Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Erfrecht. Recht op inzage legitimaris.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.081.548

(zaaknummer rechtbank 371655 CV-EXPL 09-2500)

arrest van de vierde civiele kamer van 18 oktober 2011

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. T. Karasu,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1]

2. [geïntimeerde sub 2]

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.L. Souman.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 2 juni 2010 en 27 oktober 2010 die de rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Apeldoorn (hierna: de kantonrechter) tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) en [A.] als eisers en geïntimeerden (hierna ook te noemen: de gebroeders [geïntimeerden]) als gedaagden heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 26 januari 2011 de gebroeders [geïntimeerden] aangezegd van dat vonnis van 27 oktober 2010 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de gebroeders [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven tevens voorwaardelijke wijziging en vermeerdering van eis heeft [appellante] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij haar eis gewijzigd en vermeerderd, heeft zij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis ten dele zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:

primair

I. De gebroeders [geïntimeerden] zal veroordelen om aan [appellante] inzage en afschriften te verschaffen van alle bescheiden van de erflaatster – [erflaatster], geboren op 29 mei 1923, laatstelijk wonende aan de [adres] en overleden op 28 september 2007 – te weten:

a. overzicht van alle schulden op het moment van overlijden;

b. overzicht van eventuele levensverzekeringen die in het verleden door erflaatster zijn gedaan;

c. opgave van alle schenkingen die in het verleden door erflaatster zijn gedaan;

d. kopieën van de afschriften van alle bank- en girorekeningen van de erflaatster waarop zichtbaar is wat het saldo op 28 september 2007 was;

e. kopie van de successieaangifte;

f. alle overige informatie die van belang kan zijn voor de berekening van de legitieme portie.

op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat [geïntimeerden] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijven daaraan te voldoen dan wel enige andere voorziening te treffen en/of dwangsom te bepalend die het hof juist acht;

II. de gebroeders [geïntimeerden] alsnog zal veroordelen in de proceskosten.

subsidiair

III. voor zover het hof het onder I. en II. gevorderde afwijst, de gebroeders [geïntimeerden] zal veroordelen om aan [appellante] inzage en afschriften te verschaffen van alle bescheiden van erflaatster, te weten:

a. overzicht van alle schulden op het moment van overlijden;

b. overzicht van eventuele levensverzekeringen die in het verleden door erflaatster zijn gedaan;

c. opgave van alle schenkingen die in het verleden door erflaatster zijn gedaan;

d. kopieën van de afschriften van alle bank- en girorekeningen van de erflaatster waarop zichtbaar is wat het saldo op 28 september 2007 was;

e. kopie van de successieaangifte;

f. alle overige informatie die van belang kan zijn voor de berekening van de legitieme portie;

op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat de gebroeders [geïntimeerden] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijven daaraan te voldoen dan wel enige andere voorziening te treffen en/of dwangsom te bepalend die het hof juist acht;

primair en subsidiair

IV. de gebroeders [geïntimeerden] zal veroordelen om al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan of zal voldoen aan haar terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling, met veroordeling van de gebroeders [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties alsmede in de kosten van nasalaris, forfaitair berekend op € 131,- en verhoogd met € 38,- in geval van betekening.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben de gebroeders [geïntimeerden] de grieven bestreden en verweer gevoerd, en hebben zij bewijs aangeboden. Zij hebben geconcludeerd dat het hof [appellante] in haar beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, met veroordeling van [appellante] in de kosten van [bedoeld zal zijn:] het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 10 oktober 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten door hun advocaten. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Naar het oordeel van het hof is het zonneklaar en moet het ook voor de gebroeders [geïntimeerden] en de kantonrechter volstrekt duidelijk zijn geweest dat [appellante], wat er ook zij van de door haar gekozen bewoordingen, in deze procedure zowel in eerste aanleg als ook in hoger beroep, vordert de gebroeders [geïntimeerden] op grond van artikel 4:78 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te veroordelen aan haar inzage en afschriften te verschaffen van bescheiden van de erflaatster. Blijkens het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 30 september 2010 ten overstaan van de kantonrechter is namens [appellante] nog eens uitdrukkelijk naar voren gebracht dat het gaat om de vordering die in de conclusie van repliek onder het derde aandachtstreepje is opgenomen en dat de vorderingen die op pagina 5 van die conclusie onder het eerste en tweede aandachtstreepje zijn opgenomen worden ingetrokken. Dat namens de gebroeders [geïntimeerden] bezwaar is gemaakt tegen deze intrekking doet niet eraan af dat voor hen volstrekt duidelijk moet zijn geweest wat [appellante] vorderde. Bovendien kan de eiser op grond van artikel 129 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zolang nog geen eindvonnis is gewezen, te allen tijde zijn eis verminderen. Anders dan bij een verandering of vermeerdering van eis hoeft dit niet te geschieden bij een akte of conclusie ter rolle, zoals de gebroeders [geïntimeerden] betogen. Ten slotte valt niet in te zien welke zin de beslissing van de kantonrechter om [appellante] ontvankelijk te verklaren heeft als vervolgens geen inhoudelijke beoordeling van de vordering plaatsvindt. Dit betekent dat grief 1 slaagt en dat het hof de vordering van [appellante] in eerste aanleg, die overigens gelijk is aan de vordering die zij bij wege van vermeerdering van eis in hoger beroep doet, alsnog zal bespreken en beoordelen.

3.2 Deze procedure betreft de afwikkeling van de nalatenschap van [erflaatster] (hierna ook te noemen: de erflaatster), die op 28 september 2007 is overleden met achterlating van haar beide zoons, de gebroeders [geïntimeerden], en de kinderen van haar vooroverleden dochter, [appellante] en haar broer, als haar enige afstammelingen. De erflaatster heeft voor het laatst rechtsgeldig over haar nalatenschap beschikt bij haar testament van 9 december 2005. Zij heeft met herroeping van alle eerder gemaakte uiterste wilsbeschikkingen in dit testament de gebroeders [geïntimeerden] tot haar enige erfgenamen benoemd en de afstammelingen van haar voor overleden dochter als erfgenamen uitgesloten. [appellante] heeft zich tijdig beroepen op haar legitieme portie.

3.3 De stelling van de gebroeders [geïntimeerden] dat [appellante] en haar broer erfgenaam zijn in de nalatenschap van de erflaatster is gelet op de uitdrukkelijke uitsluiting van de afstammelingen van hun vooroverleden zuster en hun benoeming tot enige erfgenamen onbegrijpelijk. Het hof overweegt dat [appellante] als legitimaris in de nalatenschap van haar grootmoeder optreedt, nu zij tijdig aanspraak heeft gemaakt op haar legitieme portie en zij in de zin van artikel 4:63 lid 2 BW is aan te merken als een afstammeling van de erflaatster die, indien de erflaatster bij testament niet anders zou hebben beschikt door de wet als erfgename tot haar nalatenschap zou zijn geroepen bij plaatsvervulling voor haar aan de erflaatster vooroverleden moeder.

3.4 Op grond van artikel 4:78 BW kan [appellante] jegens de gebroeders [geïntimeerden] aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die zij voor de berekening van haar legitieme portie behoeft en dienen de gebroeders [geïntimeerden] haar desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen te verschaffen. Het hof overweegt dat uit de bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’ in artikel 4:78 BW afgeleid moet worden dat dit begrip weliswaar zo ruim als mogelijk moet worden uitgelegd, maar dat het wel beperkt is tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie.

3.5 Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f.

3.6 Het hof oordeelt dat de gebroeders [geïntimeerden] in elk geval aan [appellante] moeten verstrekken een overzicht van alle schulden op het moment van overlijden, voor zover het de schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW betreft, kopieën van de afschriften van alle bank- en girorekeningen van de erflaatster waarop zichtbaar is wat het saldo op 28 september 2007 was, een kopie van de successieaangifte en een overzicht van levensverzekeringen die in het verleden door erflaatster zijn gedaan.

3.7 Het hof is voorts van oordeel dat de gebroeders [geïntimeerden] ten behoeve van [appellante] opgave moeten doen van alle schenkingen die door de erflaatster zijn gedaan. Het moge zo zijn dat bij de berekening van de legitieme portie alleen de schenkingen in aanmerking komen die zijn genoemd in artikel 4:67 BW , maar alvorens te kunnen beoordelen of schenkingen al dan niet behoren tot de in dit artikel 4:67 BW opgesomde schenkingen, moet de legitimaris een overzicht hebben van alle schenkingen die zijn gedaan.

3.8 Het hof is ten slotte van oordeel dat de gebroeders [geïntimeerden] op grond van artikel 4:78 BW , nu [appellante] dit verlangt, ook alle overige informatie die van belang kan zijn voor de berekening van de legitieme portie dienen te verschaffen. Dat dit onderdeel van de vordering niet nader is geconcretiseerd spreekt vanzelf, nu het informatie betreft waarover [appellante] (nog) niet beschikt en waarvan zij het bestaan nog niet kan kennen. Het spreekt ook voor zich dat die informatie beperkt is tot de elementen die voor de berekening van de legitieme portie van belang zijn en dat zijn, zoals hiervoor al is overwogen, de waarde van de goederen van de nalatenschap en de schulden en giften. Nu de vordering van [appellante] betreffende de schulden en de schenkingen afzonderlijk wordt toegewezen, zal het hof de vordering ten aanzien van alle overige informatie beperken tot de informatie over de waarde van de goederen.

3.9 Nu niet is gebleken dat de gebroeders [geïntimeerden] bereid zijn aan [appellante] de door haar verlangde inzage en afschriften te verschaffen ziet het hof aanleiding de vordering ten aanzien van de dwangsom toe te wijzen. Daaraan doet niet af dat zij verklaard hebben deze wel te verschaffen als zij daartoe worden veroordeeld. Het hof merkt in dit verband nog op dat zij ondanks de wettelijke verplichting inzage en afschriften te verschaffen tot op heden niet bereid zijn geweest die bescheiden over te leggen tegen overlegging waarvan zij blijkens hun standpunt in deze procedure geen bezwaar hebben.

3.10 Het hof zal de vordering van [appellante] om de gebroeders [geïntimeerden] te veroordelen om al hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan of zal voldoen aan haar terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling, afwijzen, nu niet is komen vast te staan dat zij ter uitvoering van het bestreden vonnis iets heeft voldaan of betaald aan de gebroeders [geïntimeerden].

3.11 Met grief 2 stelt [appellante] aan de orde dat de kantonrechter, nu zij ontvankelijk was in haar vorderingen, de gebroeders [geïntimeerden] wel had moeten veroordelen in de proceskosten en niet heeft gemotiveerd waarom er aanleiding is voor een compensatie van die kosten. Deze grief faalt. Het is aan de kantonrechter overgelaten te beslissen of de proceskosten worden gecompenseerd. Nu partijen bloedverwanten in de derde graad zijn biedt artikel 237 Rv ruimte voor compensatie. De kantonrechter is niet gehouden deze beslissing nader te motiveren.

3.12 Nu grief 1 slaagt zal het hof het bestreden vonnis vernietigen, behoudens de compensatie van de proceskosten, en op grond van het vorenstaande beslissen als volgt. Vanwege het slagen van grief 1 komt het hof niet toe aan een beoordeling van hetgeen bij vermeerdering van eis is gevorderd.

3.13 Als de in het ongelijk gestelde partij zullen de gebroeders [geïntimeerden] in de kosten van dit hoger beroep worden veroordeeld.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Apeldoorn, van 27 oktober 2010, met uitzondering van de compensatie van de proceskosten, welke beslissing wordt bekrachtigd, en doet opnieuw recht;

veroordeelt de gebroeders [geïntimeerden] aan [appellante] te verschaffen:

a. een overzicht van alle schulden van de erflaatster op het moment van haar overlijden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW;

b. een overzicht van levensverzekeringen die door de erflaatster zijn gesloten;

c. een opgave van alle schenkingen die door de erflaatster zijn gedaan;

d. kopieën van de afschriften van alle bank- en girorekeningen van de erflaatster waarop zichtbaar is wat het saldo op 28 september 2007 was;

e. een kopie van de successieaangifte;

f. alle overige informatie die van belang kan zijn voor de berekening van de legitieme portie voor zover het de waarde van de goederen van de nalatenschap van de erflaatster betreft;

op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de gebroeders [geïntimeerden] daaraan niet voldoen, met dien verstande dat zij deze dwangsom verbeuren vanaf de vijftiende dag na betekening van dit arrest;

veroordeelt de gebroeders [geïntimeerden] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 284,- voor griffierecht;

veroordeelt de gebroeders [geïntimeerden] in de nakosten, begroot op € 131,--, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval de gebroeders [geïntimeerden] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, S.M. Evers en J.G.Luiten en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature