Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering WAO-uitkering. De bezwaarverzekeringsarts heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat nader medisch onderzoek van appellant in Nederland door een internist, een orthopeed en een psychiater noodzakelijk wordt geacht om de belastbaarheid te kunnen beoordelen. Nu appellant aan de oproep voor die onderzoeken geen gehoor heeft gegeven, heeft het Uwv terecht de aanspraken op uitkering van appellant op WAO-uitkering buiten aanmerking gelaten.

Uitspraak



11/1753 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2011, 10/1381 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 1 februari 2012.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2011. Namens appellant is mr. C.T.W. van Dijk, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 27 mei 2003 geweigerd aan appellant met ingang van 20 september 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Bij besluit van 21 januari 2004 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 november 2005 heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard in verband met schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het besluit van 21 januari 2004 vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

1.2. Hangende het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van 2 november 2005 heeft het Uwv bij brief van 1 april 2008 meegedeeld dat het besluit van 21 januari 2004 niet langer wordt gehandhaafd en dat ter voorbereiding van een nieuw besluit op bezwaar onderzoek van appellant in Marokko door de CNSS noodzakelijk wordt geacht. Na kennisname van de resultaten van dat onderzoek heeft bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar in zijn rapportage van 6 augustus 2009 aangegeven dat aanvullend medisch onderzoek in Nederland noodzakelijk wordt geacht. Bij brief van 6 januari 2010 is appellant opgeroepen voor onderzoeken bij een internist en een orthopeed op 15 februari 2010 en voor een onderzoek bij een psychiater op 17 februari 2010, alsmede voor een spreekuur bij de bezwaarverzekeringsarts op 16 februari 2010. Daarbij is appellant erop gewezen dat, wanneer hij niet op deze oproepen verschijnt, de gevraagde WAO-uitkering op grond van artikel 30a van de WAO zal worden geweigerd.

1.3. Bij besluit van 24 februari 2010 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 mei 2003 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportages van bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar van 6 augustus 2009 en van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 17 februari 2010, ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 30a van de WAO het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld omdat appellant niet heeft meegewerkt aan het noodzakelijk geacht medisch onderzoek en dat mitsdien besloten is zijn eventuele aanspraken op uitkering ingevolge deze wet op en na 20 september 1993 buiten aanmerking te laten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in het bestreden besluit onder meer heeft verwezen naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 6 augustus 2009, welke rapportage zorgvuldig is gemotiveerd, en dat daaruit blijkt van de noodzaak tot een (nader) medisch onderzoek van appellant in Nederland. Volgens de rechtbank is het aan het Uwv om te bepalen of een medisch onderzoek noodzakelijk is, hetgeen met genoemde rapportage voldoende inzichtelijk is onderbouwd. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de oproepen voor meerdere deskundige onderzoeken in Nederland in februari 2010. Appellant is op geen van deze onderzoeken verschenen, noch heeft het Uwv van de gemachtigde van appellant enig bericht ontvangen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant heeft geweigerd mee te werken aan het noodzakelijk geacht medisch onderzoek en dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Volgens de rechtbank heeft het Uwv dan ook terecht aan appellant een WAO-uitkering geweigerd.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts geen onderbouwing wordt gegeven voor de noodzaak van een psychiatrisch onderzoek en een onderzoek bij een internist in Nederland. Indien met de uit Marokko verkregen gegevens de vragen van de bezwaarverzekeringsarts niet zijn beantwoord, hadden deze vragen volgens appellant alsnog aan de CNSS dienen te worden voorgelegd. Bovendien is het volgens appellant nog maar zeer de vraag of er nog relevante (nadere) gegevens kunnen worden verkregen wat betreft zijn arbeids(on)geschiktheid per datum in geding. Evenmin is volgens appellant aangegeven waarom het onderzoek per sé in Nederland zou moeten plaatsvinden.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Blijkens de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar van 6 augustus 2009 heeft hij kennis genomen van de medische stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de totstandkoming van het besluit van 21 januari 2004, alsmede van een rapportage van de CNSS van 24 april 2009 en de in verband daarmee verrichte psychiatrische expertise van 21 april 2009 en de medische verklaring van een neuropsychiater van 25 maart 2009. Op basis van deze gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat in de rapportage van de CNSS geen uitspraak wordt gedaan over de belastbaarheid van appellant op de datum in geding en dat het psychiatrisch onderzoek was gericht op de medische situatie in 2009, terwijl geen belastbaarheid is vastgesteld door middel van het vereiste formulier MN 214. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat de CNSS appellant - anders dan in het verleden - reisvaardig heeft geacht, zij het onder begeleiding. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd dat nader medisch onderzoek van appellant in Nederland door een internist, een orthopeed en een psychiater noodzakelijk wordt geacht om de belastbaarheid per 19 september 1993 te kunnen beoordelen. Nu appellant aan de oproep voor die onderzoeken geen gehoor heeft gegeven, heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht de aanspraken op uitkering van appellant op WAO-uitkering op en na 20 september 1993 met toepassing van artikel 30a van de ze wet buiten aanmerking gelaten. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

4.2. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) Z. Karekezi.

TM


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature