Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering vergoeding loopband. De bij het verzoek ingebrachte verklaring van de behandelend fysiotherapeut en de in bezwaar overgelegde brief van de huisarts bieden voldoende grond het standpunt van verweerder in rechte houdbaar te achten. Niet kan worden gezegd dat sprake is van een medische noodzaak.

Uitspraak



10/5938 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 22 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 september 2010, kenmerk BZ01228633 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2011. Appellant is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1941, is in 1972 erkend als vervolgingsslachtoffer in de zin van de Rijksgroepsregeling Vervolgingsslachtoffers 1940-1945, later de Wuv. Aanvaard is dat zijn psychische klachten, knie-, been- en leverklachten in causaal verband staan met de vervolging. Er zijn aan hem diverse voorzieningen toegekend.

1.2. In mei 2010 heeft appellant verzocht om vergoeding van de kosten van een loopband (€ 2.995,-). Bij besluit van 20 augustus 2010 heeft verweerder hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Het bestreden besluit berust op het in navolging van het door de geneeskundig adviseur uitgebrachte advies ingenomen standpunt dat er geen medische noodzaak is voor de aanschaf van een loopband. De gangbare behandeling door een fysiotherapeut is als voldoende adequaat aangemerkt. Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat hij, gezien zijn ernstige handicap, looptherapie moet doen om niet geheel te verstijven. Omdat hij buiten nogal snel ten val komt, moet dit vaak binnenshuis gebeuren.

2.2. De Raad is van oordeel dat de bij het verzoek ingebrachte verklaring van de behandelend fysiotherapeut van 19 juli 2010 en de in bezwaar overgelegde brief van de huisarts van 23 augustus 2010 onvoldoende grond bieden om dit standpunt van verweerder in rechte onhoudbaar te achten. De fysiotherapeut gaf het advies een loopband aan te schaffen om de revalidatie na een heupoperatie in juni 2010 optimaal te laten verlopen. De huisarts steunde de fysiotherapeut hierin vanwege de beperkte mogelijkheden van appellant om te trainen. Weliswaar is zeker aannemelijk dat regelmatig gebruik van een loopband voor appellant goed zal werken, maar op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens kan niet worden gezegd dat sprake is van een medische noodzaak hiervoor. Er is niet gebleken dat de behandeling door een fysiotherapeut, zoals appellant die naar hij ter zitting meedeelde nu ook twee keer per week op zijn huisadres krijgt, onvoldoende is in dit opzicht.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

S. Werensteijn.

De griffier is buiten staat te tekenen.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature