Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Voor herziening definitieve jaarafrekening inzake Zorgverzekeringswet is geen wettelijke grondslag vereist. De herziening is niet in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De overige beroepsgronden slagen niet. Rechtsgevolgen bestreden besluit worden in stand gelaten.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/1231 ZVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

eiser,

gemachtigden: mr. D. Westerman, mr. H.D. Pheifer en S. Oosterbaan.

en

het College voor Zorgverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde: mr. C.P. Kootstra.

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2010 heeft verweerder de definitieve jaarafrekening inzake de Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2006 vastgesteld.

Bij besluit van 12 augustus 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het besluit van 22 februari 2010 vervallen verklaard en een herziene definitieve jaarafrekening inzake de Zvw over het jaar 2006 vastgesteld.

Bij besluit van 25 januari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2011. Eiser is ter zitting vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser is woonachtig in Duitsland en ontvangt een wettelijk pensioen uit Nederland.

1.2. Bij besluit van 3 mei 2007 heeft verweerder de voorlopige buitenlandbijdrage die eiser op grond van de Zvw voor het jaar 2006 is verschuldigd vastgesteld op € 1.819,-. In deze voorlopige jaarafrekening heeft verweerder vastgesteld dat op de pensioenuitkering van eiser € 2.819,- is ingehouden, zodat eiser inclusief heffingsrente nog een bedrag van € 1.021,- ontvangt.

1.3. Bij besluit van 22 februari 2010 heeft verweerder de definitieve buitenlandbijdrage op grond van de Zvw voor het jaar 2006 vastgesteld op € 1.688,27. In dit besluit is vermeld dat de bijdrage nooit hoger is dan het Nederlandse jaarinkomen, dat het Nederlandse jaarinkomen van eiser € 92,- bedraagt, zodat de verschuldigde bijdrage € 92,- bedraagt. In het besluit staat verder dat op het inkomen van eiser al € 3.031,20 is ingehouden en dat eiser, rekeninghoudend met het reeds ontvangen bedrag van € 1.021,-, inclusief wettelijke rente nog € 2.433,49 ontvangt.

1.4. Bij het primaire besluit heeft verweerder het besluit van 22 februari 2010 ingetrokken en de definitieve buitenlandbijdrage op grond van de Zvw voor het jaar 2006 opnieuw vastgesteld, ditmaal op € 1.839,53. In bijlage A bij het primaire besluit is vermeld dat op het inkomen van eiser al € 3.031,20 is ingehouden, dat de wettelijke rente € 228,61 bedraagt en dat eiser, rekeninghoudend met het reeds van verweerder ontvangen bedrag van € 3.454,49 nog € 2.034,21 dient te voldoen.

1.5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat de belastingdienst aan verweerder heeft doorgegeven dat het inkomen van eiser over het jaar 2006 € 12.438,- bedraagt, maar dat verweerder in zijn besluit van 22 februari 2010 ten onrechte van een inkomen van € 92,- is uitgegaan, waardoor de buitenlandbijdrage op grond van de Zvw ook op € 92,- is vastgesteld. Toen bij een controle is gebleken dat het gehanteerde inkomen niet juist was, heeft verweerder de definitieve jaarafrekening herzien.

2. Wettelijk kader

2.1. In artikel 28 van de Verordening (EG) 1408/71 (hierna: de Verordening) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat (het pensioenland), die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont (het woonland), heeft niettemin met zijn gezinsleden recht op deze prestaties in het woonland, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van het pensioenland recht op prestaties zou hebben, indien hij in het pensioenland zou wonen.

2.2. In artikel 33, eerste lid, van de Verordening is, onder meer, het volgende bepaald. Het orgaan van het pensioenland dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald dat voor rekening van een pensioen- of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan is verschuldigd. In Nederland is de wettelijke regeling neergelegd in artikel 69 van de Zvw en in de Regeling Zorgverzekering (hierna: de Regeling).

2.3. Op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw, voor zover hier van belang, zijn de in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd. De wijze waarop de bijdrage als bedoeld in artikel 69 van de Zvw wordt berekend, is neergelegd in artikelen 6.3.1 tot en met 6.3.7 van de Regeling.

2.4. Artikel 6.3.1 van de Regeling luidt als volgt:

1.De voor een persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland.

2.De grondslag van de bijdrage is gelijk aan de som van:

a. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig paragraaf 5.2 van de Zorgverzekeringswet,

b. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en verminderd met het bedrag waarop de partner van degene die de bijdrage verschuldigd is volgens de artikelen 8.9 en 8.9a van de Wet inkomstenbelasting 2001 recht zou hebben indien degene die de bijdrage verschuldigd is verzekerd zou zijn ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor zover op grond van deze bepalingen geen teruggave in de inkomstenbelasting is verleend, en,

c. vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin deze persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, een bijdrage per maand overeenkomende met eentwaalfde van het bedrag van de geraamde gemiddelde premie voor een verzekerde voor een zorgverzekering in het berekeningsjaar, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: nominale deel).

(..)

2.5. Op grond van artikel 6.3.3, eerste lid, van de Regeling wordt het verschil tussen de door de bijdrageplichtige en zijn gezinsleden verschuldigde bijdragen en de ingehouden en afgedragen of anderszins geïnde bijdragen door het College zorgverzekeringen vastgesteld en verrekend, geïnd of uitgekeerd.

2.6. Op grond van artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling, voor zover hier van belang, stelt het College zorgverzekeringen het verschil vast voor 30 september van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft en stelt het College zorgverzekeringen het verschil definitief vast uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen (de NiNbi-beschikking) onherroepelijk zijn geworden.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Eiser voert allereerst aan dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op de door hem aangevoerde bezwaren. Verweerder heeft dit in zijn verweerschrift erkend.

3.1.1. De rechtbank is met partijen van oordeel dat het bestreden besluit in aanmerking komt voor vernietiging wegens strijdigheid met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu in dat besluit onvoldoende is ingegaan op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd. De beroepsgrond slaagt.

3.1.2. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om op de voet van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank licht dit als volgt toe.

3.2. Eiser voert aan dat een wettelijke grondslag voor het herzien van het besluit van 22 februari 2010 ontbreekt en dat verweerder daarom niet tot herziening bevoegd was. Daarbij wijst eiser erop dat verweerder ten tijde van het nemen van het besluit van 22 februari 2020 reeds over alle inkomensgegevens beschikte en eiser verweerder juist heeft geïnformeerd.

3.2.1. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het besluit van 22 februari 2010 onjuist is, omdat hierin is uitgegaan van een onjuist Nederlands inkomen, terwijl verweerder ten tijde van het nemen van dat besluit beschikte over de relevante gegevens van de belastingdienst met daarin het correcte inkomen van eiser. De rechtbank is, onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juni 2001 (LJN: AB3262), van oordeel dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd moet worden geacht een eerder genomen besluit dat naar zijn opvatting onjuist moet worden geacht, alsnog in te trekken of te wijzigen, mits het gebruikmaken van die bevoegdheid niet in strijd komt een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De beroepsgrond dat voor herziening een wettelijke grondslag is vereist faalt.

3.3. Eiser stelt verder dat de herziening in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu zonder wettelijke basis een betalingsverplichting is opgelegd.

3.3.1. De rechtbank overweegt dat voor het opleggen van de bijdrageverplichting wel degelijk een wettelijke basis bestaat. Die is namelijk gelegen in artikel 33 van de Verordening en artikel 69 van de Zvw. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 1 van het Eerste Protocol is gelet hierop geen sprake. De omstandigheid dat de wettelijke grondslag voor de herziening niet uitdrukkelijk is vastgelegd, doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgrond slaagt dus niet.

3.4. Eiser voert daarnaast aan dat de herziening van de jaarrekening in dit geval in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

3.4.1. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu van de kant van verweerder geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan met de strekking dat verweerder de eerdere jaarrekening niet zou herzien. Van bij eiser gerechtvaardigde verwachtingen dat de jaarafrekening niet zou worden herzien is derhalve geen sprake.

De rechtbank is voorts van oordeel dat nu verweerder zowel in het besluit van 22 februari 2010 als in de bijlage bij het besluit melding maakt van een Nederlands jaarinkomen van eiser van € 92,-, in plaats van het correcte jaarinkomen van € 12.438,00, eiser had kunnen weten dat verweerder een fout had gemaakt. Eiser mag immers geacht worden te weten wat de hoogte is van zijn Nederlandse jaarinkomen. De ter zitting door eiser gegeven toelichting op de bijlage bij het besluit van 22 februari 2010, die erop neerkomt dat de hoogte van de vastgestelde bijdrage eiser niet onjuist voorkwam en dat de bijlage onduidelijk is, doet, gelet op de uitdrukkelijke vermelding van het Nederlandse jaarinkomen van € 92,-, aan het voorgaande niet af.

Ten aanzien van het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel is de rechtbank ten slotte van oordeel dat verweerder weliswaar onzorgvuldig heeft gehandeld bij het vaststellen van de eerste, foutieve definitieve jaarafrekening, maar dat dit niet betekent dat hij niet bevoegd was die jaarafrekening met het primaire besluit te herzien.

Ook deze beroepsgrond faalt derhalve.

3.5. Eiser betoogt verder dat - op grond van (i) het gelijkheidsbeginsel, (ii) het vrij verkeer van personen en de vrijheid van vestiging, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), (iii) de Verordening en de EG-verordening nr. 883/2004 en (iii) de geest van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale zekerheid ter aanvulling van communautaire regelingen van 18 april 2001 - de rechtsbescherming van in het buitenland wonende bijdrageplichtigen dezelfde elementen moet bevatten als de rechtsbescherming die in het binnenland woonachtige bijdrageplichtigen genieten die hun Zvw-premie voldoen via de loonheffingen dan wel via een aangifte inkomstenbelasting of premie volksverzekeringen. Voor in het binnenland woonachtige bijdrageplichtigen geldt, ook voor de premieheffing, de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Meer in het bijzonder stelt eiser dat artikel 16, eerste lid, van de AWR voor hem geldt, omdat anders sprake is van ongelijke behandeling van overigens gelijke gevallen. Op grond van die bepaling kan een bestuursorgaan slechts een definitieve jaarafrekening herzien als sprake is van een nieuw feit dat de heffende instantie ten tijde van het vaststellen van de definitieve jaarafrekening niet bekend was of kon zijn.

3.5.1. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiser stelt, geen sprake is van gelijke gevallen. Eiser is immers niet gelijk aan in Nederland wonende verzekeringsplichtigen. Eiser is geen ingezetene van Nederland en op de verzekeringsplichtigen in Nederland is een ander rechts- en verstrekkingenregime van toepassing dan op eiser. Eiser betaalt geen premie Zvw, maar is gelet op artikelen 28 en 33 van de Verordening, in samenhang gelezen met artikel 69 van de Zvw , voor het recht op zorg dat eiser in Duitsland volgens het Duitse wettelijke pakket heeft, een bijdrage verschuldigd aan verweerder. Deze bijdrage is niet gelijk te stellen met de nominale premie Zvw of de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw die een in Nederland verzekeringsplichtige is verschuldigd.

3.5.2. Onder verwijzing naar met name de overwegingen 100 en 101 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake Van Delft e.a. (gepubliceerd op www.curia.eu onder zaaknummer C-345/09) overweegt de rechtbank voorts dat artikel 21, eerste lid, van het VWEU een verzekerde niet kan waarborgen dat verplaatsing naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid, onder meer voor de prestaties bij ziekte, neutraal zal zijn. Rekeninghoudend met de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied kan een dergelijke verplaatsing, op het gebied van de sociale bescherming voor de betrokken persoon meer of minder voordelig of onvoordelig zijn. Wel geldt de voorwaarde dat de toepassing van nationale wetgeving er niet zonder meer toe leidt dat sociale bijdragen worden betaald zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat. Naar het oordeel van de rechtbank is van deze situatie geen sprake. Tegenover de betaling van de bijdrage staat een recht op verstrekkingen voor eiser. In artikel 21, eerste lid, van het VWEU is uitdrukkelijk een voorbehoud gemaakt voor de beperkingen en voorwaarden die bij het Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Waar de betaling van een bijdrage aan Nederland en de bevoegdheid tot het innen van deze bijdrage is gebaseerd op het bepaalde in een op het Verdrag gebaseerde regeling, zoals de Verordening, is het voorbehoud op een dergelijke situatie dus in beginsel van toepassing. Eiser kan daarom ten aanzien van de bijdrage niet een succesvol beroep doen op artikel 21, eerste lid, van het VWEU. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de bijdrage een belemmering vormt voor de vrijheid van vestiging, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eiser is aan te merken als migrerend zelfstandige in de zin van artikel 49 van het VWEU .

3.5.3. De beroepsgrond van eiser slaagt gelet op het voorgaande niet.

3.6. Volgens eiser is artikel 16 van de AWR ook om een andere reden op hem van toepassing. Eiser betoogt dat de jaarafrekening betrekking heeft op premieheffing op grond van de Zvw en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Aangezien heffing van genoemde premies geschiedt volgens de regels die gelden voor de heffing van inkomsten- en loonbelasting is volgens eiser, op grond van de artikelen 58 en 59 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), de AWR van toepassing. Ook op grond hiervan kan verweerder een definitieve jaarafrekening slechts herzien als sprake is van een nieuw feit, aldus eiser.

3.6.1. De rechtbank is van oordeel dat genoemde artikelen uit de Wfsv betrekking hebben op respectievelijk de premieheffing volksverzekeringen en de premieheffing werknemersverzekeringen, terwijl ingeval van eiser – zoals hiervoor reeds is overwogen – sprake is van een heffing van een bijdrage op grond van artikel 33 van de Verordening en artikel 69 van de Zvw. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

3.7. Eiser voert verder aan dat verweerder niet bevoegd is tot het innen van de inkomensafhankelijke bijdrage AWBZ.

3.7.1. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. Eiser is niet verzekerd voor de AWBZ en hoeft daarom ook geen premie voor de AWBZ te betalen. Op het pensioen van eiser wordt een bijdrage ingehouden voor de kosten van zorg die eiser ontvangt in zijn woonland Duitsland. De bijdrage wordt, zo volgt uit artikel 33 van de Verordening, berekend volgens het systeem van het pensioenland, zijnde Nederland. Het systeem dat in Nederland wordt gehanteerd komt erop neer dat de verschuldigde bijdrage wordt berekend op basis van de berekeningsmethodiek van de Zvw en de AWBZ. Daarom hebben de inkomensafhankelijke onderdelen van de bijdrage ook de (overigens verwarrende) naam “inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage” en “inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage". De bijdrage die eiser is verschuldigd, wordt dus weliswaar vastgesteld overeenkomstig de berekeningsmethodiek van de Zvw en de AWBZ, maar de inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage is geen AWBZ-premie. Eiser kan hieraan dus niet de conclusie verbinden dat hij een AWBZ-premie betaalt. Deze inkomensafhankelijke bijdrage maakt op grond van artikel 6.3.1 van de Regeling onderdeel uit van de totale buitenlandbijdrage die eiser als verdragsgerechtigde verschuldigd is. De Regeling is een ministeriële regeling waaraan verweerder uitvoering dient te geven. De beroepsgrond faalt.

3.8. Ten aanzien van de beroepsgrond dat de jaarafrekening te laat is vastgesteld overweegt de rechtbank als volgt.

3.8.1. De rechtbank stelt voorop dat de jaarafrekening 2006 buiten de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling genoemde termijn is vastgesteld. Vast staat immers dat verweerder de jaarafrekening niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de NiNbi-beschikking heeft vastgesteld.

3.8.2. In een uitspraak van 23 december 2010 (LJN: BP6229) heeft deze rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling genoemde termijn van zes maanden na de NiNbi-beschikking geen verjarings- of vervaltermijn is. Verder heeft de rechtbank in deze uitspraak geoordeeld dat het te laat nemen van een besluit door een bestuursorgaan in strijd kan zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar dat dit niet tot gevolg heeft dat de vaststelling en invordering niet langer kan plaatsvinden. Doordat verweerder heeft afgezien van renteheffing is sprake van een voldoende compensatie voor de te trage besluitvorming, aldus de rechtbank in voormelde uitspraak.

3.8.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak van 23 december 2010 ook in deze zaak van toepassing. Dat betekent dat de omstandigheid dat verweerder de jaarafrekening pas op 12 augustus 2010 heeft vastgesteld, niet meebrengt dat hij de jaarafrekening niet meer mocht vaststellen. Nu eiser door de (te) late vaststelling van de definitieve Zvw-bijdrage pas later heeft hoeven betalen en daardoor rentevoordeel heeft genoten, is eiser voldoende gecompenseerd voor de te trage besluitvorming. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser dit rentevoordeel heeft behouden omdat verweerder heeft afgezien van renteheffing. In bijlage A bij het primaire besluit is weliswaar een bedrag aan wettelijke rente van € 228,61 vermeld, maar verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit rente betreft die aan eiser is toegekend en niet aan eiser in rekening is gebracht. Dit volgt ook uit de bijlage A. Hieruit blijkt immers dat eiser, de door hem ontvangen bedragen weggedacht, nog een bedrag van (€ 3.031,20 minus € 1.839,53=) € 1.191,67 zou dienen te ontvangen. Verweerder heeft de wettelijke rente van € 228,61 hierbij geteld en de op basis van de voorlopige jaarafrekening en de foutieve definitieve jaarafrekening door eiser ontvangen bedragen van € 1.021,- en € 2.433,49 hiervan afgetrokken, zodat het nog te betalen bedrag op € 2.034,21 neerkomt. In de omstandigheid dat verweerder dus geen wettelijke rente in rekening heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een verdergaande compensatie. Ook deze beroepsgrond slaagt gelet op het voorgaande dus niet.

Slotsom, griffierecht en proceskosten

3.9. De rechtbank komt tot de slotsom dat de beroepsgrond dat in het bestreden besluit onvoldoende is beslist op de bezwaren van eiser slaagt en dat de overige beroepgronden niet slagen. Dat betekent dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren. In de omstandigheid dat verweerder het gebrek in het bestreden besluit bij verweer voldoende heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dat betekent concreet voor eiser dat de uit het primaire besluit voortvloeiende betalingsverplichting door de vernietiging niet is aangetast.

3.10. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het aan eiser betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van € 41,-.

3.11. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) forfaitair begroot op € 874,- . Dit bedrag bestaat uit 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij de rechtbank van oordeel is dat het een zaak betreft van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1), € 437,- per punt. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Nu de proceskosten op grond van het Besluit forfaitair worden vastgesteld bestaat geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de werkelijk door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken. De hierin opgenomen afwijkingsmogelijkheid is naar het oordeel van de rechtbank bedoeld voor zeer uitzonderlijke, schrijnende gevallen, waarbij strikte toepassing van de regeling evident onrechtvaardig zou zijn. Van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit die afwijking van het forfaitaire stelsel rechtvaardigen is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank wijst het verzoek om een volledige proceskostenveroordeling daarom af.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 41,- (eenenveertig euro) aan eiser dient te betalen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser van deze procedure tot een bedrag van € 874,- (achthonderd en vierenzeventig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.M. de Buur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

22 december 2011.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature