Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Megazaak Costa. Voorbereidingshandelingen invoer cocaïne en/of invoer 10 kg cocaïne in bergplaats KLM vliegtuig

Hoger beroep van BM0996

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



parketnummer: 23-001728-10

datum uitspraak: 28 november 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 2 april 2010 in de strafzaak onder parketnummer 15-840090-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1959],

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 3 en 19 maart 2010 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 20 april 2011, 4 mei 2011, 24, 27 en 31 oktober 2011 en 21 november 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Feit 1: (zaaksdossier C1)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 07 juni 2009 tot en met 18 juni 2009 te Amsterdam en/of De Meern en/of Den Haag en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet , te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, (telkens) voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- (daartoe) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het feit;

immers, heeft/hebben verdachte(n) en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(s), (telkens) daartoe

- (meermalen) met elkaar telefonisch contact gehad (al dan niet via sms) (waarin versluierd en/of verhullend gesproken werd) en/of

- een actietelefoon aangeschaft en/of ontvangen, althans in gebruik genomen en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt (om informatie uit te wisselen en/of te delen en/of door te geven) en/of

- (meermalen) ontmoetingen en/of besprekingen gehad (onder andere bij AC Restaurant De Meern op 17 juni 2009 en/of 18 juni 2009);

feit 2: (zaaksdossier C3)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juli 2009 tot en met 07 augustus 2009 te Amsterdam en/of Diemen-Zuid, in elk geval in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet , te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,(telkens) voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- (daartoe) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het feit;

immers, heeft/hebben verdachte(n) en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(s), (telkens) daartoe

- (meermalen) met elkaar telefonisch contact gehad (al dan niet via sms) (waarin versluierd en/of verhullend gesproken werd) en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt (om informatie uit te wisselen en/of te delen en/of door te geven) en/of

- (meermalen) ontmoetingen en/of besprekingen gehad (onder andere bij NS Station Diemen-Zuid te Diemen en/of [adres] te Amsterdam (Zuidoost) op 5 augustus 2009 en/of 6 augustus 2009);

feit 3: (zaaksdossier C4)

hij op of omstreeks 04 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet , ongeveer 10.032,60 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 4 primair: (zaaksdossier C10)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 01 januari 2009 tot en met 15 september 2009, te Amsterdam, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) eurocoupures (in totaal een geldbedrag van ongeveer 10.101,55 euro), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt door dat/die voorwerp(en) (telkens) te storten op zijn eigen rekening en/of uit te geven, terwijl verdachte (telkens) wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

feit 4 subsidiair: (zaaksdossier C10)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 01 januari 2009 tot en met 15 september 2009, te Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) een voorwerp, te weten (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) eurocoupures (in totaal een geldbedrag van ongeveer 10.101,55 euro), althans enig geldbedrag, (telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt.

Bespreking van enkele verweren

Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier C1)

De raadsvrouw van de verdachte heeft overeenkomstig haar standpunt in eerste aanleg - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de (resultaten van de) observaties van 17 juni 2009 en 18 juni 2009 dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat een mondeling door het openbaar ministerie daartoe gegeven bevel tot stelselmatige observatie niet overeenkomstig artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering (Sv) binnen drie dagen daarna op schrift is gesteld. Dit is ten onrechte pas op 22 juni 2009 gebeurd, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 126g zesde lid Sv bepaalt dat bij dringende noodzaak het bevel (tot stelselmatige observatie) mondeling kan worden gegeven. De officier van justitie stelt het bevel in dat geval achteraf binnen drie dagen na de mondelinge afgifte op schrift.

Uit de stukken in het dossier is in dit verband het volgende gebleken:

- op 17 juni 2009 heeft de officier van justitie mondeling een bevel tot stelselmatige observatie ex artikel 126g Sv afgegeven voor de duur van één maand (Methodiekendossier D.2 pagina 007 e.v.);

- op 22 juni 2009 is het mondelinge bevel (tot stelselmatige observatie) schriftelijk bevestigd (Methodiekendossier D.2 pagina 021).

Het hof stelt vast dat, rekening houdend met het bepaalde in artikel 2 van de Algemene termijnenwet , voornoemd mondeling bevel uiterlijk op 20 juni 2009 op schrift had moeten worden gesteld. Dat is niet geschied. Aldus is sprake van een vormverzuim dat niet meer kan worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Bij de beoordeling of, en zo ja, welk gevolg aan dit verzuim verbonden dient te worden, houdt het hof rekening met het belang van het geschonden voorschrift, de relatieve ernst van het verzuim (twee dagen) en het - zo daarvan al sprake is - geringe nadeel dat daardoor is veroorzaakt, waarbij van belang is dat de verdachte niet in een andere positie is komen te verkeren dan waarin hij verkeerd zou hebben zonder dit vormverzuim. Gelet op de hiervoor weergegeven specifieke omstandigheden van het onderhavige geval volstaat het hof met de constatering van een vormverzuim zonder daaraan een rechtsgevolg te verbinden.

Het verweer, strekkende tot bewijsuitsluiting, wordt verworpen.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat in het geval van de verdachte geen sprake is van het medeplegen van voorbereidingshandelingen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Uit de verklaringen van de diverse medeverdachten blijkt dat ieder van hen een ander idee had met betrekking tot het onderwerp van de gevoerde gesprekken en het doel waarop de ontmoetingen gericht waren. Evenmin kan uit de (door de raadsvrouw in haar pleitnota genoemde) tapgesprekken afgeleid worden dat de ontmoetingen en gesprekken van de kant van de verdachte gericht waren op de aflevering van cocaïne. Bovendien heeft de verdachte [N. ] uitdrukkelijk verklaard dat slechts sprake was van acteerwerk. Tot slot heeft de raadsvrouw nog bepleit dat in het geval van de verdachte sprake is van vrijwillige terugtred als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zodat ook om die reden vrijspraak dient te volgen van het onder 1 ten laste gelegde feit althans in ieder geval voor zover het derde, vijfde, zesde en zevende gedachtenstreepje betreft.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Inleidend

In de afgeluisterde telefoongesprekken is veelal sprake van het gebruik van codetaal. Een aannemelijke verklaring voor het gebruik daarvan of voor de in dat verband gebezigde terminologie is door de verdachte niet gegeven. Het hof sluit zich daarom, gelet ook op de overige inhoud van de bewijsmiddelen, aan bij de uitleg die op dit punt door de politie wordt gegeven (zie bijvoorbeeld het algemeen relaas proces-verbaal van bevindingen PL27RR/09-015403/001, pagina's 39-48, het proces-verbaal van bevindingen PL27RR/09-015403/317, pagina 7 en 14 (ten aanzien van C1), het proces-verbaal van bevindingen PL27RR/09-015403/894, pagina 4 (ten aanzien van C2) en het proces-verbaal van bevindingen PL27RR/09-015403/897, pagina 7, 11 en 15 (ten aanzien van C3) en gaat ervan uit dat een en ander ziet op de handel in cocaïne, zoals hierna nog nader zal worden uiteengezet en in de bewezenverklaring verder is uitgewerkt.

Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier C1)

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof het volgende af.

De verdachte en [K. ] (als leveranciers), [N. ] (als bemiddelaar) en [V.] (als beoogde afnemer) met [J.V.] hebben in genoemde periode met elkaar onderhandeld over de koop/verkoop van een partij verdovende middelen van meerdere kilo's cocaïne (onder meer in codetaal aangeduid als 'meisjes', 'die dame' en 'broden') tegen een vraagprijs van 38.000,- euro per kilo (onder meer in codetaal aangeduid als "de leeftijd is 38"). De overdracht van die verdovende middelen of een deel daarvan zou, zo werd afgesproken, plaatsvinden op 18 juni 2009 bij het chauffeurscafé bij AC restaurant De Meern. Daartoe is er eerst een ontmoeting geweest tussen onder meer de verdachte en [V.] bij AC De Meern op 17 juni 2009. Op 18 juni 2009 heeft op dezelfde plaats een ontmoeting plaatsgevonden tussen beiden, waarbij [J.V.] - op enige afstand en buiten het zicht van de anderen - aanwezig was.

Uit de afgeluisterde telefoongesprekken op 17 juni 2009 komt onder meer naar voren dat de verdachte voorafgaand aan de ontmoeting met [V.] bij AC De Meern meermalen telefonisch contact had met [K. ], die op zijn beurt weer contact onderhield met [V.], waarbij [K. ] de verdachte informeerde over de gemaakte afspraken met [V.] met het oog op de aanstaande ontmoeting tussen de verdachte en [V.] en de te rijden route naar AC De Meern. Rond de ontmoeting op 18 juni 2009 was er tevens rechtstreeks telefonisch contact tussen de verdachte en [V.], waarbij onder meer het tijdstip voor de ontmoeting tussen beiden werd afgestemd.

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat hieruit blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [K. ], [V.], [N. ] en [J.V.] en dat het opzet van de verdachte erop was gericht op 18 juni 2009 een partij cocaïne naar de ontmoetingsplaats bij AC De Meern te vervoeren in het kader van een drugsdeal.

Dat het in het onderhavige geval om een partij verdovende middelen ging, leidt het hof af uit de door [N. ] als getuige bij de rechter-commissaris op 11 februari 2010 afgelegde verklaring - kort gezegd - inhoudende dat in codetaal werd gesproken en dat met de codewoorden telkens verdovende middelen werden bedoeld. Dat het om cocaïne ging leidt het hof af uit in die afgeluisterde telefoongesprekken genoemde prijs van 38.000,- euro, welke prijs overeenkomt met de destijds geldende handelswaarde van een kilo cocaïne (te weten tussen de 37.000 en 40.000 euro), hetgeen blijkt uit een door verbalisanten in het proces-verbaal van relaas van zaaksdossier C3 (C3 pagina 008 bovenaan, zoals vermeld in het vonnis van de rechtbank op pagina 9) gerelateerde bevinding, terwijl niet aannemelijk is geworden dat het een ander verdovend middel zou betreffen.

Dat het bij de door [N. ] gevoerde gesprekken slechts om acteerspel zou gaan, is in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd en vindt ook overigens geen steun in het dossier. Het verweer wordt verworpen.

Het verweer dat in het geval van de verdachte sprake is van een vrijwillige terugtred stuit reeds af op het feit dat artikel 46b Sr niet van toepassing is bij de voorbereidingsdelicten die in artikel 10a van de Opiumwet zelfstandig strafbaar zijn gesteld. Overigens is enige vrijwillige terugtred niet aannemelijk geworden.

Ook dit verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier C3)

De raadsvrouw heeft aangevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat het bewijs in deze zaak ten onrechte steunt op de observaties die hebben plaatsgevonden op 5 augustus 2009 en 6 augustus 2009 en dat de rechtbank het feit dat de verdachte geen ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor deze observaties ten onrechte als bezwarende omstandigheid bij haar overwegingen heeft betrokken. De bevindingen in het proces-verbaal van observatie van 5 augustus 2009 komen niet overeen met de foto's van die observatie in het dossier. Deze foto's zijn vaag en tonen slechts uitzicht op gebladerte, zodat getwijfeld moet worden aan de juistheid van de gerelateerde bevindingen. Ook de bevindingen met betrekking tot de observatie van 6 augustus 2009 komen niet overeen met de desbetreffende foto's in het dossier dan wel zijn niet met enige foto onderbouwd. Daarom dienen de observatieverslagen van het bewijs te worden uitgesloten. Onder deze omstandigheden is de verdachte niet gehouden een ontzenuwende verklaring te geven en moet hij worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit 2, althans voor zover het de periode, de locatie Diemen-Zuid, alsmede het derde, vijfde en zesde gedachtestreepje betreft, aldus de raadsvrouw.

Subsidiair en voor zover het hof niet tot bewijsuitsluiting zal komen, heeft de raadsvrouw verzocht de verbalisanten 162 en 59 omtrent de observaties ter terechtzitting te horen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat het enkele feit dat van door opsporingsambtenaren tijdens observaties gedane waarnemingen geen foto- of filmbeelden bestaan, op zichzelf geen reden is aan de schriftelijke vastlegging van die waarnemingen te twijfelen.

In deze zaak geldt in het bijzonder voorts het volgende.

In het proces-verbaal van observeren d.d. 5 augustus 2009 (C3 pagina's 065-082) hebben acht verbalisanten (onder nummer vermeld), allen werkzaam bij de afdeling observatie BSB van de Koninklijke Marechaussee, hun waarnemingen en bevindingen in het kader van de door hen verrichte observatie op 5 augustus 2009 tussen 12.45 uur en 20.00 uur gerelateerd. Daarbij is telkens per tijdstip vermeld welke observant welke waarneming deed. Tevens is in het proces-verbaal vermeld dat door observant 69 en observant 143, ieder voor zich op drie nader aangeduide tijdstippen, fotografische opnamen zijn gemaakt. Deze foto's zijn in een door de desbetreffende verbalisant/observant gewaarmerkte bijlage bij het proces-verbaal gevoegd. Tevens maakt het proces-verbaal melding van gedurende de observatie door observant 162 om 16:50 uur gemaakte video opnamen. Ook deze opnamen zijn in een door verbalisant/observant 162 gewaarmerkte bijlage bij het proces-verbaal gevoegd. Hetzelfde geldt met betrekking tot het proces verbaal van observeren d.d. 6 augustus 2009. In dit proces-verbaal (C3 pagina's 083-101) hebben tien verbalisanten (onder nummer vermeld), allen werkzaam bij eerdergenoemde afdeling observatie BSB, hun waarnemingen en bevindingen op die dag tussen 10:15 uur en 16:15 uur gerelateerd, waarbij door observanten 142 en 162 op nader aangeduide tijdstippen fotografische opnamen zijn gemaakt en door observant 177 video opnamen.

Nu uit het voorgaande blijkt dat op beide dagen slechts door een drietal observanten op enkele tijdstippen beeldopnamen zijn gemaakt, volgt daaruit dat niet elke gerelateerde waarneming van een observant tot een beeldopname is te herleiden en is op grond daarvan een discrepantie tussen een gerelateerde waarneming en de bijgevoegde beeldopnamen verklaarbaar. Wat er ook zij van de aard en kwaliteit van een aantal van die beeldopnamen, deze doen niet af aan de juistheid van de gerelateerde waarnemingen van de verschillende observanten. In het bijzonder kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd dat, indien vanaf een beeldopname een bepaalde persoon of gebeurtenis niet of minder goed is waar te nemen, dit impliceert dat dus ook de directe waarneming door de observant niet of minder goed heeft plaatsgehad. Ook hetgeen de raadsvrouw overigens nog met betrekking tot de onvolledigheid dan wel onjuistheid van de gerelateerde waarnemingen naar voren heeft gebracht brengt het hof niet tot het oordeel dat genoemde processen-verbaal moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het verweer wordt daarom verworpen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt het (voorwaardelijk) verzoek van de raadsvrouw tot het horen van de verbalisanten 162 en 59 afgewezen, nu enige noodzaak daartoe het hof niet is gebleken.

En voorts

Gebleken is dat de in de als bewijsmiddelen gebezigde afgeluisterde telefoongesprekken en sms-berichten die in de periode van 30 juli tot en met 7 augustus 2009 door de verdachte en [J.V.] zijn gevoerd respectievelijk aan elkaar zijn verzonden, onder andere wordt gesproken over 'wijven', 'huisnummers', 'een vriend die bereid is om te sporten', 'een kaartje', 'het klaar maken van stukken kip' en 'het getal 39500 dat nu wordt gevraagd'. Gebleken is voorts dat de in die telefoongesprekken tussen de verdachte en [J.V.] gemaakte afspraken zijn uitgemond in ontmoetingen met [H. ] op 5 en 6 augustus 2009 bij station Diemen-Zuid en, samen met laatstgenoemde, in drie korte bezoeken (van niet langer dan 5 minuten tot een kwartier) aan een woning aan de [adres] te [woonplaats].

De opsporingsambtenaren hebben de inhoud van voornoemde telefoongesprekken geduid als betrekking hebbend op de levering van cocaïne (proces-verbaal van bevindingen PL27RR/09-015403/895, p. 7, 11 en 15). De verdachte heeft zich zowel bij de behandeling in eerste aanleg als bij de behandeling ter terechtzitting van het hof met betrekking tot deze zaak op zijn zwijgrecht beroepen en geen andersluidende verklaring voor deze gesprekken gegeven. Nu ook hier kennelijk gesproken is in codetaal en ook overigens niet aannemelijk is geworden dat genoemde duiding van de desbetreffende gesprekken door de opsporingsambtenaren onjuist zou zijn, gaat het hof ervan uit dat een en ander daadwerkelijk zag op het voorbereiden van een feit zoals in de tenlastelegging omschreven. Het hof heeft bij het trekken van deze conclusie mede gelet op hetgeen verbalisanten hebben gerelateerd ten aanzien van de destijds geldende handelswaarde vaneen van een kilo cocaïne (C3 pagina 008 bovenaan, zoals vermeld in het vonnis van de rechtbank op pagina 9) en op het feit dat het in de onderhavige strafzaak vaststelt dat de verdachte kort voor dit feit ook betrokken was bij voorbereidingshandelingen met betrekking tot het vervoeren van cocaïne (feit 1/zaaksdossier C1) en kort na dit feit ook bij de invoer van tien kilo cocaïne (feit 3/zaaksdossier C4).

Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier C4)

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt - kort en zakelijk weergegeven - dat het tappen van de telefoon van de verdachte op Sint Maarten - met nummer 00599-5560130 - onrechtmatig is geschied, zodat de aldus afgeluisterde gesprekken moeten worden uitgesloten van het bewijs, alsmede al hetgeen daaruit is voortgevloeid, zoals de observatie van 28 augustus 2009 en verklaringen van medeverdachten.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat het rechtshulpverzoek van 26 augustus 2009, dat moet worden gezien als een schriftelijk verzoek van de officier van justitie om te mogen tappen, niet binnen drie dagen na een mondeling daartoe gedaan verzoek aan de rechter-commissaris op Sint Maarten en derhalve te laat op schrift is gesteld. Bovendien is volgens de raadsvrouw onduidelijk of dit mondeling verzoek door de officier van justitie in Nederland of de officier van justitie op Sint Maarten is gedaan. Ook de verlenging van de tap vanaf 29 augustus 2009 is onrechtmatig geweest, nu deze is gebaseerd op het gesprek van 25 augustus 2009 om 16:28 uur over drugs en cash en voor de verdachte ontlastende gesprekken op 24 augustus 2009 niet bij de aanvraag zijn vermeld.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier (Methodiekendossier D2 pagina's 241-263) blijkt dat door de rechter-commissaris in de rechtbank Haarlem op 18 augustus 2009 -op vordering van de officier van justitie van 18 augustus 2009-een schriftelijke machtiging is verleend voor het bevel tot het opnemen van (tele)communicatie middels het nummer 00599-5560130, voor de duur van elf dagen, doch uiterlijk tot en met 29 augustus 2009. Vervolgens is op 18 augustus 2009 door de officier van justitie te Haarlem een schriftelijk bevel tot het opnemen van (tele)communicatie middels voornoemd nummer gegeven voor de duur van ten hoogste elf dagen. Deze gang van zaken komt overeen met hetgeen daaromtrent in artikel 126m Sv is bepaald. Eveneens op 18 augustus 2009 heeft eerdergenoemde officier van justitie middels een schriftelijke vordering de medewerking aan het bevel tot opnemen van telecommunicatie middels eerdergenoemd nummer alsmede de verstrekking verkeersgegevens gevorderd van de provider Tellcell. Ook aan deze handelwijze kleeft geen gebrek, nu deze voldoet aan de regels van artikel 126m en 126n Sv. Voor zover het verweer op deze gang van zaken ziet mist het dan ook feitelijke grondslag.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 3 maart 2010 leidt het hof af dat de officier van justitie ter zitting heeft medegedeeld dat het op 18 augustus 2009 afgegeven bevel voor een telefoontap op het Antilliaanse nummer aan de rechter-commissaris op Sint Maarten is voorgelegd en dat vervolgens is getapt (het hof begrijpt: op Sint Maarten) met toestemming van de rechter-commissaris aldaar. Volgens de officier van justitie is nadien de bevestiging van de telefoontap middels een formeel rechtshulpverzoek gevolgd.

Anders dan de raadsvrouw heeft gesteld gaat het bij deze gang van zaken niet om een (her)nieuwde vordering (al dan niet mondeling gedaan) van de officier van justitie in de zin van artikel 126m Sv gericht aan de rechter-commissaris op Sint Maarten, maar slechts om een verzoek tot toestemming tot het openen van een telefoontap op basis van de reeds in Nederland door de Nederlandse rechter-commissaris afgegeven machtiging. De toets die naar aanleiding van een dergelijk verzoek door de Antilliaanse rechter-commissaris wordt uitgevoerd heeft hoofdzakelijk betrekking op de formele vereisten voor een telefoontap ter plaatse en is voor zover het de inhoudelijke gronden betreft slechts van marginale aard, nu het hier een Nederlands onderzoek betreft waarbij een Nederlandse rechter-commissaris reeds een machtiging heeft verleend. Ook in zoverre mist het verweer van de raadsvrouw feitelijke grondslag. Dat de bevestiging van een en ander vervolgens middels een rechtshulpverzoek van de door de raadsvrouw genoemde datum - het hof heeft het door de raadsvrouw bedoelde rechtshulpverzoek niet bij de stukken van het dossier aangetroffen - kennelijk buiten de daartoe in de toepasselijke regelgeving gestelde termijn heeft plaatsgevonden, doet aan de rechtmatigheid van de telefoontap niet af. Voor zover daardoor al sprake is geweest van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv , valt niet in te zien (en is ook niet door de verdediging gesteld) op welke wijze het rechtens te beschermen belang van de verdachte hierdoor zou zijn geschaad. Voor bewijsuitsluiting van middels de onderhavige telefoontap op nummer 00599-5560130 verkregen informatie alsmede de daaruit voortvloeiende gegevens, dan wel enig ander daaraan te verbinden rechtsgevolg, zoals de subsidiair bepleite strafvermindering, bestaat daarom geen grond. Het verweer wordt verworpen.

Ook het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van de verlenging van bovengenoemde telefoontap wordt verworpen.

Voorop staat dat de rechter-commissaris bij de beoordeling van de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, dient te toetsen of aan de wettelijke voorwaarden voor een dergelijke verlenging is voldaan. Aan het hof staat de rechtmatigheid van de toepassing van die bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling in een geval als het onderhavige, waarin de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft verstrekt, een beantwoording in van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de machtiging heeft kunnen komen. Gelet op hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal van aanvraag eerste verlenging op grond van artikel 126m Sv , waarbij niet alleen het door de raadsvrouw genoemde telefoongesprek van 25 augustus 2009 om 16:28 uur is weergegeven, maar ook gesprekken van respectievelijk 18, 20 , 25 (om 23:06) en 26 augustus 2009, waaruit de rechter-commissaris in redelijkheid kon opmaken dat jegens de verdachte sprake was van de verdenking van betrokkenheid bij de invoer in Nederland van verdovende middelen, kan worden vastgesteld dat de rechter-commissaris op grond van deze informatie in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het in dezen geldende wettelijk systeem biedt geen aanknopingspunten voor een vereiste als door de raadsvrouw gesteld.

En voorts

De raadsvrouw heeft - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte van het ten laste gelegde met betrekking tot C4 moet worden vrijgesproken, omdat een alternatieve lezing van het zaaksdossier dient te leiden tot de vaststelling dat sprake was van andere groepen van personen, waarbij de verdachte niet betrokken was, die zich in dezelfde periode bezig hielden met het regelen van drugszaken. Voorts zou uit de tapgesprekken naar voren komen dat de verdachte niet serieus werd genomen en dat er voor hem geen feitelijke rol was weggelegd. De rol van de verdachte zou slechts die van een mislukte drugskoerier zijn, die de medeverdachte [A.] voor niets achterna is gereisd.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep -zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard. Hij is naar Sint Maarten gereisd om illegale zaken te regelen. Op de luchthaven aldaar is hij door [A.] opgehaald en hij heeft ook bij hem verbleven. [A.] was met een drugsgerelateerd aanbod gekomen. Het ging om drugs. In een moment van zwakte heeft de verdachte meegedaan vanwege zijn financiële situatie.

Mede op grond van deze verklaring van de verdachte, bezien in samenhang met de overige gebezigde bewijsmiddelen, acht het hof bewezen dat de verdachte nauw en volledig heeft samengewerkt met [K. ], [L.], [P. ], [W.], [H. ], [A.] en [G.] om de bewezen verklaarde hoeveelheid cocaïne in Nederland in te voeren. Dat zijn rol slechts die van mislukte drugskoerier was zonder enige feitelijke inbreng volgt daaruit geenszins. Integendeel, het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte een belangrijke regelende rol zowel in Nederland als ook op Sint Maarten heeft vervuld bij de invoer van de cocaïne binnen Nederland. Voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij onverrichter zake uit Sint Maarten is teruggekeerd, gaat het hof aan die verklaring, als zijnde onbetrouwbaar, voorbij, nu deze zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 4 (zaaksdossier C10)

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte, nu vrijspraak van de feiten 1 tot en met 3 is bepleit, daarom ook van feit 4 moet worden vrijgesproken, nu geen gronddelict kan worden aangewezen waarmee wit te wassen geld is verdiend.

Nu het hof omtrent de feiten 1 tot en met 3 tot een ander oordeel komt dan door de raadsvrouw bepleit, wordt het verweer reeds om die reden verworpen.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte van feit 4 moet worden vrijgesproken, omdat een eenvoudige kasopstelling onvoldoende bewijs oplevert voor witwassen en dat bovendien niet kan worden uitgesloten dat de ten laste gelegde gelden een legale herkomst hebben, overweegt het hof als volgt.

Het hof neemt de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen over. Deze omvatten - anders dan de raadsvrouw heeft betoogd - meer dan alleen een eenvoudige kasopstelling, waaronder ook de verklaring van de verdachte zelf. Dat de in de bewezenverklaring genoemde gelden een legale herkomst hebben is niet nader onderbouwd en ook anderszins niet aannemelijk geworden. Verwezen wordt verder naar de bewijsoverweging ten aanzien van dit feit. Het verweer wordt verworpen.

Bewijsmiddelen

Het hof neemt over de door de rechtbank voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, zoals weergegeven onder 4.2 van haar vonnis van 2 april 2010, met uitzondering van de navolgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier C1)

- het op pagina 8 aangeduide proces-verbaal van bevindingen van [W.H. ] van 22 februari 2010 betreffende, kort gezegd, het door hem verrichte onderzoek met betrekking tot het vermeende acteerspel van de medeverdachte [N. ];

- het op pagina 9 aangeduide proces-verbaal van bevindingen van [S.S.] van 5 november 2009 betreffende, kort gezegd, het woord 'Lai'.

Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier C4)

- het op pagina 37 e.v. van het vonnis aangeduide proces-verbaal van verhoor van [K. ] van 16 september 2009, voor zover dit inhoudt diens verklaring naar aanleiding van een tapgesprek van 18 augustus 2009 te 16.44 uur:

"Ik weet niet wat [verdachte] bedoelt met trouwen."

- het op pagina 43 e.v. aangeduide proces-verbaal van observatie (dossierpagina C4.393), voor zover dit inhoudt na de zinsnede: "Op 4 september 2009 zag(en) ik/wij verbalisanten dat":

"[G.] op de Overtoom te Amsterdam uit de Golf stapt en in de richting van het Vondelpark te Amsterdam rent (12.09 uur);

[G.] twee witte papieren van het formaat A4 geeft aan een onbekende man in het Vondelpark te Amsterdam (12.11 uur)

[G.] en de onbekende man samen kijken op een wit papier (12:12 uur)."

en met toevoeging van:

- de verklaring van de getuige [W.] zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2011, voor zover hier relevant - zakelijk - inhoudende:

Op de vraag van [verdachte], hoe ik zou vertalen: 'aman na sroto' (het hof begrijpt: de Surinaamse woorden die voorkomen in de schriftelijke weergave van het tapgesprek van 4 augustus 2009 om 10:51 uur tussen [W.] en [K. ], welk gesprek door de rechtbank als bewijsmiddel is gehanteerd) antwoord ik: 'die man is de sleutel'.

- een geschrift, zijnde een weergave van het tapgesprek van 4 augustus 2009 om 10:51 uur, waarin [K. ] uit belt naar NNman (het hof: van wie later wordt vastgesteld dat het [W.] betreft) (dossierpagina C4. 382), vertaald door de beëdigde tolk [E.G. ], en aan het hof overgelegd op 31 oktober 2011, inhoudende een nadere uitwerking van de schriftelijke weergave van een tapgesprek als opgenomen onder 2e bulletpoint op pagina 15 e.v. van het vonnis, te weten

Vraag: Komt het woord sleutelfiguur in het tapgesprek voor?

Antwoord: Nee het woord sleutelfiguur komt niet voor in het tapgesprek. Echter, het woord sleutel wel.

Vertaling: man: Ja, [(R..)]. [(R..)] is een... [(R..)] is een...een...een...een...hele sleutel daar jongen.

Bewijsoverweging:

Op grond van bovenvermelde alinea gaat het hof er van uit dat er - zakelijk weergegeven - is gezegd dat [(R..)] of [(R..)], waarmee [A.] wordt bedoeld, daar een sleutel is, te weten een man met een belangrijke rol.

- de verklaring van de getuige [G.] zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2011, voor zover hier relevant - zakelijk - inhoudende:

Ik heb als verdachte onder meer het volgende verklaard. Ik heb ontmoetingen gehad met onder meer [H. ]. Die ontmoetingen gingen over drugs. De eerste ontmoeting vond plaats in het BovenIJ-ziekenhuis in Amsterdam-Noord. Daar was aan de orde wanneer de drugs zouden aankomen en om hoeveel kilo's het ging. Het zou binnenkort gebeuren. De tweede ontmoeting was bij de McDonald's. Op 4 september 2009 heb ik [H. ] gesproken, dat was de derde ontmoeting. Toen heb ik doorgegeven dat het goed was. Ik handhaaf deze verklaring ook als getuige.

- een geschrift, zijnde een weergave van het tapgesprek van 4 september 2009 om 06:28 uur, waarin [K. ] wordt gebeld door [verdachte] (dossierpagina C4.382), inhoudende voor zover relevant:

[verdachte] zegt dat die man het gestuurd heeft via zijn mailadres. Hij heeft het niet via [K. ] zijn mailadres gestuurd.

[K. ] zegt ok.

(...)

[verdachte] vraagt hoe [K. ] het aan Bo zal geven.

[K. ] zegt dat hij het even zal doen.

[verdachte] zegt dat [K. ] op zijn ([verdachte]) mailadres moet gaan.

[K. ] zegt ja, ja, ja, dadelijk.

Bewijsoverweging

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat sprake is van een onrechtmatige IPtap op het e-mailadres van de verdachte van 4 september 2009, wordt dit verweer verworpen reeds om reden dat een dergelijke IP-tap niet voor het bewijs wordt gebezigd.

- de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2011, voor zover hier relevant - zakelijk - inhoudende:

Ik ben naar Sint Maarten gegaan om illegale zaken te regelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1: (zaaksdossier C1)

hij in de periode van 07 juni 2009 tot en met 18 juni 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet , te weten het opzettelijk vervoeren van een hoeveelheid coca ïne, voor te bereiden en/of te bevorderen;

- zich en/of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen

immers, hebben verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe

- meermalen met elkaar telefonisch contact gehad al dan niet via sms waarin versluierd en verhullend gesproken werd en

- meermalen afspraken gemaakt om informatie uit te wisselen en/of te delen en/of door te geven en

- meermalen ontmoetingen en besprekingen gehad onder andere bij AC Restaurant De Meern op 17 juni 2009 en 18 juni 2009;

feit 2: (zaaksdossier C3)

hij in de periode van 30 juli 2009 tot en met 07 augustus 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet , te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen

immers, hebben verdachte en/of zijn mededaders, daartoe

- meermalen met elkaar telefonisch contact gehad al dan niet via sms waarin versluierd en/of verhullend gesproken werd en

- meermalen afspraken gemaakt om informatie uit te wisselen en/of te delen en/of door te geven en

- meermalen ontmoetingen en besprekingen gehad onder andere bij NS Station Diemen-Zuid te Diemen en [adres] te Amsterdam (Zuidoost) op 5 augustus 2009 en 6 augustus 2009);

feit 3: (zaaksdossier C4)

hij op 04 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 10.032,60 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

feit 4 primair: (zaaksdossier C10)

hij in de periode 01 januari 2009 tot en met 15 september 2009, te Amsterdam althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens geldbedragen tot een totaal van 5.424,- euro, verworven en voorhanden gehad en overgedragen terwijl verdachte telkens wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging ten aan zien van het onder 4 bewezen verklaarde

Het hof neemt over de bewijsoverweging van de rechtbank op dit punt als vermeld op pagina 71 en 72 van het vonnis.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet , voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet , voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht met beslissingen ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich tweemaal, in kort na elkaar gelegen periodes, schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de handel in cocaïne. De verdachte heeft daartoe in zaaksdossier C1- samen met [K. ] - opgetreden als potentiële verkoper/leverancier met als doel (in ieder geval) het vervoer van een partij cocaïne naar het AC restaurant De Meern op 18 juni 2009.

In zaaksdossier C3 heeft de verdachte veelvuldig (telefonisch) contact gehad met [J.V.] over de levering van een partij cocaïne en heeft hij in het kader daarvan ontmoetingen gehad met [J.V.] en [H. ] bij station Diemen-Zuid en bij het adres [adres] in Amsterdam.

De verdachte heeft zich voorts in zaaksdossier C4 samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan de invoer van in totaal ongeveer 10 kilogram cocaïne.

Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers ervan zeer schadelijke stof. Hoewel in zaaksdossiers C1 en C3 onduidelijk is gebleven hoeveel cocaïne het zou betreffen, leidt het hof uit de inhoud van de telefoongesprekken wel af dat in beide gevallen sprake was van een zodanige hoeveelheid dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel, ook als de partij van zaaksdossier C1 wellicht enige tijd als onderpand zou worden gebruikt, zoals is aangevoerd. Ook de in zaaksdossier C4 ingevoerde hoeveelheid was van een zodanige omvang dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Ten slotte heeft de verdachte zich gedurende ongeveer acht maanden schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. De verdachte heeft telkens geldbedragen, waarvan hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen. Gewoontewitwassen heeft een ontwrichtende werking op de reguliere economie, omdat investeringen worden gedaan met vermeend legaal geld. Daardoor wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstige schade toegebracht.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de rol die de verdachte bij de drie drugsgerelateerde feiten heeft vervuld in verhouding met datgene wat daaromtrent ten aanzien van de andere betrokken in de zaak "Costa" kan worden vastgesteld. Het hof ziet deze rol telkens als organiserend en derhalve belangrijk. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals weergegeven in het op 13 oktober 2011 door de Reclassering Nederland opgemaakte rapport en met het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 oktober 2011 in Nederland niet eerder ter zake van overtreding van de Opiumwet is veroordeeld. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in Frans Guyana is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet tot een gevangenisstraf van de duur van zes jaren. Het hof heeft deze omstandigheid echter niet bij de onderhavige strafoplegging betrokken, omdat omtrent deze veroordeling en de gronden waarop die berust onvoldoende vaststaat.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot oplegging van een lagere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd. Tot een verdergaande matiging, zoals door de raadsman van de verdachte bepleit, bestaat echter geen aanleiding.

Het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan of voorbereid met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1, 2, 3 en 4 primair begane feiten aangetroffen. Het zal worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en/of de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36d, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht .

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- buitenlands geld, 100 US dollar (nummer 5)

- een boekje lycatel mobile met nr 06-14237069 (nummer 10)

- een papier, reisplan parbotravel, kleur wit (nummer 22)

- een papier, factuur hotel phoenix d.d. 28/04/09 (nummer 23)

- twee plastic tassen met diverse bescheiden (nummer 24)

- print A4 met 5 foto's (nummer 28)

- papier met rooster klma4 (nummer 32)

- simkaart, gnanam telecom, nr. 8931162111242715008 (nummer 33)

- telefoontoestel, merk Nokia, kleur grijs (nummer 35)

- telefoontoestel, merk Nokia 1600, kleur grijs (nummer 37)

- simkaart Lyca nr. 8931162111183149589 (nummer 38)

- simkaart Luca, nr. 8931162111182757739 (nummer 39)

- telefoontoestel, merk Samsung, kleur rood, inclusief oplader (nummer 44)

- telefoontoestel merk Nokia 1600 (nummer 45)

- telefoontoestel, merk Nokia, inclusief oplader (nummer 46).

- een agenda, kleur zwart, uit 2007 inclusief diverse bescheiden (nummer 14)

- een agenda, kleur bruin, uit 2009 inclusief pen en diverse bescheiden (nummer 16).

- een a4 papier met daarop kopie paspoort [W.S. ] (nummer 11)

- een papier, a4 kopie pp nl op naam r.e.i.rijpm (nummer 21).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- twee plastic zakjes met vermoedelijk cocaïne 6/8 gram bruto (nummer 6)

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een simkaart, t-mobile, nummer 8931162111236580350 (nummer 7)

- een papier, kleur wit, print windows live hotmail (nummer 18)

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.S.G. Verhoeff, mr. L.A.J. Dun en mr. A.E.M. Röttgering, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 november 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature