Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

KG; Wincanton Holding vordert overlegging van alle dossierstukken gerelateerd aan (eventueel) door [advocaat 1] Advocaten en Loyens & Loeff aan haar verleende fiscale- en juridische diensten. [advocaat 1] Advocaten en Loyens en Loeff willen daar niet aan meewerken en doen (onder meer) een beroep op hun geheimhoudingsplicht en het daarmee samenhangende verschoningsrecht. De voorzieningenrechter betrekt bij zijn oordeel dat Wincanton Holding afgifte vordert van stukken uit een periode waarin de vennootschap zelf onderwerp van een juridische overnamestrijd was. Ten tijde van deze overnamestrijd hebben de oude bestuurders in samenspraak met hun advocaten een strategie voor Wincanton Holding ten dienste van Yukos Oil bepaald en de nieuwe bestuurders hebben in samenspraak met hun advocaten een strategie voor Wincanton Holding ten dienste van de Russchische staatsoliemaatschappij Rosneft bepaald. De hieruit voortvloeiende tegenstellingen hebben tot vele procedures geleid en inmiddels heeft het EHRM vastgesteld dat er een schending van artikel 1 Eerste Protocol EVRM is geweest met betrekking tot de uitwinning van de door de Russische staat beslagen vermogensbestanddelen van Yukos Oil. De voorzieningenrechter kan niet uitsluiten de bodemrechter - gelet op het in Nederland geldende algemene rechtsbeginsel dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor bijstand en advies tot een advocaat als vertrouwenspersoon moet kunnen wenden - zal oordelen dat adviezen die aan in het kader van een (door de oude bestuurders) ongewenste overnamestrijd aan Wincanton Holding zijn verstrekt niet zonder meer moeten worden overgelegd. Met het recht van bijstand en advies door een advocaat als vertrouwenspersoon is - naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter - voorshands immers niet verenigbaar dat adviezen die in vorenbedoeld kader zijn verstrekt zonder meer aan het nieuwe bestuur van de vennootschap beschikbaar moeten worden gesteld. Met betrekking tot de afgifte van het fiscale dossier heeft de voorzieningenrechter overwogen dat Wincanton Holding pas enkele dagen voor de zitting van het aanbod tot inzage in het bij Loyens en Loeff beschikbare dossier gebruik heeft gemaakt. Dat Wincanton ten tijde van de zitting nog niet heeft kunnen vaststellen of zij alle benodigde dossierstukken heeft ontvangen, is aan haar eigen handelwijze te wijten en roept bovendien de nodige vragen op ter zake de spoedeisendheid van deze vordering. De gevraagde voorzieningen worden geweigerd. (gelijktijdig behandeld met LJN: BV0483)

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 503624 / KG ZA 11-1780 HB/CGvB

Vonnis in kort geding van 23 december 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WINCANTON HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij (gelijkluidende) dagvaardingen van 15 november 2011,

advocaat mr. B.E.L.J.C. Verbunt te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[advocaat 1] advocaten B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. P.D. Olden te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

LOYENS & LOEFF N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. H.J.A. Knijff te Amsterdam.

Eiseres zal hierna Wincanton Holding worden genoemd. Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk [advocaat 1] advocaten en Loyens & Loeff worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij worden aangeduid als gedaagden.

1. De procedure

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met de nummers 503622/KG ZA 11-1779 HB/CGvB van Wincanton Holding tegen Nautadutilh N.V. (verder: Nautadutilh). Ter terechtzitting van 5 december 2011 heeft Wincanton Holding, na wijziging van eis, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding en akte houdende wijziging van eis van 2 december 2011. Enkele uren voor de zitting heeft Wincanton Holding verzocht de beslissing aangaande de vorderingen gericht tegen Loyens & Loeff met betrekking tot de afgifte van de fiscale dossiers aan te houden. Loyens & Loeff heeft op de zitting bezwaar gemaakt tegen aanhouding van de zaak op dit punt.

De voorzieningenrechter heeft – nadat beide partijen hierover zijn gehoord – gemeld dat hij in dit vonnis op het verzoek van Wincanton Holding zal beslissen. [advocaat 1] advocaten en Loyens & Loeff hebben vervolgens verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Alle partijen hebben producties en pleitnotities in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting waren, voor zover hier van belang, aanwezig:

Aan de zijde van Wincanton Holding: dhr. [bestuurder 1], bestuurder (hierna: [bestuurder 1]), met mr. Verbunt en zijn kantoorgenoot mr. G.H. Gispen.

Aan de zijde van [advocaat 1] advocaten: dhr. mr. [advocaat 1] (hierna: [advocaat 1]), met mr. Olden en zijn kantoorgenoot mr. F.A.W. Bannier.

Aan de zijde van Loyens & Loeff: dhr. mr. [advocaat 2], gevolmachtigde, met mr. Knijff.

2. De feiten

2.1. Wincanton Holding is een Nederlandse houdstermaatschappij die op 31 december 1985 is opgericht.

2.2. [advocaat 1] advocaten exploiteert een advocatenkantoor in Amsterdam.

2.3. Loyens & Loeff exploiteert een advocatenkantoor in een samenwerkingsverband met een fiscale adviespraktijk en een notariële praktijk in (onder meer) Rotterdam en Amsterdam.

2.4. Op 30 september 2005 heeft Yukos CIS Investment LLC (hierna: Yukos CIS) – een vennootschap naar Armeens recht die binnen de vennootschap naar Russisch recht OAO Yukos Oil Company (hierna: Yukos Oil) de functie van tussenhoudster- en financieringsmaatschappij had – in het kader van een herstructurering van Yukos Oil, waarbij ook Financial Performance Holdings B.V. (hierna: FPH) en Stichting administratiekantoor FPH (hierna: STAK) waren betrokken, de aandelen in Wincanton Holding verworven. De heren [bestuurder 2] (hierna: [bestuurder 2]) en [bestuurder 3] (hierna: [bestuurder 3]) zijn op dezelfde dag als bestuurder van Wincanton Holding en FPH aangetreden. Yukos CIS was voor de herstructurering tevens aandeelhouder van de vennootschap naar het recht van de Britse Maagdeneilanden Yukos Hydrocarbons International Limited (hierna: YHIL).

2.5. Wincanton Holding heeft eveneens op 30 september 2005 in het kader van de herstructurering van Yukos Oil aandelen in FPH verworven en die vervolgens op haar beurt – tegen uitgifte van certificaten van die aandelen aan Wincanton Holding – op dezelfde dag aan STAK overgedragen. FPH heeft in het kader van de herstructurering op haar beurt de aandelen in YHIL verkregen.

2.6. Yukos Oil is bij vonnis van 1 augustus 2006 door de Arbitrale rechtbank in Moskou failliet verklaard. Het faillissement van Yukos Oil en de daaruit volgende (rechts)handelingen zijn sindsdien onderwerp geweest van verschillende gerechtelijke procedures in diverse landen, waaronder Nederland en Armenië.

2.7. Op 22 maart 2007 zijn [bestuurder 2] en [bestuurder 3] als bestuurders van respectievelijk Wincanton Holding en FPH afgetreden en vervangen door Maser B.V. (hierna: Maser).

2.8. Op 31 augustus 2007 heeft [curator], de Russische curator in het faillissement van Yukos Oil (hierna: de curator), alle aandelen in Yukos CIS, verkocht aan de vennootschap naar Russisch recht OJSC Oil Company Rosneft (hierna: Rosneft) die in 1993 is opgericht en waarvan de Russische Federatie de eigenaar is. Nadien zijn er door Yukos CIS in Armenië juridische procedures aanhangig gemaakt waarbij zij een verklaring voor recht heeft gevorderd dat de tussen de curator en Rosneft gesloten koopovereenkomst ongeldig is. De vorderingen van Yukos CIS zijn bij vonnis van 9 juli 2009 door de Armeense rechter afgewezen.

2.9. Ondertussen is Maser op 6 mei 2008 als bestuurder van Wincanton Holding afgetreden en vervangen door [bestuurder 2] en de heer [bestuurder 4] (hierna: [bestuurder 4]). Maser is op 19 juni 2008 eveneens als bestuurder van FPH afgetreden en vervangen door [bestuurder 2] en de heer [bestuurder 5] (hierna: [bestuurder 5]).

2.10. Op 22 september 2008 heeft Wincanton Holding haar certificaten van aandelen in FPH overgedragen aan de rechtspersoon naar Amerikaanse recht Consolidated Nile LLC, thans geheten Consolidated Nile LP (hierna: CNL).

2.11. Bij brief van 17 oktober 2008 heeft [advocaat 1], voor zover hier van belang, het volgende aan Wincanton Holding geschreven:

“(…)

We are pleased that Wincanton Holding BV (the “Client”) has selected [advocaat 1] to act as its legal counsel in potential litigation against Rosneft and related parties (the “Assignment”).

(…)

1. Scope of work

We will provide legal advice to the Client and represent the Client and its affiliates in actual or threatened litigation in the Netherlands against Rosneft and related parties. Our work will include but not be limited to (i) review of relevant documents, including legal briefs, court decisions and other documents related to the various legal proceedings in which Yukos Finance BV (naar de voorzieningenrechter begrijpt Yukos CIS) and its affiliates are, have been and will be engaged against (the trustee of) Yukos Oil Company and Rosneft; (ii) preparing and submitting legal briefs and representing the Client in the Dutch courts; and (iii) meetings, telephone calls and correspondence with the Client and its other advisors related to the above. (…)

3. Instructions

We are authorised to take instructions from each of [bestuurder 2] and [bestuurder 4] and by any other person designated by either of them.

(…)”

2.12. Op 31 juli 2009 is Rosneft in het Armeense handelsregister geregistreerd als 100% aandeelhouder van Yukos CIS.

2.13. Op 4 augustus 2009 heeft Rosneft de heer [bestuurder 6], de toenmalige bestuurder van Yukos CIS (hierna: [bestuurder 6]), ontslagen en [bestuurder 1] als bestuurder van Yukos CIS benoemd.

2.14. Bij brief van 29 oktober 2009 heeft Loyens & Loeff, voor zover hier van belang, het volgende aan Wincanton Holding geschreven:

“(…)

We are delighted to be engaged by Wincanton Holding B.V. (the “Company”) as one of its legal advisors with regard to the matters described below.

(…)

Scope of services / fee estimate

In our understanding, we are retained to provide you, at your request, with advice on various Dutch tax matters.

(…)”

Wincanton Holding heeft voornoemde brief op 6 november 2009 ondertekend teruggestuurd.

2.15. Eind 2009 is CNL – die reeds op 22 september 2008 certificaten van aandelen in FPH heeft verkregen (FPH houdt op haar beurt de aandelen in YHIL) zoals reeds vermeld onder 2.5 en 2.10 – omgezet in een rechtspersoon naar het recht van Delaware (Verenigde Staten), een rechtspersoon die vergelijkbaar is met een Nederlandse commanditaire vennootschap. Wincanton Holding is als gevolg van deze omzetting ‘limited partner’ (stille vennoot) geworden. De vennootschap naar Amerikaans recht General Nile LLC (hierna: GNL), is na de omzetting ‘general partner’ (beherend vennoot) geworden. [bestuurder 2] en [bestuurder 6] zijn de bestuurders van CNL.

2.16. Op 22 februari 2010 heeft [bestuurder 2], voor zover hier van belang, het volgende aan [advocaat 1] advocaten geschreven:

“(…)

Although we have enjoyed working with you in preparation thereof, after careful consideration we have decided to transfer the defense of Wincanton in the Netherlands from your firm to Loyens & Loeff. I have requested [advocaat 3] (copied hereby), a partner at Loyens, to contact you directly to arrange for a prompt and orderly transfer of the file. Kindly give him your full cooperation.

(…)”

2.17. Op 21 mei 2010 zijn [bestuurder 2] en [bestuurder 4] – na een eerdere schorsing in april 2010 – als bestuurder van Wincanton Holding ontslagen en vervangen door [bestuurder 1]. [bestuurder 2] en [bestuurder 4] hebben de rechtmatigheid van hun ontslag als bestuurder van Wincanton Holding betwist. Bij dagvaarding van 8 april 2010 hebben [bestuurder 2] en [bestuurder 4] een kort gedingprocedure jegens Yukos CIS, [bestuurder 1] en Wincanton Holding aanhangig gemaakt. In deze procedure hebben voornoemde partijen geprocedeerd over de vraag wie als bestuurder van Wincanton Holding moet worden aangemerkt. Bij vonnis van 10 mei 2010 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [bestuurder 1] als bevoegde bestuurder van Wincanton Holding moet worden aangemerkt. Het dictum van dit vonnis luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

7.6. veroordeelt [bestuurder 2] en [bestuurder 4] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [bestuurder 1] af te geven alle aan hen ter beschikking staande of onder hen berustende administratie en documentatie die toebehoort aan Wincanton (Wincanton Holding, aanvulling vzr.),

(…)

7.8. bepaalt dat [bestuurder 2] en [bestuurder 4] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoen aan één of meer van de veroordelingen onder 7.5 tot en met 7.7, aan Yukos CIS, [bestuurder 1] en Wincanton een dwangsom verbeuren van € 10.000.000,00, tot een maximum van € 150.000.000,00,”

(…)”

2.18. Op 2 augustus 2010 is de heer [bestuurder 7] (hierna: [bestuurder 7]) eveneens benoemd tot bestuurder van Wincanton Holding.

2.19. Bij brief van 31 augustus 2010 heeft mr. [advocaat 4] (werkzaam bij advocatenkantoor Boekel de Nerée; verder: mr. [advocaat 4]) de toenmalige advocaat van Wincanton Holding en Yukos CIS de tussen Loyens & Loeff en Wincanton Holding bestaande relatie (zie 2.14) beëindigd. Voorts heeft mr. [advocaat 4] Loyens & Loeff verzocht om afgifte van de dossiers van Wincanton Holding.

2.20. Bij brief van 10 september 2010 heeft de nieuwe fiscale adviseur van Wincanton Holding, te weten Norton Rose LLP (hierna: Norton Rose) Loyens & Loeff om afgifte van het fiscale dossier verzocht. Op 20 september 2010 hebben Loyens & Loeff en Norton Rose over voornoemd verzoek telefonisch contact gehad. Bij brief van 28 september 2010 heeft Norton Rose nogmaals verzocht om een kopie van het fiscale dossier. Loyens & Loeff heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

2.21. Ondertussen heeft mr. [advocaat 4] [advocaat 1] bij brief van 14 september 2010 verzocht om afgifte van het advocatendossier van Wincanton Holding. In reactie op dit verzoek heeft [advocaat 1] bij faxbericht van 30 september 2010, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“(…)

Firstly, please note that Wincanton has decided in Februari 2010 to discontinue our services. Following such decision, we have traseferred our files to our successor Legal counsel, Mr. [advocaat 3] at Loyens & Loeff.

Secondly, as you are aware, the purported acquisition of Rosneft of Yukos CIS Investment Ltd (“Yukos CIS”), the purported dismissal of Mr. [bestuurder 6] and appointment of Mr. [bestuurder 1] as manager of Yukos CIS and the subsequent purported dismissal of Messrs. [bestuurder 2] and [bestuurder 4] and appointment of Mr. [bestuurder 1] as manager of Wincanton are highly controversial and are subject to various legal proceedings in Armenia and the Netherlands and before the European Court of Human Rights.

Consequently, our professional secrecy obligations do not allow us to share information or transfer files regarding Wincanton.

(…)”

2.22. [bestuurder 2] en [bestuurder 4] zijn in hoger beroep gegaan van het onder 2.17 genoemde kort gedingvonnis van deze rechtbank. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 17 mei 2011 arrest gewezen. Dit arrest bevat, voor zover hier van belang, de navolgende beslissingen:

“(…)

a. veroordeelt [bestuurder 2] c.s. om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest aan [bestuurder 1] af te geven alle aan hen ter beschikking staande of onder hen berustende administratie en documentatie die toebehoort aan Wincanton;

b. verstaat dat tot deze administratie en documentatie mede behoren de stukken, waaronder juridische adviezen, die [bestuurder 2] c.s. als bestuurders van Wincanton onder zich hebben gekregen ter zake van de “herstructurering”, op te vatten als de certificering van aandelen FPH in 2005 en de in 2008 en 2009 gekozen constructie met Amerikaanse rechtspersonen;

c. veroordeelt [bestuurder 2] c.s. binnen veertien dagen na betekening van dit arrest derden, zoals Wincantons voormalige adviseurs (inclusief Maser), zo nodig instructies te geven met de strekking dat [bestuurder 1] op diens eerste verzoek inzage krijgt in alle documenten van Wincanton die de derde onder zich heeft of waarover hij de beschikking heeft;

d. bepaalt dat [bestuurder 2] c.s. voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoen aan één of meer van de hierboven opgelegde verplichtingen aan Yukos CIS c.s. een dwangsom verbeuren van € 10.000.000,= (zegge tien miljoen euro), met een maximum (in welk maximum ook zijn begrepen eventueel verschuldigde dwangsommen ter zake van overtreding van 7.5 in het vonnis van 10 mei 2010) van € 150.000.000,= (zegge honderdvijftig miljoen euro);

(…)”

Op 18 mei 2011 is voornoemd arrest namens Yukos CIS, [bestuurder 1] en Wincanton Holding aan [bestuurder 2] en [bestuurder 4] betekend.

2.23. Na voornoemd vonnis is door een van de huidige advocaten van Wincanton Holding (en Yukos CIS) opnieuw een verzoek gedaan tot afgifte van het zich bij [advocaat 1] advocaten bevindende advocatendossier. Op 20 juni 2011 heeft [advocaat 1] advocaten een kopie (van een deel) van haar advocatendossier alsnog aan de huidige advocaten van Wincanton Holding meegegeven.

2.24. Ondertussen heeft een van de huidige advocaten van Wincanton Holding (en Yukos CIS) op respectievelijk 20 mei 2011 en 16 juni 2011 een verzoek tot inzage in de zich bij Loyens & Loeff bevindende dossiers gedaan. Bij brieven van 20 juni 2011 en 7 juli 2011 heeft Loyens & Loeff op voornoemde verzoeken gereageerd. In deze brieven heeft Loyens & Loeff – kort gezegd – aan de huidige advocaten van Wincanton Holding geschreven dat zij in het verleden enkel fiscaal advies aan Wincanton Holding heeft gegeven en daarom slechts inzage kan geven in een fiscaal dossier en voorts niet over andere (advocaten)dossiers beschikt. Loyens & Loeff heeft in beide brieven vertegenwoordigers van Wincanton Holding uitgenodigd om een afspraak te maken voor inzage in het fiscale dossier ten kantore van Loyens & Loeff in Rotterdam.

2.25. Op 20 september 2011, appl.no 14902/04 heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) uitspraak gedaan in de zaak OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos (Yukos Oil) tegen de Russische Federatie. Dit arrest luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

1. Compliance with Article 1 of Protocol No. 1

(a) Whether the Tax Assessments 2000-2003 complied with the Convention requirement of lawfulness (…)

ii. The allegation that the Tax Assessments 2000-2003 had not been based on a reasonable and foreseeable interpretation of the domestic law (…)

?. The Court’s assessment

(…)

594. (…) The above considerations are sufficient for the Court to conclude that the findings of the domestic courts that applicant company’s tax arrangements were unlawful at the time when the company had used them, were neither arbitrary nor manifestly unreasonable. (…)

605. Overall, the Court finds that, in so far as the applicant company’s argument about the allegedly unreasonable and unforeseeable interpretation of the domestic law in the Tax Assessments 2000-2003 is concerned, the Tax Assessments 2000-2003 complied with the requirement of lawfulness of Article 1 of Protocol No. 1.

(b) Whether the Tax Assessments 2000-2003 pursued a legitimate aim and were proportionate

606. The Court is satisfied that, subject to its findings in respect of the lawfulness of fines for the years 2000 and 2001 made earlier, each of the Tax Assessments 2000-2003 pursued a legitimate aim of securing the payment of taxes and constituted a proportionate measure in pursuance of this aim. The tax rates as such were not particularly high and given the gravity of the applicant company’s actions there is nothing in the case file to suggest that the rates of the fines or interest payments can be viewed as having imposed an individual and disproportionate burden, as such, on the applicant company (see Dukmedjian v. France, no. 60495/00, §§ 55-59, 31 January 2006).(…)

2. Compliance with Article 14, taken in conjunction with Article 1 of Protocol No. 1

(…)

B. The complaints about the enforcement of the debt resulting from the Tax Assessments 2000-2003(…)

3. The Court’s assessment

(…)

647. As regards the lawfulness of the measures in question, the Court has no reason to doubt that throughout the proceedings the actions of various authorities had a lawful basis and that the legal provisions in question were sufficiently precise and clear to meet the Convention standards concerning the quality of law.

(…)

650. In view of the above considerations, the Court finds that the crux of the applicant company’s case did not lay in the attachment of its assets and cash as such, but rather and essentially in the speed with which the authorities demanded the company to pay, in the decision which had chosen the company’s main production unit, OAO Yuganskneftegaz, as the item to be compulsorily auctioned in the first instance, and in the speed with which the auction had been carried out.

(…)

653. The Court finds this aspect of the enforcement proceedings of utmost importance when striking a balance between the interests concerned, given that the sums that were already owed by the company in July 2004 made it rather obvious that the choice of OAO Yuganskneftegaz as the first item to be auctioned in satisfaction of the company’s liability was capable of dealing a fatal blow to its ability to survive the tax claims and to continue its existence.

(…)

657. On the whole, given the pace of the enforcement proceedings, the obligation to pay the full enforcement fee and the authorities’ failure to take proper account of the consequences of their actions, the Court finds that the domestic authorities failed to strike a fair balance between the legitimate aims sought and the measures employed.

658. To sum up, the Court concludes that there has been a violation of the applicant company’s rights under Article 1 of Protocol No. 1 on account of the State’s failure to strike a fair balance between the aims sought and the measures employed in the enforcement proceedings against the applicant company.

C. The complaint about the Government’s intentions in the tax and enforcement proceedings against the applicant company

(…)

3. The Court’s assessment

(…)

658. The Court would observe that in its previous analysis under Article 6 of the Convention and Article 1 of Protocol No. 1 it has already addressed the applicant company’s points about the nature of its debt to the authorities, and in particular the merits of the 2000-2003 Tax Assessments proceedings. Despite the fact that it found a violation of Article 6 of the Convention on account of the speed with which the courts had conducted the proceedings in the 2000 Tax Assessment case and a violation of Article 1 of Protocol No. 1 on account of the interference by the Constitutional Court with the outcome of the 2000 Tax Assessment case in the part relating to penalties, the Court rejected the applicant company’s claims that the company’s debt had been recognised as a result of an unforeseeable, unlawful and arbitrary interpretation of the domestic law (see paragraphs 605 and 616). The Court also recognised the right of the State to enforce, as such, the court judgments, but reached conclusions concerning the handling of the enforcement proceedings by the domestic authorities which lead to the finding of a violation of Article 1 of Protocol No. 1. In view of these findings, the Court will proceed on the assumption that the company’s debt in the enforcement proceedings resulted from legitimate actions by the respondent Government to counter the company’s tax evasion and the burden of proof would accordingly rest on the applicant company to substantiate its allegations.

(…)

FOR THESE REASONS, THE COURT

(…)

7. Holds by five votes to two that there has been a violation of the applicant company’s rights under Article 1 of Protocol No. 1 in the enforcement proceedings against the applicant company in that the domestic authorities failed to strike a fair balance between the legitimate aim of these proceedings and the measures employed;

(…)”

2.26. Op 17 oktober 2011 is aan de rechtsstrijd in Armenië die betrekking heeft op de door Rosneft verkregen aandelen en de benoeming van [bestuurder 1] tot bestuurder van Yukos CIS een einde gekomen, in die zin dat alle hiertegen naar voren gebrachte bezwaren door de Armeense rechter zijn verworpen.

2.27. Op 3 november 2011 is door mr. Verbunt, een van de huidige advocaten van Wincanton Holding en Yukos CIS een verzoek gedaan tot afgifte van het gehele zich bij [advocaat 1] advocaten bevindende advocatendossier. [advocaat 1] advocaten heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

2.28. Eveneens op 3 november 2011 is door mr. Verbunt een verzoek tot afgifte gedaan van het fiscale- en advocatendossier aan Loyens & Loeff gedaan. In reactie op het aan Loyens & Loeff gerichte verzoek heeft Loyens & Loeff mr. Verbunt bij brief van 9 november 2011 geschreven dat op eerdere uitnodigingen om het fiscale dossier te komen bekijken niet is gereageerd, maar dat het dossier nog steeds voor inspectie beschikbaar is. Mr. Verbunt heeft bij e-mail van 11 november 2011 betwist dat Loyens & Loeff slechts fiscaal advies heeft verstrekt aan Wincanton Holding en opnieuw om afgifte van alle dossiers verzocht.

2.29. Op 29 november 2011 hebben vertegenwoordigers van Wincanton Holding bij Loyens & Loeff het beschikbaar gestelde fiscale dossier ingezien. Op 30 november 2011 hebben de vertegenwoordigers van Wincanton Holding in totaal 632 pagina’s aan kopieën ontvangen van de stukken die door hen op 29 november 2011 zijn aangewezen.

2.30. Op dit moment is er tussen Wincanton Holding en Yukos CIS (eisers) en STAK (gedaagde) een bodemprocedure aanhangig bij deze rechtbank (473766 / HA ZA 10-3453). In deze procedure zijn de onder 2.10 en 2.15 weergegeven rechtshandelingen voorwerp van het geschil, in die zin dat de vorderingen van Wincanton Holding en Yukos CIS zich op vernietiging van voorbedoelde (rechts)handelingen richten.

3. Het geschil

3.1. Wincanton Holding vordert samengevat en op straffe van een dwangsom -:

primair

gedaagden te bevelen om, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, opgave en afgifte te doen van het (de) dossier(s) die gedaagden hebben opgebouwd toen zij de belangen van Wincanton Holding behartigden, althans een kopie daarvan;

subsidiair

gedaagden te bevelen om, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, opgave te doen van en inzage te geven in het (de) dossier(s) die gedaagden hebben opgebouwd toen zij de belangen van Wincanton Holding behartigden;

meer subsidiair

gedaagden te bevelen om, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, opgave en afgifte te doen van de categorieën van stukken uit het (de) dossier(s) die gedaagden hebben opgebouwd toen zij de belangen van Wincanton Holding behartigden en waarvan de voorzieningenrechter meent dat Wincanton Holding daar aanspraak op kan maken;

nog meer subsidiair

gedaagden te bevelen om, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, opgave en inzage te geven in de categorieën van stukken uit het (de) dossier(s) die gedaagden hebben opgebouwd toen zij de belangen van Wincanton Holding behartigden en waarvan de voorzieningenrechter meent dat Wincanton Holding daar aanspraak op kan maken.

Voorts vordert Wincanton Holding veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding.

3.2. Ter toelichting op de vorderingen heeft Wincanton Holding het volgende gesteld. In de periode van oktober 2008 tot en met februari 2010 heeft [advocaat 1] advocaten advocatuurlijke diensten aan Wincanton Holding verleend. Wincanton Holding verwijst hiervoor met betrekking tot [advocaat 1] advocaten naar de onder 2.11 opgenomen brief van 17 oktober 2008, waarin de aard en de omvang van de opdracht is omschreven. Op 22 februari 2008 is de aan [advocaat 1] advocaten gegeven opdracht tot het verlenen van advocatuurlijke diensten beëindigd. Wincanton Holding heeft vervolgens Loyens & Loeff in geschakeld om haar belangen te behartigen. Dit volgt uit de onder 2.16 opgenomen brief, waarin [bestuurder 2] [advocaat 1] verzoekt contact op te nemen met Loyens & Loeff om het advocatendossier over te dragen. Uit een e-mail van 23 februari 2010 volgt dat [advocaat 1] advocaten een kopie van haar dossier (11 ordners in totaal) aan Loyens & Loeff heeft overgedragen. Uit een e-mailwisseling waarover Wincanton Holding beschikt blijkt evenwel dat Loyens & Loeff reeds vanaf november 2009 de belangen van Wincanton Holding feitelijk heeft behartigd.

3.2.1. Wincanton Holding werd in de periode vanaf oktober 2008 tot en met mei 2010 bestuurd door [bestuurder 2] en [bestuurder 4]. Ofschoon voornoemde oud-bestuurders bij arrest van 17 mei 2011 (zie 2.22) in navolging van een eerder kort gedingvonnis van 10 mei 2010 (zie 2.17) zijn veroordeeld om (onder meer) alle documenten te verstrekken, die zien op de (rechts)handelingen die eind 2008 en 2009 (zie 2.10 en 2.15) in naam van Wincanton Holding zijn verricht, is daar vooralsnog onvoldoende gehoor aan gegeven. Dit klemt te meer, nu de huidige (en rechtsgeldige) bestuurders in staat moeten worden gesteld om de bedrijfsvoering van Wincanton Holding op een goede wijze voort te zetten. Gedaagden zijn ook verplicht om alle documenten die betrekking hebben op aangelegenheden die het bestuur van Wincanton Holding aangaan (besluitvoering, bedrijfsvorming, financiële stand van zaken en andere vermogensrechtelijke gebeurtenissen binnen de rechtspersoon) te overleggen. Wincanton Holding doet daartoe een beroep op artikel 7:403 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 46 Advocatenwet , alsmede de artikelen 22 lid 2 en 27 lid 4 Gedragsregels 1992. Uit voornoemde artikelen volgt immers dat gedaagden – die de belangen van Wincanton Holding hebben behartigd – in het kader van de op hen rustende zorgplicht gehouden zijn alle documenten af te geven dan wel inzage in alle dossiers mogelijk te maken.

3.2.2. In aanvulling op de hiervoor besproken advocatuurlijke diensten heeft Loyens & Loeff fiscaalrechtelijk advies aan Wincanton Holding verstrekt. Dit blijkt (onder meer) uit de onder 2.14 opgenomen opdrachtbrief van 29 oktober 2009. Loyens & Loeff heeft Wincanton Holding inmiddels uitgenodigd om het fiscale dossier (deels) op haar kantoor te komen inzien. Wincanton Holding heeft echter recht en belang bij afgifte van het volledige fiscale dossier en handhaaft derhalve haar vorderingen op dat punt.

3.2.3. Wincanton Holding doet verder – met betrekking tot de zich bij gedaagden bevindende dossiers – een beroep op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Wincanton Holding heeft een spoedeisend belang bij afgifte van alle dossiers die gedaagden bij de behartiging van de belangen van Wincanton Holding hebben opgebouwd, omdat de jaarrekeningen over de jaren 2008, 2009 en 2010 nog moeten worden opgesteld. Wincanton Holding heeft deze informatie hard nodig, omdat zij verplicht is om een deugdelijke jaarrekening vast te stellen en te publiceren, teneinde (strafrechtelijke) sancties te ontlopen. Op dit moment ontbreekt nog te veel informatie waardoor het thans niet mogelijk is om de fiscale, juridische en vermogenspositie van Wincanton Holding te bepalen. Wincanton Holding was tot op heden niet in staat om belastingaangifte over de periode van 2008 tot en met 2010 te doen. Gedaagden dienen om voormelde redenen dan ook alle dossiers zo spoedig mogelijk af te geven.

3.2.4. Het verweer van [advocaat 1] advocaten dat Wincanton Holding geen recht heeft op afgifte van de correspondentie die [advocaat 1] advocaten in de periode van 2008 tot en met 2010 met derden heeft gevoerd (en welke niet met het voormalige bestuur is gedeeld), gaat niet op. [advocaat 1] advocaten heeft de belangen van Wincanton Holding behartigd en Wincanton Holding heeft uit dien hoofde recht op alle documenten die in het Wincanton Holding dossier thuishoren en welke [advocaat 1] advocaten in het kader van de onder 2.11 weergegeven opdracht onder zich heeft gekregen. Voor censuur is derhalve geen plaats. Ook het verweer van Loyens & Loeff dat zij Wincanton Holding – met uitzondering van het geven van fiscaal advies – nooit heeft bijgestaan faalt. Loyens & Loeff heeft immers als opvolgend advocaat het dossier van Wincanton Holding van [advocaat 1] advocaten ontvangen. Voorts blijkt uit diverse in het geding gebrachte e-mails dat Loyens & Loeff de belangen van Wincanton Holding heeft behartigd. Dat [advocaat 1] advocaten reeds een deel van het dossier aan Wincanton Holding heeft doen toekomen, heeft dan ook niet tot gevolg dat Wincanton Holding geen belang meer heeft bij haar vordering. Een groot deel van het door Loyens & Loeff opgebouwde (advocaten)dossier ontbreekt immers nog, aldus (steeds) Wincanton Holding.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Zij betwisten in de eerste plaats de bevoegdheid van [bestuurder 1] en [bestuurder 7] om Wincanton Holding te vertegenwoordigen. De onrechtmatige onteigening en uitwinning van de vermogensbestanddelen van Yukos Oil staat – gelet op het arrest van het EHRM – inmiddels vast (zie 2.25). De voorzieningenrechter dient binnen de Nederlandse rechtssfeer – vanwege strijd met de openbare orde en diverse fundamentele rechtsbeginselen (waaronder artikel 6 EVRM en artikel 1 Eerste Protocol EVRM ) – geen rechtsgevolgen te verbinden aan de verkrijging van de aandelen Yukos CIS door Rosneft en alle daaruit voortvloeiende rechtshandelingen. Het faillissement van Yukos Oil mist immers iedere rechtskracht in Nederland. Het voorgaande brengt mee dat het er tot op heden voor moet worden gehouden dat het ontslag van [bestuurder 2] en [bestuurder 4] en de aanstelling van [bestuurder 1] en [bestuurder 7] voortvloeit uit een onrechtmatige daad en er derhalve nog steeds onzekerheid bestaat over de vraag of [bestuurder 1] het bestuur van Wincanton Holding rechtmatig vertegenwoordigt. Een verwijzing naar de uitkomsten van Armeense procedures kan Wincanton Holding niet baten. Te minder, nu de Armeense rechtspraak onvoldoende onpartijdig en onafhankelijk is, er geen erkenningsverdrag tussen Nederland en Armenië bestaat en de Armeense vonnissen evenmin aan de Bontmantel-criteria voldoen, die door de Hoge Raad zijn geformuleerd. De voorzieningenrechter is verder ook niet gebonden aan het onder 2.22 opgenomen arrest van het gerechtshof Amsterdam, nu slechts sprake is van een voorlopig oordeel in een kortgeding procedure. Gedaagden zijn in deze procedure immers geen partij geweest. Bovendien is het arrest van het EHRM (dat na het arrest van 17 mei 2011 is gewezen) destijds niet bij de beoordeling betrokken.

3.4. Voor het geval de hiervoor opgenomen verweren niet slagen, voeren gedaagden het volgende aan. [advocaat 1] advocaten erkent dat zij vanaf 17 oktober 2008 tot 22 februari 2010 advocatuurlijke diensten ten behoeve van Wincanton Holding heeft verricht. [advocaat 1] advocaten heeft evenwel geen rol gespeeld bij de herstructurering, nu Wincanton Holding op dat moment al geen gebruik meer maakte van haar diensten. Loyens & Loeff betwist dat Wincanton Holding haar een opdracht heeft verstrekt tot het verlenen van advocatuurlijke diensten. De op 22 februari 2010 van [advocaat 1] advocaten ontvangen kopieën, zijn niet aan Loyens & Loeff verstrekt omdat Loyens & Loeff de opvolgend advocaat zou zijn. Loyens & Loeff heeft deze stukken ten behoeve van andere dossiers ontvangen. Uit de door Wincanton Holding – overigens beperkt – aangehaalde e-mails kan ook niet worden afgeleid dat Loyens & Loeff de belangen van Wincanton Holding – met uitzondering van fiscale aspecten – heeft behartigd. Uit antwoorden op deze e-mails (en daaraan voorafgaande e-mails) blijkt immers dat aan de suggestie om Loyens & Loeff als advocaat in te schakelen nimmer gevolg is gegeven. Waar voorts gesproken wordt over de ‘Wincanton defense’ worden de bestuurders ([bestuurder 2] en [bestuurder 4]) en de andere vennootschappen bedoeld die proberen te voorkomen dat Rosneft zeggenschap over bijvoorbeeld CNL krijgt. Wincanton Holding heeft ook nimmer een declaratie van Loyens & Loeff ontvangen voor het verrichten van advocatuurlijke diensten, laat staan een declaratie van Loyens & Loeff voor dergelijke diensten betaald.

3.4.1. De geheimhoudingsplicht van gedaagden maakt voorts dat de door Wincanton Holding gevorderde inzage of afgifte niet kan worden toegewezen. De geheimhoudingsplicht moet immers de toegankelijkheid van dienstverlening voor een ieder garanderen, zodat een cliënt een dienstverlener kan raadplegen zonder dat hij de vrees heeft dat de dienstverlener de informatie die hij in vertrouwen heeft verschaft met een derde zal delen. Bij een vijandelijk overname, waar hier sprake van is, en een daaruit voortvloeiende strijd tussen het oude bestuur en het nieuwe bestuur over de zeggenschap binnen de onderneming, kan het niet zo zijn dat van de advocaat van het oude bestuur wordt verlangd dat hij informatie (anders dan relevante contracten en financiële informatie) verstrekt aan het nieuwe bestuur over de stukken die hij in het kader van de verdediging van de belangen van het oude bestuur heeft ontvangen. Dit zou immers de vertrouwensfunctie van een advocaat ondermijnen en voorts strijdig zijn met artikel 6 EVRM. Bovendien zou het doel van de geheimhoudingsplicht en het daarmee corresponderende verschoningsrecht van een advocaat ernstig geweld worden aangedaan op het moment dat vertrouwelijke adviezen die in het kader van een op handen zijnde vijandelijke overname zijn verstrekt nadien in handen van de nieuwe bestuurders komen. Het recht van vrije toegang tot een advocaat is in dat geval illusoir. Op het moment dat een advocaat een beroep doet op het beroepsgeheim, dient de rechter die keuze in beginsel ook te respecteren. In aanvulling op het voorgaande is een ruimere interpretatie van het begrip cliënt – anders dan enkel aanknopen bij de rechtspersoonlijkheid van Wincanton Holding – gelet op de omstandigheden van dit geval ook op zijn plaats. Gedaagden hebben ten slotte geen gehoor gegeven aan de sommaties van Wincanton Holding om alle gevraagde stukken af te geven, omdat zij in dat geval niet alleen klachtwaardig handelen (artikel 46 advocatenwet), maar ook een misdrijf plegen (artikel 272-1 van het Wetboek van Strafrecht ).

3.4.2. Verder voeren gedaagden aan dat Wincanton Holding niet heeft gemeld welke stukken zij op dit moment nog mist. Zij moet thans in staat worden geacht specifiek aan te geven welke stukken nog ontbreken. Dit geldt te meer, nu er op dit moment al meer dan 30 ordners aan materiaal (onder meer door [bestuurder 2] en [bestuurder 4] en door gedaagden) is afgegeven. Gedaagden betwisten ook uitdrukkelijk dat niet alle in de zin van artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van belang zijnde administratie zou zijn overgelegd. De vordering van Wincanton Holding kwalificeert dan ook als een fishing expedition en is enkel gericht op het verkrijgen van vertrouwelijke adviezen. De vordering kan derhalve evenmin op grond van artikel 843a Rv worden toegewezen.

3.4.3. In aanvulling op het voorgaande erkent Loyens & Loeff dat zij fiscaal advies aan Wincanton Holding (en FPH) heeft verstrekt. Op 31 augustus 2010 heeft Wincanton Holding de opdracht tot verlening van fiscale diensten echter beëindigd. Vervolgens is op 10 september 2010 Norton Rose ingeschakeld. Tussen Loyens & Loeff en Norton Rose is er nadien kort contact geweest over de beschikbaarstelling van documenten van Wincanton Holding (die van belang waren voor de bepaling van haar belastingpositie), maar uiteindelijk heeft er geen overdracht plaatsgevonden. Nadien heeft Loyens & Loeff enkele verzoeken gericht op de inspectie van het dossier ontvangen. Loyens & Loeff heeft aan deze verzoeken gehoor gegeven (voor wat betreft inspectie van de door Loyens & Loeff verrichte fiscale dienstverlening) voor zover Loyens & Loeff daartoe ingevolge artikel 10 lid 3 van het Reglement Beroepsuitoefening Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (hierna: Reglement) is gehouden. Ondanks dat dit aanbod reeds in juni 2011 is gedaan, is daar pas kort voor de zitting gebruik van gemaakt. Wincanton Holding heeft – nu zij alle stukken al heeft gekregen – geen belang meer, laat staan een spoedeisend belang, bij haar vordering, aldus nog steeds gedaagden.

4. De beoordeling

ontvankelijkheid

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

kern van het geschil

4.2. Tussen partijen is in geschil of gedaagden gehouden zijn dossierstukken gerelateerd aan fiscale- en advocatuurlijke diensten te overleggen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Wincanton Holding – indien sprake is van opdrachtrelatie in die zin dat gedaagden de fiscale- en/of juridische belangen van Wincanton Holding hebben behartigd – in beginsel recht heeft op afgifte van haar dossierstukken.

afgifte/inzage advocatendossier(s)

4.3. Met betrekking tot de advocatendossiers overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit de onder 2.11 opgenomen opdrachtbevestiging volgt dat [advocaat 1] advocaten Wincanton Holding zal adviseren in de procedures tegen Rosneft en daaraan gelieerde partijen. [advocaat 1] advocaten heeft ook erkend dat zij vanaf 17 oktober 2008 tot 22 februari 2010 advocatuurlijke diensten ten behoeve van Wincanton Holding heeft verricht. Zij heeft er vervolgens voor gekozen een deel van het advocatendossier van Wincanton Holding aan haar beschikbaar te stellen en voor het overige een beroep te doen op haar geheimhoudingsplicht. Of [advocaat 1] advocaten desondanks gehouden is ook het resterende deel van het advocatendossier af te geven zal hierna onder 4.5 tot en met 4.7 worden behandeld.

4.4. Anders dan ten aanzien van [advocaat 1] advocaten heeft Wincanton Holding – gelet op de gemotiveerde betwisting van Loyens & Loeff – in dit kort geding vooralsnog niet aannemelijk kunnen maken dat ook Loyens & Loeff advocatuurlijke diensten ten behoeve van Wincanton Holding heeft verricht. De onder 2.14 opgenomen opdrachtbevestiging vermeldt immers enkel dat Loyens & Loeff fiscale diensten ten behoeve van Wincanton Holding zal verlenen. Voorts kan de voorzieningenrechter uit de overige door Wincanton Holding overgelegde e-mails vooralsnog niet in voldoende mate distilleren dat Loyens & Loeff ook daadwerkelijk door middel van advocatuurlijke dienstverlening de belangen van Wincanton Holding heeft behartigd. Hiervoor dient een nader onderzoek naar de feiten plaats te vinden, waarvoor een kort geding zich niet leent. Daarbij zal ook de handelwijze van Loyens & Loeff – dat zij een kopie van (een deel van) het advocatendossier van Wincanton Holding dat zij van [advocaat 1] advocaten heeft ontvangen ten behoeve van andere cliënten heeft gebruikt, zoals door mr. [advocaat 3] (werkzaam als advocaat bij Loyens & Loeff) ter zitting is verklaard – verder kunnen worden onderzocht. Voor het geval in een bodemprocedure blijkt dat Loyens & Loeff weldegelijk advocatuurlijke diensten ten behoeve van Wincanton Holding heeft verricht (en welke als ter behartiging van haar belangen moeten worden aangemerkt), geldt hetgeen hierna onder 4.5 tot en met 4.7 wordt overwogen.

4.5. Ter zake het door [advocaat 1] advocaten (en subsidiair ook door Loyens & Loeff) gedane beroep op zijn geheimhoudingsplicht en het daarmee samenhangende verschoningsrecht, wordt als volgt overwogen. In het onderhavige geval vordert Wincanton Holding onder meer afgifte van de advocatendossiers die zijn opgebouwd in een periode waarin de vennootschap zelf in een ongewenste (juridische) overnamestrijd was verwikkeld. In die periode hebben zowel de oude bestuurders ([bestuurder 2] en [bestuurder 4]) als de nieuwe bestuurder ([bestuurder 1]) zich tot hun advocaten gewend en adviezen gevraagd teneinde een goede strategie met betrekking tot Wincanton Holding te kunnen bepalen. Daarbij is niet in geschil dat de strategie van de oude bestuurders ten dienste stond van Yukos Oil en die van de nieuwe bestuurders ten dienste van (uiteindelijk) Rosneft.

4.6. De strijd omtrent de vermogensbestanddelen van Yukos Oil heeft tot vele procedures in vele landen geleid. De tegenstellingen die tussen (de oude bestuurders van) Yukos Oil en (de nieuwe bestuurders van) Rosneft bestaan worden ook belichaamd in het arrest van het EHRM (zie 2.25), waarin bovendien schendingen met betrekking tot artikel 1 Eerste Protocol EVRM zijn aangenomen aangaande de uitwinning van de beslagen vermogensbestanddelen van Yukos Oil. Gelet op de hiervoor beschreven overnamestrijd kan de voorzieningenrechter niet uitsluiten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat gedaagden – voor zover Loyens & Loeff al adviezen aan Wincanton Holding heeft gegeven ter voorkoming van een ongewenste overname door (uiteindelijk) Rosneft – een succesvol beroep kunnen doen op hun geheimhoudingsplicht,waarvan de grondslag moet worden gezocht in het in Nederland geldende algemene rechtsbeginsel, dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene zich voor bijstand en advies moet kunnen wenden tot een advocaat als vertrouwenspersoon. Met het recht van bijstand en advies door een advocaat als vertrouwenspersoon is – naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter – voorshands niet verenigbaar dat adviezen die in vorenbedoeld kader zijn verstrekt zonder meer aan het nieuwe bestuur van de vennootschap beschikbaar moeten worden gesteld. Een zelfde benadering lijkt ook te volgen uit rechtsoverweging 6.6 van het door [advocaat 1] advocaten in het geding gebrachte arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 oktober 2007, LJN: BC3120 ([curator] c.s./NautaDutilh c.s.). Dat [advocaat 1] advocaten – in een eerder stadium – ervoor heeft gekozen om een deel van het advocatendossier aan Wincanton Holding beschikbaar te stellen – waarvan [advocaat 1] advocaten zich overigens thans op het standpunt stelt dat zij daartoe niet gehouden was, als zij in een eerder stadium ook ten aanzien van deze stukken een beroep op haar geheimhoudingsplicht had gedaan – maakt niet dat haar thans voor het resterende deel geen beroep meer toekomt op haar geheimhoudingsplicht in combinatie met haar verschoningsrecht. Een belangenafweging in deze leidt niet tot een andere conclusie. Het vorengaande staat ook aan toepassing van artikel 843a Rv in de weg.

4.7. Voorts is niet gebleken dat [advocaat 1] advocaten – anders dan met betrekking tot de hiervoor omschreven ongewenste overname (Wincanton defense) – ook inzake andere dossiers de belangen van Wincanton Holding heeft behartigd. Zulks lijkt ook niet te volgen uit de onder 2.11 opgenomen opdrachtbevestiging. Voor zover in een bodemprocedure ten aanzien van Loyens & Loeff blijkt dat er weldegelijk uitvoering is gegeven aan een opdracht tot het verrichten van advocatuurlijke diensten, geldt evenzeer dat in dit kort geding niet aan de orde is gesteld dat, Loyens & Loeff inzake andere dossiers de belangen van Wincanton Holding heeft behartigd dan in het kader van de ongewenste overname van Wincanton Holding. De vorderingen gericht op volledige opgave en inzage danwel afgifte van advocatendossiers, moeten dan ook worden afgewezen.

4.8. Ter zake de vorderingen die Wincanton Holding heeft gericht op opgave en inzage danwel afgifte van categorieën van advocatendossiers, wordt als volgt overwogen. Wincanton Holding heeft erkend dat zij reeds vele documenten van [advocaat 1] advocaten, [bestuurder 2] en [bestuurder 4] heeft ontvangen, die betrekking hebben op het reilen en zeilen van de onderneming. Gelet op de hoeveelheid informatie die reeds is verstrekt – naar de voorzieningenrechter begrijpt in totaal 30 ordners – had het op de weg van Wincanton Holding gelegen thans specifieker aan te geven welke documenten zij nog mist. Dit geldt te meer, nu de voorzieningenrechter in dit stadium niet kan beoordelen ten aanzien van welke stukken gedaagden zich, al dan niet terecht, op hun geheimhoudingsplicht zullen beroepen. Voor een algemene veroordeling tot afgifte van bepaalde categorieën is dan ook geen plaats.

afgifte/inzage fiscale dossier

4.9. Loyens & Loeff heeft erkend dat zij fiscaal advies aan Wincanton Holding heeft verstrekt in de periode vanaf 29 oktober 2009 tot en met 31 augustus 2010. Gebleken is dat Loyens & Loeff (vertegenwoordigers van) Wincanton Holding reeds in juni 2011 – conform artikel 10.3 van het Reglement – in de gelegenheid heeft gesteld om de fiscale dossiers in te zien. Voorts heeft Loyens & Loeff zich bereid verklaard inlichtingen te verschaffen aan een opvolgende fiscale adviseur. Wincanton Holding heeft echter pas enkele dagen voor de zitting van het aanbod van Loyens & Loeff gebruik gemaakt. Ten tijde van de zitting heeft Wincanton Holding om aanhouding van de zaak op dit punt verzocht, omdat zij – na een summier onderzoek – nog steeds vermoedt dat Wincanton Holding niet de beschikking heeft gekregen over alle relevante stukken uit het dossier. Dat Wincanton Holding nog geen grondig onderzoek heeft kunnen uitvoeren, is evenwel aan haar eigen handelen te wijten. De handelwijze van Wincanton Holding roept voorts ook de nodige vragen op met betrekking tot de spoedeisendheid van haar vordering. Te meer, nu zij geen enkel bewijsstuk in het geding heeft gebracht waaruit volgt dat de belastingdienst Wincanton Holding een betrekkelijk korte termijn heeft gesteld waarbinnen zij aan haar verplichtingen dient te voldoen. Derhalve zal de voorzieningenrechter het verzoek om aanhouding, alsmede alle vorderingen gericht op de opgave en inzage danwel afgifte van het zich bij Loyens & Loeff bevindende fiscale dossier afwijzen.

slotsom

4.10. Aangezien uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen volgt dat de vorderingen van Wincanton Holding in dit kort geding zullen worden afgewezen, behoeven de overige weren – met inbegrip van het verweer dat [bestuurder 1] niet bevoegd is om Wincanton Holding te vertegenwoordigen – geen bespreking meer.

proceskosten

4.11. Wincanton Holding zal als de jegens gedaagden in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [advocaat 1] advocaten worden begroot op:

- griffierecht € 560,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.376,00

De kosten aan de zijde van Loyens & Loeff worden begroot op:

- griffierecht € 560,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.376,00

nakosten

4.12. De door Loyens & Loeff gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure jegens Wincanton Holding slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt Wincanton Holding in de proceskosten, aan de zijde van [advocaat 1] advocaten tot op heden begroot op € 1.376,00,

5.3. veroordeelt Wincanton Holding in de proceskosten, aan de zijde van Loyens & Loeff tot op heden begroot op € 1.376,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf zeven dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt Wincanton Holding in de na dit vonnis bij Loyens & Loeff ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen zeven dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van zeven dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.N. Brouwer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. C.G. van Blaaderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature