Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Werkgeefster is een instelling voor cultuureducatie en amateurkunst. Haar grootste inkomstenbron is subsidie. De gemeenten die subsidie verstrekten hebben de subsidie ernstig verminderd. Als gevolg daarvan moet werkgeefster reorganiseren. Zij doet dat door 10 fte te laten verdwijnen. Werkgeefster heeft in de zomer van 2011 aan acht werknemers deeltijdontslag aangezegd per 1 december 2012. Omdat dat ontslag vernietigbaar is (er is geen vergunning van het UWV) vraagt zij de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werknemer kan geen verwijt worden gemaakt, en de werkgever vindt de voorzieningen van haar sociaal plan een billijke vergoeding.

Artikel 7:685 van het BW houdt in dat ieder der partijen bij een arbeidsovereenkomst ten allen tijden gerechtigd is om ontbinding van die arbeidsovereenkomst te verzoeken. Dat het sociaal plan wel de mogelijkheid noemt van ontslag met een ontslagvergunning van het UWV en niet de mogelijkheid van ontbinding door de kantonrechter, maakt niet dat werkgever afstand heeft gedaan van haar recht om de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.

Dat ontbinding wordt verzocht op een langere termijn maakt het verzoekschrift niet niet-ontvankelijk omdat partijen ten alle tijden gerechtigd zijn het verzoek te doen. Of de ontbinding langere termijn plaats kan vinden is een inhoudelijke vraag.

Werkgever is ontvankelijk.

werknemer heeft de door werkgever gestelde financiële problemen niet betwist. Daarom staat in rechte vast hetgeen werkgever omtrent haar financiële situatie heeft gesteld. De kantonrechter is van oordeel dat de financiële situatie van werkgever een verandering in de omstandigheden betreft die de gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer rechtvaardigt.

Dat werkgever de ontbinding verzoekt per 1 december 2012 (ruim een jaar na de indiening van het verzoek) maakt in dit specifieke geval geen verschil. Werkgever zou ook gerechtigd zijn de arbeidsovereenkomst per eerdere datum te doen ontbinden omdat haar financiële positie daartoe noopt. Dat zij haar werknemers op een fatsoenlijke wijze probeert te behandelen door rekening te willen houden met de re-integratiefase kan er niet toe leiden dat zij daardoor de overeenkomst met werknemer niet zou kunnen ontbinden.

Opzegtermijnen zijn niet van toepassing op het ontbindingsverzoek van artikel 7:685 van het BW . Daarom treft de stelling van werknemer dat de arbeidsovereenkomst pas per 15 maanden na de datum van deze beschikking zou kunnen worden ontbonden geen doel.

Hoewel het in de lijn der verwachtingen ligt dat de financiële situatie eerder zal verslechteren dan verbeteren omdat werkgever inmiddels van vier gemeenten bericht heeft gekregen dat zij met ingang van 2013 helemaal geen subsidie meer van hen zal ontvangen, staat niet vast dat de financiële situatie van werkgever op 1 december 2012 niet zodanig kan zijn verbeterd dat het dienstverband van werknemer in zijn geheel kan worden behouden. Werkgever heeft op de mondelinge behandeling ook aangegeven dat het haar bedoeling is om het dienstverband in zijn geheel te behouden als dat financieel en qua hoeveelheid werk mogelijk is. Daarom zal de kantonrechter aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst de voorwaarde verbinden dat die ontbinding niet van kracht zal worden indien de financiële situatie van werkgever op 1 december 2012 zodanig is verbeterd dat het dienstverband van werknemer in zijn geheel kan worden behouden en er voldoende werk voor werknemer voorhanden is om dat dienstverband in zijn geheel te behouden.

De kantonrechter ziet met betrekking tot het vaststellen van de vergoeding geen reden om ten aanzien van werknemer af te wijken van de voorzieningen in het sociaal plan. Het sociaal plan is het onderhandelingsresultaat van overleg tussen de ondernemingsraad, de vakbonden en werkgever en geeft in de onderhavige omstandigheden weer wat een billijke ontslagvoorziening is in het kader van de reorganisatie van werkgever. Daar komt bij dat er rechtsongelijkheid zou ontstaan tussen werknemer en de collega's van het onderwijzend personeel die zonder tussenkomst van de kantonrechter of het UWV Werkbedrijf worden ontslagen en aan wie de voorzieningen van het sociaal plan toekomen. Daarom zal naast de voorzieningen van het sociaal plan geen aparte billijke vergoeding worden toegekend.

Uitspraak



RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Kanton, locatie Boxmeer

Zaaknummer : 791861

EJ verz. : 11 - 108

Uitspraak : 16 januari 2012

in de zaak van:

Stichting Kunstencentrum De Meander,

gevestigd te Boxmeer,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.E. Stefels,

t e g e n :

[verweerder],

wonende te [adres],

verweerder,

gemachtigde: mr. M.H. Dedding.

Partijen worden hierna aangeduid als "De Meander" en "[verweerder]".

1. De procedure

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank, sector kanton, locatie

's-Hertogenbosch, op 9 november 2011, heeft De Meander primair verzocht om per 1 december 2012 de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voor 0,23 fte te ontbinden en subsidiair verzocht om de arbeidsovereenkomst geheel te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 december 2011. Partijen hebben hun standpunten nader laten toelichten door hun gemachtigden. Na gevoerd debat is beschikking bepaald.

2. Inleiding

2.1. Tussen partijen bestaat een arbeidsovereenkomst. [verweerder] is sedert 1 januari 1989 in dienst van De Meander, laatstelijk als docent tekenen en schilderen voor 0,37 fte en als medewerker communicatie voor 0,53 fte, tegen een bruto salaris (exclusief vakantiegeld) van € 3153,64 per maand. [verweerder] is thans 52 jaar oud.

2.2. De Meander grondt het verzoek op de stelling dat er gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, bestaande in veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

2.3. Ter toelichting op deze stellingname heeft De Meander, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.

2.3.1. De Meander heeft tot doel de bevordering, uitvoering en ondersteuning van cultuureducatie en amateurkunst in de breedste zin van het woord, het ontwikkelen en uitvoeren van lessen en cursussen op het gebied van muzikale, dansante en beeldende vorming en het uitvoeren van onderdelen van het gemeentelijk cultuurbeleid. Sinds 1995 is De Meander een privaatrechtelijke stichting. In 2007 is De Meander in statutair, bestuurlijk en financieel opzicht losgemaakt van de gemeenten waarmee zij was verbonden. Het personeel dat toen bij De Meander werkte bleef aanspraak houden op de voorzieningen in de CAR-UWO. Nieuw personeel valt onder de CAO- kunsteducatie.

2.3.2. De Meander wordt grotendeels door de overheid gefinancierd. De gemeente Boxmeer is haar grootste subsidieverstrekker. Daarnaast ontvangt De Meander inkomsten uit entreegelden, cursistenbijdragen, lesgelden, gelden uit overige activiteiten en gelden uit sponsoring en donaties. In maart 2010 heeft de gemeente Boxmeer medegedeeld dat zij haar subsidie ernstig zou verminderen. De subsidie zou in 2011 worden verminderd van € 678.000,00 naar € 244.000,00. Vier andere gemeenten hebben ook medegedeeld de subsidiekraan grotendeels dicht te draaien. De Meander verwacht dat zij vanaf 2011 35% van haar subsidie zal kwijtraken. Om levensvatbaar te blijven is een fundamentele herstructurering van de organisatie noodzakelijk.

2.3.3. De Meander heeft reorganisatieplannen gemaakt op basis waarvan 10 fte moet verdwijnen. Zij heeft dat in overleg met de ondernemingsraad en de vakbonden gedaan. De Meander heeft de personele consequenties als volgt uitgewerkt. Zij heeft haar personeel onderverdeeld in de onderdelen onderwijzend personeel en onderwijsondersteunend personeel.

2.3.4. Het onderwijzend personeel is ingedeeld naar het betreffende instrument. Vervolgens is het totaal op dat instrument te bezuinigen percentage verdeeld over de in die instrumentsgroep werkzame personen aan de hand van het afspiegelingsbeginsel. Als gevolg daarvan verliezen veel docenten een vrij geringe aantal uren per persoon en komen zij in aanmerking voor deelontslag. Omdat het onderwijzend personeel van het BBA is uitgesloten is daarvoor geen toestemming van het UWV Werkbedrijf of de kantonrechter vereist.

2.3.5. Voor het onderwijsondersteunend personeel is wederzijds goedvinden, een ontslagvergunning van het UWV Werkbedrijf of een ontbinding door de kantonrechter vereist. Ook zijn er medewerkers voor wie een bijzonder opzegverbod geldt.

2.3.6. De ondernemingsraad en de vakbonden hebben met de reorganisatie ingestemd. Verder is overeenstemming bereikt met de vakbonden over zowel het sociaal plan CAR-UWO als het sociaal plan CAO- kunsteducatie.

2.3.7. [verweerder] valt -ten aanzien van zijn werkzaamheden als medewerker communicatie- onder het onderwijsondersteunend personeel. Hij heeft ten aanzien van die werkzaamheden een arbeidsomvang van 0,53 fte. Van zijn functie als medewerker communicatie blijft 0,3 fte beschikbaar. Aangezien [verweerder] de enige in zijn functie is met een omvang van 0,4 fte blijft afspiegeling achterwege en is deeltijdontslag aangezegd voor 0,23 fte. Blijkens het CAR-UWO geldt voor [verweerder] een opzegtermijn van 15 maanden. Daarom is op 22 augustus 2011 aan [verweerder] het deeltijdontslag aangezegd per 1 december 2012. Er is geen vergunning van het UWV Werkbedrijf, zodat die ontslagaanzegging vernietigbaar is. Daarom vraagt De Meander de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

2.3.8. Van de verandering in omstandigheden die tot ontbinding noopt kan [verweerder] geen enkel verwijt worden gemaakt. De Meander is van mening dat de voorzieningen van het sociaal plan en de CAR-UWO, die een intensieve begeleiding aan de hand van een re-integratieplan gedurende de re-integratiefase en een aanvulling op de WW-uitkering of een garantie-uitkering inhouden, als billijke vergoeding moeten worden aangemerkt.

2.4. [verweerder] heeft tegen het verzoek als volgt verweer gevoerd.

2.4.1. Het verzoek is niet-ontvankelijk. In artikel 6 van het Sociale Plan CAR-UWO is bepaald dat voor ontslagen van onderwijs ondersteunend personeel een ontslagaanvraag zal worden ingediend bij het UWV. De Meander heeft dan ook nadrukkelijk afstand gedaan van het recht om bij de kantonrechter om ontbinding te vragen.

2.4.2. Verder is niet voldaan aan de eis dat er veranderingen in de omstandigheden zijn die van dien aard zijn dat de overeenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Er wordt ontbinding verzocht per 1 december 2012 terwijl artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts ruimte geeft voor ontbinding op korte termijn. Dat de re-integratie termijn van 15 maanden volgens De Meander als een opzegtermijn moet worden beschouwd maakt het vooraanstaande niet anders. Ook om die reden is het verzoek niet-ontvankelijk.

2.4.3. Mocht het verzoek ontvankelijk zijn, dan kan de arbeidsovereenkomst niet eerder eindigen dan 15 maanden nadat ontbinding is uitgesproken. De aanzegging van het ontslag van 22 augustus 2011 is namelijk vernietigd, zodat er geen ontslag is aangezegd. De Meander dient de voor ontbinding geldende termijnen in acht te nemen.

2.4.4. De Meander heeft geen billijke vergoeding aangeboden. Datgene wat zij als een billijke vergoeding presenteert betreft slechts de gebruikelijke sociale uitkeringen. [verweerder] verzoekt de kantonrechter dan ook om toekenning van een vergoeding met inachtneming van de kantonrechtersformule.

2.4.5. Tot slot merkt [verweerder] op dat een gedeeltelijke ontbinding alleen aan de orde kan zijn indien al zijn bestaande rechten gewaarborgd zijn.

2.5. Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd wordt, voor zover van belang, onder de beoordeling ingegaan.

3. De beoordeling

3.1.1. Artikel 7:685 van het BW houdt in dat ieder der partijen bij een arbeidsovereenkomst ten allen tijden gerechtigd is om ontbinding van die arbeidsovereenkomst te verzoeken. Dat het sociaal plan wel de mogelijkheid noemt van ontslag met een ontslagvergunning van het UWV en niet de mogelijkheid van ontbinding door de kantonrechter, maakt niet dat De Meander afstand heeft gedaan van haar recht om de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.

3.1.2. Dat ontbinding wordt verzocht op een langere termijn maakt het verzoekschrift niet niet-ontvankelijk omdat partijen ten alle tijden gerechtigd zijn het verzoek te doen. Of de ontbinding langere termijn plaats kan vinden is een inhoudelijke vraag.

3.1.3. Gelet op dat alles kan De Meander in haar verzoek worden ontvangen.

3.2. Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met een van de opzegverboden van artikel 7:647, 648, 670 en 670a BW of met enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

3.3.1. [verweerder] heeft de door De Meander gestelde financiële problemen niet betwist. Daarom staat in rechte vast hetgeen De Meander omtrent haar financiële situatie heeft gesteld. De kantonrechter is van oordeel dat de financiële situatie van De Meander een verandering in de omstandigheden betreft die de gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] rechtvaardigt.

3.3.2. Dat De Meander de ontbinding verzoekt per 1 december 2012 maakt in dit specifieke geval geen verschil. De Meander zou ook gerechtigd zijn de arbeidsovereenkomst per eerdere datum te doen ontbinden omdat haar financiële positie daartoe noopt. Dat zij haar werknemers op een fatsoenlijke wijze probeert te behandelen door rekening te willen houden met de re-integratie fase kan er niet toe leiden dat zij daardoor de overeenkomst met [verweerder] niet zou kunnen ontbinden.

3.3.3. Opzegtermijnen zijn niet van toepassing op het ontbindingsverzoek van artikel 7:685 van het BW . Daarom treft de stelling van [verweerder] dat de arbeidsovereenkomst pas per 15 maanden na de datum van deze beschikking zou kunnen worden ontbonden geen doel.

3.3.4. Gelet op dat alles zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst gedeeltelijk, te weten voor 0,23 fte, ontbinden met ingang van 1 december 2012.

3.4. Tijdens de mondelinge behandeling is de vraag aan de orde geweest wat er zou gebeuren als de financiële situatie van De Meander zich voor 1 december 2012 in positieve zin ontwikkelt. Hoewel het in de lijn der verwachtingen ligt dat de financiële situatie eerder zal verslechteren dan verbeteren omdat De Meander inmiddels van vier gemeenten bericht heeft gekregen dat zij met ingang van 2013 helemaal geen subsidie meer van hen zal ontvangen, staat niet vast dat de financiële situatie van De Meander op 1 december 2012 niet zodanig kan zijn verbeterd dat het dienstverband van [verweerder] in zijn geheel kan worden behouden. De Meander heeft op de mondelinge behandeling ook aangegeven dat het haar bedoeling is om het dienstverband in zijn geheel te behouden als dat financieel en qua hoeveelheid werk mogelijk is. Daarom zal de kantonrechter aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst de voorwaarde verbinden dat die ontbinding niet van kracht zal worden indien de financiële situatie van De Meander op 1 december 2012 zodanig is verbeterd dat het dienstverband van [verweerder] in zijn geheel kan worden behouden en er voldoende werk voor [verweerder] voorhanden is om dat dienstverband in zijn geheel te behouden.

3.5. Vervolgens is aan de orde de vraag of er gronden zijn om aan [verweerder] ten laste van De Meander een vergoeding toe te kennen en, zo ja, tot welk bedrag.

De kantonrechter ziet geen reden om ten aanzien van [verweerder] af te wijken van de voorzieningen in het sociaal plan. Het sociaal plan is het onderhandelingsresultaat van overleg tussen de ondernemingsraad, de vakbonden en De Meander en geeft in de onderhavige omstandigheden weer wat een billijke ontslagvoorziening is in het kader van de reorganisatie van De Meander. Daar komt bij dat er rechtsongelijkheid zou ontstaan tussen [verweerder] en de collega's van het onderwijzend personeel die zonder tussenkomst van de kantonrechter of het UWV Werkbedrijf worden ontslagen en aan wie de voorzieningen van het sociaal plan toekomen. Daarom zal naast de voorzieningen van het sociaal plan geen aparte billijke vergoeding worden toegekend.

3.6. De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen voor 0,23 fte per 1 december 2012 op voorwaarde dat die ontbinding niet van kracht zal worden indien de financiële situatie van De Meander op 1 december 2012 zodanig is verbeterd dat het dienstverband van [verweerder] in zijn geheel kan worden behouden en er voldoende werk voor [verweerder] voorhanden is om dat dienstverband in zijn geheel te behouden;

compenseert de proceskosten zo, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2012 door mr. J.G.M. van Meel, kantonrechter te Boxmeer.

Zaaknummer: 791861 blad 5


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature