Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. In hetgeen appellante aan stukken heeft ingebracht zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gelegen.

Uitspraak



09/5979 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 september 2009, 08/450 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Rauh, advocaat te Brunssum, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2011. Appellante is, zoals van tevoren is bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting voor nader onderzoek geschorst.

Het Uwv heeft bij brieven van 9 augustus 2011 en 27 september 2011 nadere rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige overgelegd.

De zaak is voor verdere behandeling verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Partijen hebben toestemming gegeven nader onderzoek ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 20 mei 2005 is aan appellante, geboren op 13 juni 1987, een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) geweigerd onder overweging dat zij op en na 12 juni 2005 (bedoeld zal zijn: 13 juni 2005) minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

2.1. Op 26 juli 2007 heeft appellante opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag is door het Uwv aangemerkt als verzoek om terug te komen van het besluit van 20 mei 2005.

2.2. Bij besluit van 7 september 2007 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 20 mei 2005 onder overweging dat uit onderzoek door verzekeringsarts J.G.M. Poels, die van zijn bevindingen op 3 september 2007 rapport heeft uitgebracht, is gebleken dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die ertoe leiden dat de beslissing van 20 mei 2005 onjuist zou zijn.

2.3. Bij besluit van 11 februari 2008 is appellantes bezwaar tegen het besluit van 7 september 2007 na onderzoek door bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij, die van zijn bevindingen op 5 februari 2008 rapport heeft uitgebracht, ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 11 februari 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is - samengevat - tot het oordeel gekomen dat hetgeen appellante bij haar aanvraag en in bezwaar naar voren heeft gebracht, geen nieuwe feiten of omstandigheden oplevert als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangedragen problemen van appellante in het sociale verkeer waren al bekend en zijn bij de beoordeling in het kader van haar eerdere Wajong-aanvraag betrokken. Op het namens appellante in beroep overgelegde verslag van 16 februari 2009 van de psycholoog H.J.M. van Deik, is door bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij, bij rapport van 20 februari 2009 afdoende gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht gesteld dat, mede in het licht van het rapport van 10 november 2008 van psychiater Minnekeer, het verslag van Van Deik geen nieuwe aspecten oplevert.

4.1. In hoger beroep is namens appellante herhaald dat het Uwv destijds bij de aanvraag om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering onvoldoende onderzoek heeft verricht om de juiste problematiek bij appellante in kaart te brengen. Hierdoor is in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 april 2005, waarin de beperkingen van appellante op haar 18e verjaardag zijn vastgelegd en die ten grondslag liggen aan de weigering van de Wajong-uitkering, onvoldoende rekening gehouden met de problemen van appellante waardoor haar belastbaarheid te rooskleurig is ingeschat. Appellante wijst op het rapport van Van Deik. Deze heeft aangegeven dat bij appellante sprake is van een zwakbegaafd intelligentieniveau met daarnaast een complexe gedragsproblematiek waaraan borderline tendensen zijn te ontlenen. Hierdoor is appellante, in tegenstelling tot het standpunt dat ten grondslag ligt aan de weigering van de Wajong-uitkering, niet in staat loonvormende arbeid in het vrije bedrijfsleven te verrichten. Zij is aangewezen op een beschutte woon- en werksituatie. Dit blijkt volgens appellante ook uit de CIZ-indicatie van 3 december 2007 waarin appellante een zorgpakket “wonen met enige begeleiding” is toegekend omdat appellante geen (volledige) baan heeft dan wel naar school gaat en zij dagbesteding nodig heeft in een beschermde omgeving. Tevens wijst appellante op het standpunt van Jobstap, die geprobeerd heeft appellante te bemiddelen naar arbeid in het vrije bedrijfsleven. Uit een brief van 19 maart 2008 van C. Brull, trajectbegeleider Jobstap, blijkt dat het voor appellante niet haalbaar is vanwege haar sociale emotionele problematiek, het veelvuldig ziekteverzuim en de beperking ten aanzien van conflicthantering, om te functioneren op de reguliere arbeidsmarkt. Jobstap heeft de bemiddeling naar een baan op de reguliere arbeidsmarkt beëindigd.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat het Uwv terecht de aanvraag om een Wajong-uitkering van 26 juli 2007 heeft aangemerkt als een herhaalde aanvraag, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb .

5.3. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van de gene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

De bestuursrechter dient in een dergelijk geval het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.4. De Raad ziet, in navolging van de rechtbank en met overneming van de door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, in hetgeen appellante ter onderbouwing van haar verzoek en nadien in bezwaar heeft gesteld en in hetgeen appellante daarbij aan stukken heeft ingebracht, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gelegen, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb . Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat de door appellante naar voren gebrachte problemen in het sociale verkeer destijds reeds bekend waren bij het Uwv en bij de vaststelling van de voor haar geldende arbeidsbeperkingen en bij de selectie van de voor haar nog haalbare functies, in de afweging zijn betrokken.

5.5. Zo overigens gezegd zou moeten worden dat hetgeen appellante heeft aangevoerd wel nieuwe feiten en omstandigheden bevat, overweegt de Raad, onder verwijzing naar de uitkomsten van het nadere verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoek dat door het Uwv is ingesteld tijdens de procedure in hoger beroep, dat deze feiten en omstandigheden niet ertoe leiden dat de beslissing van 20 mei 2005 onjuist zou zijn. Uit het rapport van verzekeringsarts J.G.M. Poels van 27 juni 2011 en het rapport van arbeidsdeskundige P.J.G. Hansen van 21 september 2011 komt naar voren dat ook bij aanscherping van de destijds met betrekking tot de einde wachttijddatum 12 juni 2005 opgestelde FML met aanvullende beperkingen, zoals door Poels tijdens spreekuuronderzoek vastgesteld, voor appellante nog steeds voldoende passende functies vallen aan te wijzen waarmee zij nog in staat is een zodanig inkomen te verdienen dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid op en na 12 juni 2005 minder dan 25% blijft. Met betrekking tot het verzoek van appellante tot benoeming van een onafhankelijke deskundige teneinde door deze te doen onderzoeken of haar beperkingen niet zijn onderschat, overweegt de Raad nog dat daarvoor in het kader van de onderhavige procedure, gegeven het beperkte toetsingskader dat de rechter daarbij in acht dient te nemen als hiervoor onder 5.3 uiteengezet, geen plaats is.

5.6. Uit de overwegingen 5.1. tot en met 5.5. volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

6. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

II. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) P. Boer.

TM


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature