, waarbij een comparitie is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie van 28 september 2011 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eisers zijn de erfgenamen van de op 14 augustus 2008 overleden [I] ([I] sr.).

2.2. Op 16 maart 1990 heeft [I] sr. van Kunsthandel [J] ([J]) te Ommen het schilderij ‘Stilleven van fruit en bloemen’ van Jan Sluijters (het Schilderij) gekocht.

2.3. Het Schilderij is op 23 maart 1990 door [J] getaxeerd op NLG 340.000,-.

2.4. Op 29 december 1994 heeft [I] sr. het Schilderij in bezit gesteld van kunsthandelaar [K] van Art International te Arnhem ([K]), met de opdracht voor het Schilderij een koper te vinden.

2.5. [K] heeft het Schilderij niet aan [I] sr. teruggegeven. Nadat [I] sr. niets meer van [K] had vernomen, heeft hij op 20 april 2006 aangifte tegen [K] gedaan wegens oplichting. [K] is hiervoor veroordeeld, maar is tot op heden (ook voor justitie) onvindbaar.

2.6. Op 20 november 2010 is het Schilderij gesignaleerd op de kunst- en antiekbeurs Pan te Amsterdam, waar het namens [H] te koop werd aangeboden door Kunsthandel Rueb te Amsterdam voor een koopsom van € 260.000,-.

2.7. Het Schilderij is, nadat het op de Pan Amsterdam was gesignaleerd door justitie, in beslag genomen en in bewaring gesteld bij het Stedelijk Museum te Amsterdam. Voorts is op 14 januari 2011 door de erven [I] conservatoir beslag gelegd op het schilderij, met aanstelling van het Stedelijk Museum als gerechtelijk bewaarder. Het strafrechtelijk beslag op het schilderij is inmiddels opgeheven.

3. Het geschil

3.1. De erven [I] vorderen, samengevat, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

1. te verklaren voor recht dat het Schilderij in eigendom toebehoort aan de erven [I];

2. [H] te veroordelen tot afgifte van het Schilderij aan de erven [I] (voor zover medewerking van [H] daarvoor noodzakelijk is) op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat [H] hieraan geen medewerking verleent;

3. [H] te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van beslaglegging en de bewaring door het Stedelijk Museum daaronder begrepen.

3.2. De erven [I] stellen daartoe, zakelijk weergegeven, dat [H] het Schilderij heeft verkregen van een onbevoegde vervreemder en daarbij niet te goeder trouw was. Volgens de erven [I] is [I] sr. altijd eigenaar van het Schilderij gebleven en is deze eigendom na zijn overlijden op hen overgegaan, zodat zij thans gerechtigd zijn afgifte van het Schilderij te vorderen.

3.3. [H] voert als verweer primair aan dat hij eigenaar is geworden van het Schilderij, omdat dit volgens artikel 3:84 van het Burgerlijk Wetboek (BW) krachtens een geldige titel (koop) aan hem geleverd is door een beschikkingsbevoegde (te weten [J], die het Schilderij destijds via [K] van [I] sr. heeft teruggekocht). [K] was volgens [H] immers bevoegd het Schilderij aan [J] te verkopen, althans [J] had geen redenen om hieraan te twijfelen. Subsidiair voert [H] aan dat ook indien zou komen vast te staan dat [J] niet bevoegd was het Schilderij te verkopen, de overdracht aan hem op grond van artikel 3:86 BW geldig is, omdat [H] geen reden had om te twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van [J]. Meer subsidiair stelt [H] zich op het standpunt dat [I] sr. de eigendom van het Schilderij heeft verloren doordat [K] dit op grond van de aan hem verstrekte consignatieovereenkomst voor [I] sr. heeft verkocht, te weten aan [J]. Dat [K] wellicht de koopsom niet aan [I] sr. heeft afgedragen, doet daar niet aan af en regardeert [H] niet. Aldus steeds [H].

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank neemt bij de beoordeling tot uitgangspunt dat het Schilderij, toen het in november 2010 op de Pan te Amsterdam werd aangetroffen, in bezit was van [H]. [H] wordt daarom op grond van artikel 3:119 BW tevens vermoed rechthebbende op het Schilderij te zijn. Het is daarmee aan de erven [I] om te stellen en (zo nodig) bewijzen dat zij een beter recht hebben op het Schilderij dan [H].

4.2. Op grond van artikel 3:84 BW kan de eigendom van een onroerende zaak worden overgedragen door een levering, krachtens een geldige titel, verricht door iemand die bevoegd is over het goed te beschikken. Door deze overdracht verliest de eigenaar de eigendom. Artikel 3:86 BW bepaalt dat ondanks onbevoegdheid van de vervreemder de overdracht rechtsgeldig is, indien deze anders dan om niet is geschied en de verkrijger te goeder trouw is.

4.3. Voor de onderhavige zaak brengt dit, gezien de stellingen van partijen, met zich dat indien het Schilderij conform de vereisten van artikel 3:84 BW door [K] (namens [I] sr.) is verkocht en overgedragen aan [J] (of een ander) de erven [I] geen eigenaar van het Schilderij zijn. Bovendien kan [H] in geval van beschikkingsonbevoegdheid van [J] (of een andere vervreemder) toch eigenaar van het Schilderij zijn geworden, indien komt vast te staan dat dit anders dan om niet aan hem is overgedragen en hij te goeder trouw was. In dat geval wordt hij immers beschermd door artikel 3:86 BW .

Bevoegde verkoop door [K] aan [J]?

4.4. [H] heeft als verweer aangevoerd dat [I] sr. de eigendom over het Schilderij indertijd heeft verloren, omdat [I] sr. het Schilderij aan [K] in consignatie heeft gegeven met de opdracht dit te verkopen, waarna [K] het Schilderij heeft verkocht aan [J], die het Schilderij op zijn beurt weer aan [H] heeft doorverkocht. Met deze bevoegde verkoop van het Schilderij door [K] aan [J] is [I] sr. de eigendom over het Schilderij reeds kwijtgeraakt, aldus [H].

4.5. De erven [I] hebben hierop ter comparitie verklaard dat [K] geen volmacht had om het Schilderij namens [I] sr. te verkopen en dat het ondenkbaar is dat [J], gezien zijn contacten met [I] sr., op dit punt te goeder trouw was. Bovendien stellen zij zich – bij gebrek aan wetenschap over de feitelijke gang van zaken – op het standpunt dat het Schilderij ook niet ten titel van koop door [K] is overgedragen aan [J].

a. Bevoegdheid?

4.6. De erven [I] stellen dat [K] geen volmacht had om het Schilderij namens [I] sr. te verkopen en terzake dus niet beschikkingsbevoegd was.

4.7. [H] voert als verweer aan dat [K] wel degelijk de opdracht had het Schilderij voor [I] sr. te verkopen. [I] sr. had volgens [H] financiële problemen en moest het Schilderij noodgedwongen verkopen. Hij heeft het Schilderij dan ook aan [K] in consignatie afgegeven ten behoeve van de verkoop. Dat [K] een volmacht had van [I] sr. om het Schilderij te verkopen, blijkt ook uit het proces-verbaal van de aangifte tegen [K] en de dagvaarding gaat daar eveneens van uit. [K] was derhalve beschikkingsbevoegd om het Schilderij te verkopen, aldus [H].

4.8. De rechtbank overweegt dat de erven [I] in de dagvaarding zelf stellen dat het Schilderij “op 29 december 1994 door [I] sr. in bezit is gesteld van [K], met de opdracht voor het Schilderij een koper te vinden.”

In het proces-verbaal van de aangifte door [I] sr. tegen [K] wegens oplichting verklaart [I] sr. verder: “In 1994 had ik in mijn bezit een groot schilderij van JAN SLUYTERS (…) [K] bood mij aan dit schilderij te verkopen, in consignatie. [K] heeft dit schilderij nooit afgerekend met mij. Ik geef u een foto van het schilderij mee en een copie van het consignatie contract, gedateerd 30 december 1994. (…)”.

Ten slotte heeft [H] onbetwist aangevoerd dat [I] sr. wegens geldproblemen gedwongen was tot verkoop van zijn schilderijen over te gaan.

4.9. Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling van de erven [I] dat [K] niet beschikkingsbevoegd was om het Schilderij namens [I] sr. te verkopen onvoldoende onderbouwd. De rechtbank leidt – bij gebreke van een nadere toelichting, die ontbreekt – uit het overwogene in r.o. 4.8 af dat sprake was van een opdracht van [I] aan [K] tot verkoop. Het had op de weg van de erven [I] hun stelling dat - desondanks - [K] niet (dan wel geclausuleerd) bevoegd was het Schilderij te verkopen en over te dragen nader te onderbouwen. Bij gebreke daarvan slaagt het verweer van [H] dat [K] (namens [I]) bevoegd was tot verkoop en overdracht van het Schilderij.

b. Verkoop?

4.10. De erven [I] stellen voorts dat het Schilderij niet ten titel van koop aan [J] is overgedragen, zodat [J] geen eigenaar is geworden van het Schilderij en terzake niet beschikkingsbevoegd was. Volgens de erven [I] waren [K] en [J] goede bekenden van elkaar en zijn zij onderling ‘meer transacties’ aangegaan, op grond waarvan ‘te betwijfelen valt of sprake is geweest van een koopovereenkomst. Bovendien heeft [J] in een eerste contact met de erven [I] aangegeven dat hij ‘niet meer wist’ hoe het Schilderij in zijn bezit was gekomen. De erven [I] vermoeden daarom dat hij de aankoop via [K] pas later heeft geconstrueerd. Dit verklaart ook de lage aankoopprijs die [H] voor het Schilderij zegt te hebben betaald, aldus nog steeds de erven [I].

4.11. [H] heeft als verweer aangevoerd dat er – voor zover hij weet – sprake is geweest van een koopovereenkomst tussen [K] en [J]. [J] heeft een goede reputatie en heeft het Schilderij ook niet voor een te lage prijs aan [H] doorverkocht. De veilingprijs van het Schilderij was in 1989 NLG 130.000,- en dit geldt als marktprijs. De door [J] in 1998 bedongen prijs van NLG 145.000,- was dus redelijk. De taxatie van het Schilderij in 1990 door [J], heeft op verzoek van [I] sr. plaatsgevonden ten behoeve van diens verzekering. Dit zegt weinig tot niets over de marktwaarde. Bovendien had [J] sr. financiële problemen, waardoor hij het Schilderij noodgedwongen moest verkopen, hetgeen invloed heeft gehad op de prijs. Aldus steeds [H].

4.12. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens het onder 4.8 en 4.9 overwogene heeft als uitgangspunt te gelden dat [I] sr. het Schilderij aan [K] ter hand heeft gesteld met de opdracht hiervoor een koper te vinden. [I] sr. maakte bij de aangifte tegen [K] aan hem immers het verwijt dat [K] de verkoopprijs niet aan hem had afgedragen. Dit veronderstelt dat ook [I] sr. ervan uit ging dat het Schilderij door [K] is verkocht. De erven [I] trekken thans in twijfel of er wel sprake is geweest van een verkoop door [K] aan [J]. Zij laten daarbij (bij gebrek aan wetenschap) in het midden of het Schilderij door middel van een diefstal, verduistering of overdracht om niet bij [J] terecht is gekomen. De erven [I] onderbouwen hun stelling dat geen sprake is geweest van een koopovereenkomst slechts met (verder niet geconcretiseerde) vermoedens. Voor zover het vermoeden van de erven [I] berust op de (in verhouding tot de taxatie) lage verkoopprijs door [J], is dit gemotiveerd weerlegd door [H], waarna de erven [I] hun stellingen niet nader hebben gespecificeerd, hetgeen wel op hun weg had gelegen. Voor zover het vermoeden van de erven [I] berust op de door hen gestelde ‘dubieuze contacten’ tussen [K] en [J], had van de erven [I] tenminste mogen worden verwacht hier een nadere invulling aan te geven. Voor zover het voor hen niet mogelijk was hun vermoedens te concretiseren, lag het op hun weg nader onderzoek te doen, zo nodig middels een voorlopig getuigenverhoor. Nu de erven [I] dit hebben nagelaten, hebben zij hun stelling dat er geen verkoop van het Schilderij heeft plaatsgevonden tussen [K] en [J] onvoldoende onderbouwd. Dit brengt met zich dat aan bewijslevering van deze stelling niet wordt toegekomen.

4.13. Het voorgaande brengt tevens met zich dat de erven [I], in het licht van het verweer van [H] dat [I] sr. de eigendom van het Schilderij (reeds) had verloren door de verkoop door [K] aan [J], onvoldoende hebben gesteld dat zij een beter recht op het Schilderij hebben dan [H]. Aan de stelling van de erven [I] dat [H] het Schilderij niet te goeder trouw van [J] heeft gekocht, wordt daarom niet meer toegekomen. De vorderingen van de erven [I] worden afgewezen.

4.14. De erven [I] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [H] worden begroot op:

- griffierecht € 258,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.162,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen van de erven [I] af,

5.2. veroordeelt de erven [I] in de proceskosten van [H], tot op heden berekend op € 1.162,00,

5.3. verklaart dit vonnis, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature