Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag bijstand. Terugvordering voorschot. Gezamenlijke huishouding. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt voldoende dat sprake is van wederzijdse zorg tussen appellant en B. in de hier te beoordelen periode.

Uitspraak



10/6900 WWB

10/6901 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2010, 10/4272 en 10/4273 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. U.J. van der Veldt, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veldt. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Veenendaal werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant heeft op 24 maart 2010 een aanvraag om bijstand ingediend. Bij die aanvraag heeft appellant aangegeven dat hij alleenstaande is en inwoont bij familie.

1.3. Ter beoordeling van het recht op bijstand is onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader is op 18 mei 2010 een huisbezoek afgelegd en heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden. De uitkomsten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 mei 2010, opgemaakt door handhavingspecialist J.M. Veenstra. De bevindingen van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 3 juni 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2010 (hierna: besluit 1), de aanvraag om bijstand af te wijzen. Besluit 1 is gebaseerd op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met de heer [B.] (hierna: B.) als gevolg waarvan appellant niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt.

1.4. Daarnaast heeft het College bij besluit van 7 juni 2010, na bezwaar gehandhaafd bij afzonderlijk besluit van 19 augustus 2010 (hierna: besluit 2), het op 19 mei 2010 aan appellant verstrekte voorschot ten bedrage van € 600,-- van hem teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Hij voert hiertoe aan dat in zijn geval sprake is van een noodsituatie op grond waarvan geen gezamenlijke huishouding kan worden aangenomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 24 maart 2010 tot en met 3 juni 2010.

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.3. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Dit betekent dat artikel 3, derde lid, van de WWB geen ruimte biedt om, indien de feitelijke situatie leidt tot de conclusie dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, op grond van bijzondere omstandigheden te komen tot een ander oordeel.

4.5. Niet in geschil is, en ook de Raad gaat ervan uit, dat appellant en B. gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.6. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.7. De Raad is van oordeel dat uit de onderzoeksbevindingen voldoende blijkt dat sprake is van wederzijdse zorg tussen appellant en B. in de hier te beoordelen periode. De Raad verwijst naar de door appellant tegenover twee handhavingspecialisten afgelegde en ondertekende verklaring. In deze verklaring stelt appellant dat hij met B. heeft afgesproken dat hij € 300,-- per maand huur inclusief gas en dergelijke gaat betalen als hij een baan en inkomen heeft en dat hij op dat moment helemaal niets betaalt. Verder verklaart appellant dat soms hij en soms B. boodschappen voor hen samen haalt en dat zij beiden afwisselend voor boodschappen betalen. Zij koken afwisselend voor elkaar en eten gezamenlijk. Appellant en B. maken allebei het huis schoon. Daarnaast mag appellant de fiets van B. gebruiken. Nu uit deze verklaring blijkt dat sprake is van wederzijdse zorg tussen appellant en B. kan naar het oordeel van de Raad niet worden volgehouden dat sprake is van eenzijdige zorg van appellant naar B. ter compensatie van de door appellant aan B. verschuldigde huur.

4.8. Kort voor de zitting in hoger beroep heeft appellant een door hem en B. op 20 februari 2010 ondertekend huurcontract overgelegd, op grond waarvan appellant met ingang van 1 maart 2010 € 200,-- huur inclusief vaste lasten aan B. is verschuldigd. De Raad merkt op dat de inhoud van het contract niet overeenkomt met hetgeen appellant ten tijde van zijn aanvraag om bijstand heeft verklaard, namelijk dat hij € 300,-- per maand is verschuldigd voor huur en vaste lasten. Voorts verwijst de Raad naar het op 25 maart 2010 door B. ingevulde en ondertekende formulier ‘Verklaring hoofdbewoner/ verhuurder’ waarin B. aangeeft dat appellant € 300,-- huur per maand betaalt en dat er geen schriftelijke overeenkomst bestaat. Tot slot heeft appellant ter zitting verklaard dat het huurcontract later dan op 20 februari 2010 is opgesteld en ondertekend en dat hij tot op heden geen huur aan B. betaalt. Onder die omstandigheden kent de Raad aan het overgelegde contract geen betekenis toe.

4.9. Uit het vorenstaande volgt dat het College de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen op de grond dat appellant en B. een gezamenlijke huishouding ingevolge de WWB voerden en appellant dus niet als zelfstandig subject voor bijstand was aan te merken.

4.10. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en B.J. van de Griend en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2012.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature