Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

De Wsf 2000 is voor degenen die op die wet een beroep kunnen doen een naar zijn aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening als bedoeld in artikel 42, eerste lid onder b, van de WIJ . Ten tijde hier van belang kon betrokkene echter geen beroep meer doen op de Wsf 2000 omdat hij gedurende de maximale periode studiefinanciering had ontvangen. Artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ staat er niet aan in de weg dat betrokkene recht heeft op een inkomensvoorziening. De omstandigheid dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om de studiefinanciering in duur te beperken maakt dat niet anders.

Uitspraak



11/1543 WIJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 februari 2011, 10/3880 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 24 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E. Türk, advocaat te Bergen op Zoom, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011. Voor appellant is verschenen mr. R.M. Mol, werkzaam bij de gemeente Bergen op Zoom. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Türk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren op 31 oktober 1983, was ten tijde hier van belang als studerende ingeschreven bij de Erasmus Universiteit Rotterdam en moest nog een tentamen doen en een scriptie afmaken. Omdat betrokkene gedurende de maximale periode studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) had ontvangen, had hij geen recht meer op studiefinanciering.

1.2. Op 14 juli 2010 heeft betrokkene een aanvraag ingediend om een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Bij besluit van 22 juli 2010 heeft appellant met toepassing van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de WIJ de aanvraag om een werkleeraanbod afgewezen op de grond dat betrokkene een opleiding volgt die door het Rijk wordt betaald. Voorts heeft appellant onder verwijzing naar artikel 24 van de WIJ geweigerd een inkomensvoorziening toe te kennen op de grond dat degene die geen recht heeft op een werkleeraanbod ook geen recht heeft op een inkomensvoorziening.

1.3. Bij besluit van 3 september 2010 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 22 juli 2010 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene op grond van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de WIJ geen recht heeft op een werkleeraanbod. Een inkomensvoorziening kan echter niet worden geweigerd op de grond dat er geen recht is op een werkleeraanbod. Volgens de rechtbank kan uit de tekst van de WIJ niet worden afgeleid dat een jongere, om aanspraak te kunnen maken op een inkomensvoorziening, recht moet hebben op een werkleeraanbod. De omstandigheden waaronder een jongere geen recht heeft op een inkomensvoorziening zijn limitatief opgesomd in artikel 42, eerste lid, van de WIJ en in dat artikellid is het geen recht hebben op een werkleeraanbod niet als uitsluitingsgrond opgenomen. De rechtbank heeft verder overwogen dat de Wsf 2000 niet kan worden aangemerkt als een naar zijn aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder b, van de WIJ omdat betrokkene, in verband met de duur van zijn studie, op de Wsf 2000 geen beroep meer kan doen.

2.2. Gelet op deze overwegingen heeft de rechtbank - met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 3 september 2010 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover daarbij de weigering van de inkomensvoorziening is gehandhaafd. Voorts heeft de rechtbank het besluit van 22 juli 2010 herroepen, voor zover daarbij een inkomensvoorziening is geweigerd, en bepaald dat aan betrokkene een inkomensvoorziening wordt toegekend over de periode van 14 juli 2010 tot 18 oktober 2010 van € 913,06 per maand. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Ten slotte heeft de rechtbank appellant veroordeeld tot het vergoeden van schade, bestaande uit wettelijke rente.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Wettelijk kader

4.1.1. Artikel 5, eerste en tweede lid, van de WIJ, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

- inkomensvoorziening: de inkomensvoorziening bedoeld in artikel 2 4;

- werkleeraanbod: het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling waaronder begrepen scholing, opleiding of sociale activering, alsmede ondersteuning bij de arbeidsinschakeling.

- (…)

2. Onder scholing of opleiding als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs.

4.1.2. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de WIJ stelt het college het recht op een werkleeraanbod op aanvraag vast.

4.1.3. In artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de WIJ is bepaald dat de jongere die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt, geen recht heeft op een werkleeraanbod.

4.1.4. Artikel 24, eerste en tweede lid, van de WIJ luidt als volgt:

1. De jongere van 18 jaar of ouder, die een aanvraag als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend, heeft recht op een inkomensvoorziening indien:

a. er geen in aanmerking te nemen vermogen is, en

b. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de inkomensvoorzieningsnorm.

2. De inkomensvoorziening wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, te rekenen vanaf de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 1 4.

4.1.5. In artikel 25, eerste lid, van de WIJ is bepaald dat het college het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve vaststelt gelijktijdig met de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod.

4.1.6. Artikel 42, eerste lid, van de WIJ luidt als volgt:

Geen recht op de inkomensvoorziening bestaat:

a. indien de jongere het werkleeraanbod heeft geweigerd;

b. voor zover de jongere of zijn gezin een beroep kan doen op een naar zijn aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening buiten deze wet, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven;

c. voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil nakomen;

d. indien de jongere wegens werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is;

e. indien de jongere per kalenderjaar langer dan dertien weken verblijf houdt buiten Nederland, dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland;

f. indien het werkleeraanbod op grond van artikel 21 is ingetrokken, tenzij het werkleeraanbod is ingetrokken uitsluitend omdat het college van oordeel is dat om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet kan worden gevergd dat de jongere uitvoering geeft aan het werkleeraanbod;

g. indien de jongere rechtens zijn vrijheid is ontnomen;

h. indien de jongere zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;

i. gedurende de periode dat het recht op een werkleeraanbod is opgeschort;

j. indien de jongere 18, 19 of 20 jaar is en in een inrichting verblijft;

k. indien de jongere een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt of indien hij is gehuwd met een persoon die een zodanige uitkering ontvangt;

l. indien de jongere onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet of indien de jongere gehuwd is met een zodanig persoon, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is, tenzij de jongere alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg;

m. indien de jongere een zelfstandige is die aanspraak kan maken op bijstand op grond van artikel 78f van de Wet werk en bijstand ;

n. indien de jongere van het werkleeraanbod is uitgesloten op grond van artikel 2 2.

4.1.7. Ingevolge artikel 45 van de WIJ is de jongere verplicht:

a. mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot zijn arbeidsinschakeling, waaronder begrepen mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

b. geen onredelijke eisen te stellen in verband met door hem te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;

c. mee te werken aan het behoud of bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid;

d. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling;

e. opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten;

f. op advies van een arts zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene geen recht heeft op een werkleeraanbod.

4.3. Appellant heeft aangevoerd dat uit de hiervoor onder 4.1.1 tot en met 4.1.5 weergegeven wettelijke bepalingen blijkt dat het recht hebben op een werkleeraanbod een voorwaarde is voor het recht op een inkomensvoorziening. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellant hierin niet. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat artikel 5 van de WIJ een definitiebepaling betreft, artikel 14 van de WIJ regels geeft over de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod en artikel 23 een opsomming bevat van de omstandigheden op grond waarvan de jongere geen recht heeft op een werkleeraanbod. In deze bepalingen zijn geen voorwaarden voor het recht op een inkomensvoorziening opgenomen. Artikel 24, eerste lid, van de WIJ stelt als voorwaarde voor het recht op een inkomensvoorziening dat de jongere een aanvraag om een werkleeraanbod heeft ingediend, maar niet dat de jongere recht op een werkleeraanbod heeft. Ook uit artikel 24, tweede lid, van de WIJ , waarin is bepaald dat de inkomensvoorziening wordt toegekend vanaf de datum van de aanvraag om een werkleeraanbod, kan niet worden afgeleid dat zonder recht op een werkleeraanbod geen recht op een inkomensvoorziening bestaat. Datzelfde geldt voor artikel 25, eerste lid, van de WIJ . Daarin is immers slechts bepaald dat de vaststelling van het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve geschiedt en dat deze vaststelling gelijktijdig met de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod plaatsvindt.

4.4. Appellant heeft verder aangevoerd dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WIJ volgt dat een jongere recht dient te hebben op een werkleeraanbod om aanspraak te kunnen maken op een inkomensvoorziening. Hij heeft daarbij gewezen op diverse passages in de Memorie van Toelichting op het wetsontwerp WIJ. Deze beroepsgrond treft geen doel. Daargelaten of uit de door appellant bedoelde passages valt af te leiden dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat het recht op een werkleeraanbod een voorwaarde is voor het recht op een inkomensvoorziening, is de Raad van oordeel dat de wetgever die bedoeling niet onverkort in de tekst van de WIJ tot uitdrukking heeft gebracht. De Raad verwijst in dit verband allereerst naar hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen. Evenals de rechtbank wijst de Raad er verder op dat in artikel 42, eerste lid, van de WIJ de omstandigheden waaronder een jongere geen recht heeft op een inkomensvoorziening limitatief zijn opgesomd. Weliswaar bestaat op grond van artikel 42, eerste lid, van de WIJ geen recht op een inkomensvoorziening indien de jongere het werkleeraanbod heeft geweigerd (onder a), indien het werkleeraanbod op grond van artikel 21 is ingetrokken (onder f), gedurende de periode dat het recht op een werkleeraanbod is opgeschort (onder i) en indien de jongere van het werkleeraanbod is uitgesloten op grond van artikel 2 2 (onder n). In artikel 42, eerste lid, van de WIJ is echter niet in algemene zin bepaald dat geen recht op een inkomensvoorziening bestaat indien de jongere geen recht heeft op een werkleeraanbod.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.4 is overwogen volgt dat appellant de weigering betrokkene een inkomensvoorziening toe te kennen ten onrechte heeft gebaseerd op de grond dat degene die geen recht heeft op een werkleeraanbod dientengevolge ook geen recht heeft op een inkomensvoorziening. Dat betekent dat de rechtbank terecht het besluit van 3 september 2010 heeft vernietigd, voor zover daarbij de weigering van een inkomensvoorziening is gehandhaafd.

4.6.1. Appellant heeft verder aangevoerd dat het reguliere onderwijs een toereikende en passende voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 42 van de WIJ . Volgens appellant is het een bewuste keuze van de wetgever geweest om de studiefinanciering in duur te beperken. Appellant acht het maatschappelijk onaanvaardbaar indien de inkomensvoorziening van de WIJ een verlengstuk wordt van de Wsf 2000 of verwordt tot een verkapte vorm van studiefinanciering. De Raad begrijpt dat appellant beoogt aan te voeren dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 3 september 2010 in stand had moeten laten op de grond dat de Wsf 2000 moet worden aangemerkt als een naar zijn aard en doel voor betrokkene als passend en toereikend aan te merken voorziening als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder b, van de WIJ .

4.6.2. De Raad stelt voorop dat de Wsf 2000 voor degenen die op die wet een beroep kunnen doen een naar zijn aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening is als bedoeld in artikel 42, eerste lid onder b, van de WIJ . Ten tijde hier van belang kon betrokkene echter geen beroep meer doen op de Wsf 2000 omdat hij gedurende de maximale periode studiefinanciering had ontvangen. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ er niet aan in de weg staat dat betrokkene recht heeft op een inkomensvoorziening. De omstandigheid dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om de studiefinanciering in duur te beperken maakt dat niet anders.

4.6.3. Anders dan appellant ziet de Raad niet in dat de hier gevolgde uitleg van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ meebrengt dat een inkomensvoorziening van de WIJ een verlengstuk wordt van de Wsf 2000 of verwordt tot een verkapte vorm van studiefinanciering. De Raad merkt in dit verband op dat ingevolge artikel 45 van de WIJ op de jongere onder meer verplichtingen tot arbeidsinschakeling rusten. Ingevolge artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIJ bestaat geen recht op een inkomensvoorziening voor zover uit de houding of het gedrag van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen tot arbeidsinschakeling niet wil nakomen. Blijkt daarvan niet ondubbelzinnig, maar is wel sprake van het niet of onvoldoende nakomen van de in artikel 45 genoemde verplichtingen, dan dient dit op grond van artikel 41, eerste lid, van de WIJ te leiden tot verlaging van het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 12, eerste lid onder b, van de WIJ .

4.6.4. Hetgeen onder 4.6.2 en 4.6.3 is overwogen betekent dat handhaving van de weigering van een inkomensvoorziening niet kan worden gebaseerd op artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ , zodat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 3 september 2010 niet op die grond in stand kunnen blijven.

4.7. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep geen doel treft zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,--;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 454,--.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature