Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Onderzoek Rembrandt: oplichting, valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.994027-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1973] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. D. Fontein, advocaat te Zaandam.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21, 22, 23 en 24 november 2011, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

? als leidinggevende samen met anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd (feiten 1, 3 en 5)

? als leidinggevende samen met anderen diverse geldbedragen heeft witgewassen (feiten 2, 4 en 6)

? samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 7).

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op diverse bewijsmiddelen, afzonderlijk dan wel in samenhang beschouwd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde feiten. De verdediging heeft op diverse punten verweer gevoerd. Deze verweren zullen in paragraaf 4.3 stuk voor stuk in het lopend betoog worden besproken, voorzover zij niet reeds zijn weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Algemeen

4.3.1.1. Inleiding

Anders dan te doen gebruikelijk zal de rechtbank in haar vonnis de verdachte, alsmede haar medeverdachten in de "Rembrandtzaak" ([medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [bedrijf 1], [bedrijf 2], [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) ten behoeve van de leesbaarheid ervan niet in alle gevallen aanduiden als ‘verdachte’ of ‘de verdachte’, c.q. (de) medeverdachte(n), maar verwijzen naar zijn/haar/hun achternaam, en daarbij zo nodig tevens haar (mede)verdachtes, voorletters of voornaam vermelden.

Naar aanleiding van een verdenking dat medewerkers van de [stichting 1] ([stichting 1]) samen met een projectontwikkelaar, te weten, [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) betrokken waren bij fraude met vastgoedprojecten, het versturen van valse facturen voor werkzaamheden die niet zijn verricht en het afromen van ten onrechte of teveel betaalde bedragen via constructies met besloten vennootschappen, is door de VROM-IOD een onderzoek genaamd Rembrandt ingesteld.

Dit onderzoek richtte zich op de directeur van woningbouwvereniging [stichting 1], [medeverdachte 2], die er van wordt verdacht dat hij met projectontwikkelaar [medeverdachte 1] van [bedrijf 3] ([naam]) aan de Raad van Toezicht van [stichting 1] projecten heeft voorgesteld tegen een te hoge prijs en/of daarbij de aan de projecten verbonden risico’s heeft verzwegen. De Raad van Toezicht van [stichting 1] zou daardoor tot aankoop van de projecten [project 1], [project 2] en [project 3] zijn bewogen. Een deel van de door [stichting 1] voor deze projecten betaalde gelden zouden tussen [medeverdachte 1] en zijn vrouw [A], [medeverdachte 2] en diens zus en schoonzus -[medeverdachte 3] respectievelijk [verdachte], zijn verdeeld en via een speciaal daartoe opgerichte besloten vennootschap, [bedrijf 1], zijn witgewassen. Vanuit deze laatste BV zouden valse facturen zijn verstuurd voor het dragen van risico en het verrichten van werkzaamheden, terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake is geweest.

4.3.1.2. [bedrijf 1]

4.3.1.2.1. De oprichting en de certificering van de aandelen van [bedrijf 1]

Op 30 september 2005 wordt [bedrijf 1], vanaf 31 mei 2007 genaamd [bedrijf 1] , (hierna steeds te noemen: [bedrijf 1]) gevestigd te [vestigingsplaats], opgericht door [medeverdachte 3]. Bij de oprichting wordt [medeverdachte 3] enig aandeelhouder van de vennootschap, terwijl haar levenspartner [verdachte] enig bestuurder wordt. Het totaal geplaatst aandelenkapitaal van [bedrijf 1] is € 18.150,- en [medeverdachte 3] verkrijgt alle 726 uitgegeven aandelen . Op dezelfde dag wordt door [medeverdachte 3] de [stichting 2] ([stichting 2]) opgericht , waarvan zij enig bestuurder wordt. De aandelen van [bedrijf 1] worden dezelfde dag nog gecertificeerd en in [stichting 2] ondergebracht.

Op het bankrekeningnummer van [bedrijf 1] wordt op 15 september 2005 een bedrag ter grootte van € 19.000,- bijgeschreven. De betaling is afkomstig van [bedrijf 5] en is voorzien van de omschrijving “Spoedopdracht.” [medeverdachte 3] verklaart over deze betaling dat deze de verstrekking van een lening betreft door [medeverdachte 1]. Zij verklaart dat [medeverdachte 1] deze lening via zijn bedrijf [bedrijf 5] heeft verstrekt aan [bedrijf 1] en op die manier voor een garantstelling zorgde. Deze lening is korte tijd later door [bedrijf 1] terugbetaald.

4.3.1.2.2. De overdracht van aandelen aan [B]

Bij brief d.d. 10 augustus 2005 aan notaris [notaris] betreffende “Oprichting van [bedrijf 4]” schrijft de registeraccountant [C] dat [medeverdachte 3] [bedrijf 1] wil oprichten en dat zij de aandelen van deze BV wil certificeren en de certificaten voor 45/55e deel tegen nominale waarde wil overdragen aan haar broer, de heer [medeverdachte 2], hetgeen inhoudt 594 certificaten met een nominale waarde van totaal € 14.850,-. [C] verzoekt notaris [notaris] de stukken in concept op te maken op basis van deze gegevens.

Op 30 september 2005 draagt [medeverdachte 3] 594 geplaatste certificaten van aandelen in het kapitaal van [bedrijf 1] over aan [B], de echtgenote van [medeverdachte 2] met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd. Blijkens de akte van overdracht van de certificaten betaalt zij hiervoor € 14.850,- .

Bij de vader van [verdachte] is een onderhandse akte van overdracht van de certificaten gedateerd 12 oktober 2005 van [B] aan [verdachte] aangetroffen. Deze overdracht van de certificaten is niet aangetekend in het bijbehorende register van certificaathouders . Deze akte en de plaats waar deze zich bevond kwam eerst ter sprake in het 15e verhoor door VROM-IOD van [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] heeft toen verklaard dat zij dit document bij de vader van [verdachte] op zolder bewaarde als back-up in verband met brandgevaar. Er is echter nergens een originele versie van deze akte aangetroffen.

[B] verklaart dat zij niets weet van een overdracht van certificaten aan, respectievelijk door haar. Zij verklaart bovendien niets te weten van een garantstelling. Geconfronteerd met de parafen en handtekeningen op de documenten betreffende de (vermeende) overdrachten van de certificaten, verklaart zij niet te weten of deze van haar zijn.

Met betrekking tot de certificaten verklaart [verdachte] nog dat zij niet weet hoe lang deze garantstelling heeft geduurd en of [B] nog steeds garant staat.

De verdediging heeft aangevoerd dat de overdracht van certificaten aan [B], de echtgenote van [medeverdachte 2], een garantstelling betrof voor de lening die is afgesloten ten behoeve van het kapitaal dat benodigd was voor de oprichting van [bedrijf 1] en dat de certificaten enkele dagen later, toen de garantstelling niet meer nodig was, door [B] zijn overgedragen aan [verdachte].

Gelet op bovenstaande bevindingen acht de rechtbank de door de verdediging geschetste gang van zaken omtrent de teruglevering van de certificaten door [B] aan [verdachte] niet aannemelijk. De enige aanwijzing voor een dergelijke gang van zaken (naast de verklaringen van verdachten) is de onderhandse akte maar daaraan kan de rechtbank, gezien vorenstaande overwegingen over die akte, onvoldoende waarde hechten. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de certificaten in eigendom van [B] zijn gebleven.

4.3.1.2.3. De betrokkenheid van verdachten in [bedrijf 1]

Om vast te stellen wat de betrokkenheid van de verschillende verdachten was bij de oprichting en de activiteiten van [bedrijf 1] en wie (feitelijk) leiding geven aan [bedrijf 1], slaat de rechtbank acht op de volgende verklaringen en documenten.

Blijkens de uittreksels uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel d.d. 7 mei 2010 betreffende [bedrijf 1] was [verdachte] vanaf de oprichting op 30 september 2005 algemeen directeur en alleen/zelfstandig bevoegd .

Over de oprichting van [bedrijf 1] wordt door de directeur, [verdachte], het volgende verklaard:

"Ik ben niet bij de oprichtingsplannen van de Stichting en [bedrijf 1] aanwezig geweest. [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] = [medeverdachte 3]) hebben dit gepland. Ik moest directeur worden, omdat [medeverdachte 1] geen zaken zou mogen doen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Dit was vanwege de geldstromen van [stichting 1] naar [naam] en van [naam] naar [bedrijf 1] [medeverdachte 2] was toen al directeur bij [stichting 1] en [medeverdachte 3] kon geen directeur zijn omdat zij de zus van [medeverdachte 2] is en [medeverdachte 2] de directeur van [stichting 1]. Het is mij door [medeverdachte 3] uitgelegd dat zij geen directeur konden worden en ik wel. Ik verdiende veel geld waar ik niets voor hoefde doen.”

Vanaf 20 november 2008 wordt [medeverdachte 1] eveneens zelfstandig bevoegd als algemeen directeur. [verdachte] verklaart dat het feit dat [medeverdachte 1] op dat moment directeur werd van [bedrijf 1], alles te maken had met het aangekondigde bezoek van de belastingdienst. Vlak voor dit bezoek van de belastingdienst in 2008 heeft zij een stuk of tien briefjes geschreven tussen [naam] en [bedrijf 1] Zij verklaart dat de datum van die briefjes moest kloppen met de projecten die in de mappen aan de [adres] te [woonplaats] zaten. Volgens [verdachte] heeft [medeverdachte 2] haar daar deze briefjes gedicteerd met een tekst als “hoi [medeverdachte 1], hierbij de tekening of stukken van… Ik heb gekeken naar project dat niet haalbaar is. Groetjes [verdachte]”

Zij verklaart dat deze briefjes met een foutieve datum in de projectmappen zijn gedaan en dat een kopie daarvan is gegeven aan [medeverdachte 1], die ook bij het onderhoud aanwezig was. Zij verklaart voorts vaker haar handtekening te hebben gezet onder dingen die niet klopten .

Ook [medeverdachte 3] was volgens haar bij het onderhoud aanwezig. [medeverdachte 3] heeft tijdens haar verhoor door de VROM IOD bevestigd dat [medeverdachte 2] heeft geholpen met administratieve taken in [bedrijf 1]

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [verdachte] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, omdat zij gemakkelijk te beïnvloeden is en mede door onjuiste informatieverschaffing door de verbalisanten tijdens de verhoren, in strijd met de waarheid heeft verklaard.

De rechtbank overweegt dat [verdachte] tijdens de verhoren door de VROM-IOD de mogelijkheid heeft gehad om haar advocaat te raadplegen. Zij heeft consequent verklaard en de inhoud van haar verklaringen herhaald ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank ten tijde van de inbewaringstelling. De rechtbank is niet van het voorhouden van onjuiste omstandigheden tijdens haar verhoren gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen reden is om de verklaringen van [verdachte] van het bewijs uit te sluiten en verwerpt het verweer.

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat [verdachte] niet op de hoogte was van de werkzaamheden binnen [bedrijf 1] en er, naast het tekenen van de door [medeverdachte 3] opgestelde brieven, geen uitvoeringshandelingen aan haar toe te schrijven zijn. Haar opzet op de verboden gedragingen zou derhalve niet vast te stellen zijn. De rechtbank is van oordeel dat verdachte gelet op vorenstaande bevindingen bevoegd en redelijkerwijs gehouden was om maatregelen te nemen ter voorkoming van door [bedrijf 1] verrichte verboden gedragingen. Immers uit voornoemd uittreksel uit de handelsregisters van de Kamer van Koophandel volgt dat [verdachte] officieel is aangewezen als algemeen directeur van [bedrijf 1] Tevens heeft zij zelf verklaard te weten dat er op de aan haar gedicteerde en door haar ondertekende brieven foutieve data stonden. Zij heeft voorts verklaard het wel een beetje vreemd te hebben gevonden dat zij voor het niet verrichten van werkzaamheden zoveel geld verdiende. Van verdachte mocht onder deze omstandigheden worden verlangd dat zij onderzoek zou hebben gedaan naar de vraag waarom haar medeverdachten [bedrijf 1] hadden opgericht, zij als directeur werd aangesteld en zij zonder daarvoor te hoeven werken zo veel geld verdiende. Dat zij dit heeft nagelaten komt voor haar eigen rekening en risico. Zij heeft zich op geen enkele wijze gedistantieerd van de handelswijze van [bedrijf 1] en hierdoor heeft zij op zijn minst voorwaardelijk opzet gehad op het opdracht en leiding geven aan de gedragingen die genoemde rechtspersoon verweten worden.

[medeverdachte 3] verklaart dat zij de betalingen verzorgde voor [bedrijf 1] en dat ze alles weet van de administratie van [bedrijf 1] Zij verklaart dat zij de werkzaamheden heeft verricht en de adviezen heeft gegeven waarvan in de verschillende documenten wordt gesproken en waarvan [verdachte] verklaart dat zij die niet heeft verricht respectievelijk gegeven. Zij verklaart dat ze deze werkzaamheden en projecten aan [naam] heeft gefactureerd. Over de rol van [verdachte] in [bedrijf 1] verklaart ze dat ze aanvankelijk dacht dat [verdachte] wel werkzaamheden zou gaan verrichten, maar dat duidelijk werd dat zij het niet leuk vond.

In een emailbericht d.d. 1 september 2005 van [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] “ze zo netjes vind”. Het emailbericht vermeldt als onderwerp ‘Briefpapier en factuur [naam]’ en bij dit bericht zijn twee documenten gevoegd, te weten een blanco (concept) brief en een blanco (concept) factuur op briefpapier van [bedrijf 1]

[bedrijf 6] stuurt [bedrijf 1] op 31 januari 2007 een factuur ten behoeve van Juridisch advies inzake diverse projecten. Deze factuur wordt in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen. In de woning van [medeverdachte 2] is bij de doorzoeking ter inbeslagname d.d. 19 mei 2010 ook gevonden een uitdraai van een verrekenstaat waarop onder andere een kolom staat met de titel [naam] (zie ook hierna onder “4.3.1.2.4 Geldstromen”).

En voorts werd in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen een lijst met daarop de aandelenportefeuille van [bedrijf 1] . Hierover heeft [medeverdachte 3] het volgende verklaard : [bedrijf 1] heeft een beleggingsportefeuille van in totaal ongeveer € 870.000.

Op 19 september 2005 stuurt [C] aan [bedrijf 7], t.a.v. de heer [medeverdachte 2] een factuur voor verleende diensten tot en met augustus 2005. Op de specificatie van de factuur staat onder meer de post ‘oprichten rechtspersonen’. Op een overzicht dat later door [C] wordt verstrekt staat bij deze post vermeld ”10-08-2005 H&S (=[naam]) inz. [naam]”

Uit bovenstaande verklaringen en bevindingen leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] naast [medeverdachte 3] en [verdachte] feitelijk opdracht en/of leiding heeft geven aan [bedrijf 1]

4.3.1.2.4. De geldstromen van en naar [bedrijf 1]

Om vast te stellen hoe de geldstromen liepen van en naar deze BV slaat de rechtbank acht op het volgende.

Verrekenstaat en handgeschreven notities

Op de computers in de woningen van respectievelijk [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte] en in het bedrijfspand aan de [adres] is een verrekenstaat aangetroffen waarin onder meer een kolom is opgenomen met de titel [naam]. In de woning van [medeverdachte 2] is een (eerdere) uitdraai van deze verrekenstaat gevonden. In de kolom met de titel [naam] staan uiteenlopende bedragen in euro’s opgenomen onder diverse projectnamen.

Daarnaast zijn in de woning van [medeverdachte 2] handgeschreven overzichten (B 5 264 , B 5 265 en B 5 266 ) aangetroffen. Op deze documenten staan allerlei bedragen, plaatsnamen, projecten en verwijzingen naar facturen geschreven. Deze documenten zijn van de hand van [medeverdachte 3].

Op grond van deze verrekenstaat en de handgeschreven notities concludeert de rechtbank dat bedragen, afkomstig uit de opbrengsten van diverse projecten, ten goede zouden komen aan [bedrijf 1]

De verdediging heeft aangevoerd dat de aanwezigheid, herkomst en/of bedoeling van de -digitaal dan wel fysiek- aangetroffen verrekenstaten en handgeschreven notities niet bekend waren bij de verschillende verdachten en dat uit de enkele vondst van deze documenten geen conclusies mogen worden getrokken met betrekking tot hun wetenschap van de inhoud van deze documenten. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. De verrekenstaten en/of handgeschreven notities zijn bij de verschillende verdachten thuis en/of op de bij hen in gebruik zijnde computers aangetroffen. Zij vermelden projecten waarbij zij allemaal op de een of andere wijze betrokken zijn geweest en maken voorts melding van bedragen die verdachten niet onbekend kunnen zijn gelet op deze betrokkenheid.

Voor de beantwoording van de vraag of en hoe de geldstromen vanuit de projecten naar [bedrijf 1] liepen overweegt de rechtbank het volgende.

Het indienen van declaraties door [bedrijf 1] aan o.a. [naam]

[bedrijf 1] heeft diverse (hierna afzonderlijk te noemen onder de verschillende ten laste gelegde feiten) facturen verzonden aan onder andere [naam]. Deze facturen gingen vergezeld met een begeleidend schrijven, waarin de reden van de facturatie stond vermeld. In dit begeleidend schrijven werd ofwel verwezen naar de afkoop van een project waarvoor [bedrijf 1] mede risico zou hebben gedragen, ofwel naar werkzaamheden die door [bedrijf 1] in een bepaald project zouden zijn verricht. Het begeleidend schrijven werd ondertekend door [verdachte], als directeur van de BV.

In de tenlastelegging wordt een aantal facturen genoemd die vals zouden zijn opgemaakt. Bij de afzonderlijk tenlastegelegde facturen zal de rechtbank vaststellen of naar haar oordeel het aannemelijk is dat de omschreven werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of het in de factuur beschreven risico daadwerkelijk is gedragen door [bedrijf 1] Voor de leesbaarheid van dit vonnis vermeldt de rechtbank hierop vooruitlopend alvast haar conclusie dat naar haar oordeel dit niet het geval is.

Voor de onderbouwing van deze conclusie verwijst de rechtbank naar de paragrafen 4.3.2.1.2, 4.3.2.2.1 en 4.3.2.3.1 van dit vonnis.

De rechtbank concludeert dat de verkregen opbrengsten uit de projecten via het indienen van facturen bij onder andere [naam] naar het vermogen van [bedrijf 1] zijn gevloeid.

Voor de beantwoording van de vraag hoe de geldstromen vanuit [bedrijf 1] naar de verdachten zijn gegaan, slaat de rechtbank acht op het volgende.

Certificaten

De certificaten van [bedrijf 1] die door [medeverdachte 3] zijn overgedragen aan [B] belichamen de economische rechten. Het meest in het oog springende economische recht is het recht op dividend.

[B] bezat 45/55e deel en [medeverdachte 3] 10/55e deel van de certificaten van [bedrijf 1] Daarmee vallen de opbrengsten van de door het [stichting 2] te beheren aandelen voor respectievelijk 45/55e en 10/55e deel in hun vermogen.

[B] is in gemeenschap van goederen getrouwd met [medeverdachte 2]. Dit impliceert dat de certificaten van [B] in de huwelijksgoederengemeenschap vallen en dat het op de aandelen van [bedrijf 1] uit te keren dividend voor 45/55e deel in het vermogen van [medeverdachte 2] valt. Voorts gaat de rechtbank er vanuit dat -gelet op bovenvermelde verdeling van de certificaten- 10/55e deel van het op de aandelen van [bedrijf 1] uit te keren dividend in het vermogen van [medeverdachte 3] valt.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er daadwerkelijk gelden vanuit [bedrijf 1] naar [medeverdachte 2] en andere verdachten zijn gevloeid.

4.3.1.2.5. Conclusie

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat [bedrijf 1] –mede- is opgericht om gelden afkomstig uit misdrijf wit te wassen.

4.3.1.3. [D] en [naam]

Op 10 november 1997 is [bedrijf 2] (hierna te noemen: [D]) opgericht. Van deze vennootschap, gevestigd op de [adres] te [woonplaats], heeft de toenmalige echtgenote van [medeverdachte 1], [A], sinds de oprichting alle aandelen en is ze enig bestuurder. In de loop van 2010 is dat laatste gewijzigd en is [medeverdachte 1] enig bestuurder geworden. [A] bleef wel enig aandeelhouder.

[D] houdt alle aandelen van [bedrijf 3] (handelend onder de naam [naam]). Van deze vennootschap is [D] sedert 22 maart 2002 directeur en daarnaast is [medeverdachte 1] sedert 4 april 2005 algemeen directeur.

Ook is [D] enig aandeelhouder van [bedrijf 8] Deze BV is opgericht op 14 november 2001 en houdt alle aandelen en is tevens directeur van

[bedrijf 13] [medeverdachte 3] was in dienst bij deze laatste rechtspersoon.

[A] heeft over haar rol binnen deze ondernemingen verklaard dat zij weliswaar aandeelhouder en (mede)directeur was maar dat [medeverdachte 1] de feitelijke leiding over deze ondernemingen had. De reden dat alles op haar naam is gezet was enkel gelegen in het feit dat de ondernemingen niet op naam van [medeverdachte 1] gezet konden worden in verband met zijn eerdere, nog niet afgeronde, faillissement. Zij heeft verklaard geen enkele bemoeienis met de inhoudelijke gang van zaken van deze ondernemingen te hebben gehad en enkel documenten op verzoek van [medeverdachte 1] te hebben ondertekend. Wel heeft zij aangegeven de administratie van de ondernemingen te hebben gedaan. Zij boekte in de administratie in, hetgeen [medeverdachte 1] haar daartoe gaf.

[medeverdachte 1] heeft over zijn rol binnen deze ondernemingen verklaard dat hij de dagelijkse leiding heeft in deze vennootschappen. Hij is degene die alles beslist en regelt en alle verantwoordelijkheden had. Dat is ook altijd zo geweest, verklaart hij verder. [A] deed enkel wat administratieve handelingen die hij haar opgaf maar had geen inhoudelijke bemoeienis met de inhoudelijke gang van zaken van de ondernemingen.

Uit bovenstaande verklaringen en bevindingen leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] feitelijk opdracht en/of leiding heeft geven aan [naam] en [D].

4.3.2. De projecten

De rechtbank merkt op dat zij bij de behandeling van de verschillende projecten de chronologische volgorde aanhoudt en daarmee afwijkt van de volgorde, zoals die in de tenlastelegging wordt gehanteerd.

4.3.2.1. Het project [project 1]

4.3.2.1.1. Algemeen

Op 3 oktober 2005 wordt door [naam] aan [stichting 1] het perceel [adres] in [woonplaats] geleverd voor een bedrag van

€ 7.451.270,- .

4.3.2.1.2. Valsheid in geschrift en witwassen

[bedrijf 1] zijn in verband met dit project 4 facturen verzonden aan [naam], elk ten bedrage van € 265.000,- exclusief BTW d.d. 17 oktober 2005, 17 november 2005, 17 december 2005 en 17 januari 2006. Deze facturen zijn verwerkt in de administratie van [naam].

De facturen zijn vergezeld van een brief waarin o.a. staat: “Verder factureer ik je hierbij de 1 termijn afkoop project [project 4] [project 1] conform onze afspraak 30 september 2005”. Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] wordt verklaard dat deze bedragen te maken hadden met het afkopen van een koop- en ontwikkelovereenkomst die zij hadden gesloten met betrekking tot het project [project 1]. Deze overeenkomst was onder meer gesloten omdat [medeverdachte 1] het risico voor dit project niet alleen wilde dragen als hij het niet verkocht zou krijgen .

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of [bedrijf 1] daadwerkelijk risico heeft gedragen voor de afkoop van het project [project 1], dan wel of dit bedrag de winst of opbrengst van [naam] betreft die via valse facturen wordt doorgesluisd naar [bedrijf 1]

De rechtbank slaat daarbij acht op het volgende:

- op 10 mei 2005 wordt de koopovereenkomst tussen [bedrijf 10] en [naam] gesloten. Deze koopovereenkomst vermeldt de mogelijkheid van een concerngarantie, af te geven door [stichting 1], vertegenwoordigd door [medeverdachte 2].

- in de intentieovereenkomst d.d. 23 mei 2005 tussen [stichting 3], [naam], [stichting 4] en [stichting 1] betreffende de [project 1] staat vermeld dat [stichting 1] de ontwikkeling van het terrein [adres] zal overnemen en realiseren;

- op 15 september 2005 wordt er tussen [bedrijf 1], vertegenwoordigd door [verdachte], die ook als privépersoon voor nakoming garant staat, en [naam] een koop- en ontwikkelovereenkomst gesloten met betrekking tot de [project 1], waarin wordt afgesproken dat partijen zullen samenwerken aan de risicodragende ontwikkeling van het project en het risico, de kosten en opbrengsten van het project gelijkelijk zullen dragen ;

De rechtbank overweegt dat uit de hierboven genoemde koopovereenkomst en intentieovereenkomst volgt dat het risico voor [naam] minimaal was, immers uit de koopovereenkomst blijkt dat [stichting 1] kennelijk al voor 10 mei 2005 als mogelijke koper in beeld was bij [naam]. Dit wordt bevestigd in genoemde intentieovereenkomst waaruit blijkt dat [stichting 1] op 23 mei 2005 de intentie had uitgesproken om tot koop en ontwikkeling van het project over te gaan. Daar komt nog bij dat [bedrijf 1] in werkelijkheid financieel niet in staat was om dit risico te dragen. [medeverdachte 1] heeft namelijk via zijn bedrijf [bedrijf 5] een lening moeten verstrekken van € 19.000,- om de oprichting van [bedrijf 1] mogelijk te maken. [bedrijf 1] was voor, noch na de oprichting financieel in staat om risico’s op te vangen.

Ook [verdachte] was niet vermogend en kon in die zin noch voor zichzelf als privépersoon noch voor [bedrijf 1] financiële risico’s dekken. De lening ten behoeve van de oprichting van [bedrijf 1] kon dan ook kennelijk pas worden terugbetaald nadat [naam] voornoemd bedrag ad € 1.061.274,58 aan [bedrijf 1] had overgemaakt .

Voor wat betreft de vraag of door [bedrijf 1] werkzaamheden ten behoeve van het project [project 1] zijn verricht slaat de rechtbank acht op de verklaring van de getuige [getuige], die namens [bedrijf 10] optrad. Hij verklaart dat hij [medeverdachte 3] nooit als zakenpartner heeft beschouwd, maar als een assistent van [medeverdachte 1] . Dit beeld past bij de functie die [medeverdachte 3] had bij [bedrijf 13]. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is van enige betrokkenheid van [medeverdachte 3] bij het project. Zo er al werkzaamheden zouden zijn verricht door [medeverdachte 3], dan zijn deze verricht uit hoofde van haar functie bij [bedrijf 13] en niet vanuit [bedrijf 1]

Ook overigens is uit de stukken niet gebleken, noch is uit het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat er in dit project risico is gedragen, dan wel werkzaamheden zijn verricht door [bedrijf 1]

Dit maakt de facturen tot valse facturen.

De prijs waarvoor [stichting 1] het vastgoed betreffende het project [project 1] heeft aangekocht van [naam] was

€ 7.451.270,-. Een gedeelte ter grootte van € 5.443.356,35 is door [stichting 1] aan de notaris overgemaakt . Het notariskantoor heeft van dit bedrag betaald aan [bedrijf 10] het aankoopbedrag voor de [adres] en 3A (€ 2.000.000,-), de door [naam] te betalen notariskosten en de gemeentelijke belastingen en derhalve € 3 034 025,43 aan [naam] overgemaakt. Na ontvangst van voornoemd bedrag heeft [naam] op 10 oktober 2005 een bedrag ter grootte van € 1.061.274,58 overgemaakt aan [bedrijf 1]

Door verdachte en haar medeverdachten is voor de ontvangst van € 1.061.274,58 door [bedrijf 1] geen aannemelijke verklaring gegeven. Van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken. De rechtbank leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 4.3.1.2 met betrekking tot [bedrijf 1] staan beschreven, in onderlinge samenhang bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

Door betaling van deze facturen door [naam] aan [bedrijf 1] is het criminele geld- te weten het geld dat op grond van oplichting uit het project [project 1] is verkregen- overgegaan van [naam] naar [bedrijf 1] Hiermee acht de rechtbank ook het witwassen van het totaalbedrag van de facturen € 1.061.274,58 bewezen.

De rechtbank heeft hiervoor reeds bepaald dat [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 2] feitelijk opdracht en/of leiding hebben geven aan [bedrijf 1] Nu het opmaken van de bij dit project bedoelde valse facturen enkel tot doel heeft gehad een verklaring te geven voor de betaling van voornoemd bedrag door [naam] aan [bedrijf 1] -teneinde dit bedrag vervolgens te kunnen verdelen tussen deze drie leidinggevenden van [bedrijf 1][naam] neemt de rechtbank als vaststaand aan dat zij ook alledrie, en derhalve ook verdachte, aan déze concrete verboden gedragingen (valsheid in geschrift en witwassen) gezamenlijk leiding hebben gegeven.

4.3.2.2. Het project [project 2]

4.3.2.2.1. Valsheid in geschrift en witwassen

[bedrijf 1] zijn diverse facturen, elk ten bedrage van € 35.700,-, verzonden aan [naam], namelijk:

? op 27-02-2007 de factuur 07/001 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement februari en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en [project 6]/[woonplaats] ter grootte van een bedrag van

€ 25.000,-;

? op 09-03-2007 de factuur 07/004 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement maart en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en de 1e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 7] ter grootte van een bedrag van € 25.000,-;

? op 05-07-2007 de facturen 07/006, 07/007en 07/008 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement april, Adviezen en projectmanagement mei , respectievelijk Adviezen en projectmanagement juni en voorzien van een begeleidend schrijven , , waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- en de 2e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 7] ter grootte van een bedrag van € 25.000,-, naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 5.000,- , werkzaamheden [naam] [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 2.500,- en projectmanagement en adviezen voor de [adres] [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 22.500, respectievelijk naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 5.000,-, werkzaamheden [naam] [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 2.500,- en projectmanagement en adviezen voor de [adres] [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 22.500,-;

? op 03-09-2007 de factuur 07/010 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement juli en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende de projecten [project 5][woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 12.500,- en de 1e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 6] te [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 17.500,-;

? op 11-09-2007 de factuur 07/011 met de omschrijving Adviezen en projectmanagement augustus en voorzien van een begeleidend schrijven waarin wordt verwezen naar projectmanagement en adviezen betreffende het project [project 7][woonplaats] en een derde termijn afkoop risico/winst tezamen ter grootte van een bedrag van € 12.500,- en de 2e termijn voorschot op risico/winst van het project [project 6] te [woonplaats] ter grootte van een bedrag van € 17.500,-.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of [bedrijf 1] daadwerkelijk adviezen, projectmanagement en werkzaamheden heeft verricht dan wel risico heeft gedragen met betrekking tot de in de begeleidende brieven omschreven projecten. De verdediging heeft gesteld dat deze werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en risico is gedragen en zij heeft ter onderbouwing van deze stelling projectmappen in het geding gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt door de verdediging dat deze werkzaamheden zijn verricht en dat ten aanzien van genoemde projecten risico is gedragen door [bedrijf 1] Weliswaar heeft de verdediging enkele projectmappen in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat in deze projecten (enige) werkzaamheden zijn verricht, maar noch in deze mappen, noch in de overige stukken van het dossier kan bevestiging worden gevonden voor de stelling van de verdediging dat deze werkzaamheden door [bedrijf 1] zijn verricht. Ook voor de stelling dat [bedrijf 1] voor deze projecten enig risico heeft gelopen kan geen onderbouwing worden gevonden. De rechtbank sluit niet uit dat [medeverdachte 3] in bovengenoemde projecten enige werkzaamheden heeft verricht, maar nergens blijkt dat zij deze werkzaamheden voor [bedrijf 1] heeft verricht en niet in haar hoedanigheid van werkneemster van [bedrijf 13], een van de vennootschappen van [medeverdachte 1] waar zij in dienst was. Nu in de facturen is opgenomen dat de werkzaamheden zijn verricht door, en het risico is gedragen door [bedrijf 1], concludeert de rechtbank dat de facturen vals zijn.

Door [naam] is op 29 juni 2007 een geldbedrag ter grootte van € 350.000,-, overgemaakt aan [bedrijf 1] onder vermelding van Voorschot termijnnota’s. Door verdachte en zijn/haar medeverdachten is voor de ontvangst van € 350.000,- door [bedrijf 1] geen enkele aannemelijke verklaring gegeven. Van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken. De rechtbank leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 4.3.1.2 met betrekking tot [bedrijf 1] staan beschreven, in onderlinge samenhang bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Hiermee acht de rechtbank ook het witwassen van € 350.000,- bewezen.

De rechtbank heeft hiervoor reeds bepaald dat [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 2] feitelijk opdracht en/of leiding hebben geven aan [bedrijf 1] Nu het opmaken van de bij dit project bedoelde valse facturen enkel tot doel heeft gehad een verklaring te geven voor de betaling van voornoemd bedrag door [naam] aan [bedrijf 1] -teneinde dit bedrag vervolgens te kunnen verdelen tussen deze drie leidinggevenden van [bedrijf 1][naam] neemt de rechtbank als vaststaand aan dat zij ook alledrie, en derhalve ook verdachte, aan déze concrete verboden gedragingen (valsheid in geschrift en witwassen) gezamenlijk leiding hebben gegeven.

4.3.2.3. Het project [project 3]

4.3.2.3.1. Valsheid in geschrift en witwassen

[bedrijf 1] is aan [naam] een factuur d.d. 23 juli 2007 verzonden ten bedrage van € 1.149.500,- exclusief BTW. Deze factuur is verwerkt in de administratie van [naam].

De rechtbank dient de vragen te beantwoorden of [naam] voor het project [project 3] daadwerkelijk risico heeft gedragen dat door haar (gedeeltelijk) aan [bedrijf 1] is overgedragen en [bedrijf 1] projectmanagement en adviezen heeft verricht in het project [project 3], dan wel of dit bedrag een deel van de winst of opbrengst van [naam] betreft die via een valse factuur wordt doorgesluisd naar [bedrijf 1]

De rechtbank slaat daarbij acht op het volgende:

? op 31 mei 2007 wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen [stichting 1], [bedrijf 14] en [bedrijf 11] met betrekking tot het perceel [project 3], waarin onder meer is opgenomen:

‘Op datum van de overdracht van de grond aan het [stichting 1] zal de combinatie [E]/[F] als afkoopsom aan [naam] een bedrag voldoen ten bedrage van €2.250.000, = exclusief BTW zegge; tweemiljoen tweehonderd vijftigduizend Euro.’ ;

? op 6 juli 2007 vindt de overdracht plaats van het perceel [project 3] door [bedrijf 12] aan [stichting 1] voor een bedrag van € 14.600.000,- ;

? door de notaris wordt een deel van de koopsom, ter grootte van € 2.677.500,- overgeboekt naar [naam] en dit wordt op 11 juli 2007 door [naam] ontvangen ;

? op 16 juli 2007 wordt door [naam] een bedrag van € 1.367.905,- overgemaakt aan [bedrijf 1] welk bedrag op 17 juli 2007 door [bedrijf 1] wordt ontvangen ;

? op 23 juli 2007 stuurt [bedrijf 1] een factuur naar [naam] ter grootte van een bedrag van € 1.149.500,- exclusief BTW met de omschrijving ‘Afkoopsom zoals overeengekomen’ ;

? in een begeleidend schrijven bij deze factuur staat vermeld dat de factuur betrekking heeft op het projectmanagement en de adviezen voor het plan [project 3] voor een bedrag van € 30.000,- en op de totale afkoop ontwikkeling en risico voor het project [project 3] ter grootte van een bedrag van € 1.119.500,- ;

? de heer [H], asset-manager bij ING ten tijde van de verkoop van het perceel aan de [project 3], verklaart dat bij de plannen om het perceel [project 3] te verkopen door [F] werd gezocht naar een grote partij die risicodragend kon participeren en dat zodoende [bedrijf 12] werd aangesproken. [E] wilde echter niet op risico kopen maar meteen doorverkopen en daarbij werd [stichting 1] en voor deze als exclusief acquisiteur [naam] in de persoon van [medeverdachte 1], naar voren geschoven;

? de heer [G], bemiddelaar in het conflict tussen [bedrijf 12] en [naam], verklaart dat [stichting 1] het project van [E] wilde afnemen op de voorwaarde, zo zei [medeverdachte 2] tegen hem, dat [naam] genoegdoening zou krijgen.

Met betrekking tot de vraag of [naam]daadwerkelijk risico heeft gedragen dat door haar (gedeeltelijk) aan [bedrijf 1] is overgedragen overweegt de rechtbank het volgende. Vanaf de eerste tot de laatste besprekingen tussen de verschillende partijen is het de opzet geweest en hebben de afspraken ingehouden dat [stichting 1] het project [project 3] uiteindelijk zou afnemen. Daaruit kan enig door [naam] te dragen afnamerisico dan ook niet worden afgeleid. Ook in de overige stukken in het dossier kan de rechtbank voor het bestaan van dat risico, of voor enig ander risico geen enkele ondersteuning vinden.

Nu niet aannemelijk is gemaakt dat [naam] enig risico heeft gelopen kan evenmin sprake zijn van de overdracht van enig risico door [naam] aan [bedrijf 1] Dat [naam] een bedrag ter grootte van € 1.119.500,- aan [bedrijf 1] betaalt enkel voor de afkoop van ontwikkeling (zoals op de begeleidende brief bij de factuur nog vermeld) is door de verdediging niet gesteld maar ook op geen enkele andere wijze aannemelijk geworden. Overigens wordt het bestaan van de door de verdediging gestelde afspraken des te onaannemelijker nu deze niet op papier zijn gezet maar enkel mondeling zouden zijn gemaakt. Los van het feit dat het zeer ongebruikelijk is dat dergelijke afspraken niet schriftelijk worden vastgelegd, betekent dit ook dat voor het daadwerkelijk bestaan van deze afspraken in geen enkel destijds opgesteld document bevestiging kan worden gevonden.

Van werkzaamheden in de zin van projectmanagement en adviezen door [bedrijf 1] verricht binnen het project [project 3], is de rechtbank evenmin gebleken. Op geen enkele wijze blijkt uit het dossier of is door de verdediging aannemelijk gemaakt dat door [bedrijf 1] voor dit project voor een bedrag van EUR 30.000,- genoemde werkzaamheden zijn verricht.

Nu niet is gebleken van op de factuur vermelde werkzaamheden en evenmin is gebleken van het bestaan van een verplichting tot betaling van enig bedrag wegens de totale afkoop ontwikkeling en risico voor het project [project 3], concludeert de rechtbank dat de door [bedrijf 1] opgemaakte facturen vals zijn.

Het op deze factuur vermelde bedrag is vervolgens door [naam] ook daadwerkelijk betaald aan [bedrijf 1] Door verdachte en zijn mededaders is voor de ontvangst van € 1.149.500,- door [bedrijf 1] geen enkele aannemelijke verklaring gegeven en van een mogelijk legale herkomst van het geld is ook overigens niet gebleken. De rechtbank leidt uit de omstandigheden waaronder het geld is overgemaakt en de overige feiten en omstandigheden, zoals deze onder 4.3.1.2 met betrekking tot [bedrijf 1] staan beschreven, in onderlinge samenhang bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat dit geld van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Hiermee acht de rechtbank ook het witwassen van het bedrag van € 1.149.500,- door [bedrijf 1] bewezen.

De rechtbank heeft hiervoor reeds bepaald dat [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 2] feitelijk opdracht en/of leiding hebben geven aan [bedrijf 1] Nu het opmaken van de bij dit project bedoelde valse facturen enkel tot doel heeft gehad een verklaring te geven voor de betaling van voornoemd bedrag door [naam] aan [bedrijf 1] -teneinde dit bedrag vervolgens te kunnen verdelen tussen deze drie leidinggevenden van [bedrijf 1][naam] neemt de rechtbank als vaststaand aan dat zij ook alledrie, en derhalve ook verdachte, aan déze concrete verboden gedragingen (valsheid in geschrift en witwassen) gezamenlijk leiding hebben gegeven.

4.3.3. Criminele organisatie

Om te kunnen vaststellen of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dient de rechtbank te bezien of sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeerden. Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of verdachte tot dit samenwerkingsverband behoorde, daar een aandeel in heeft gehad dan wel de criminele organisatie heeft ondersteund met gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet vereist is dat een deelnemer, indien het oogmerk - zoals in casu tenlastegelegd - het plegen van misdrijven van verschillende soort is, betrokken is geweest bij de verwezenlijking van elk soort van de beoogde misdrijven.

De organisatie waaraan wordt deelgenomen dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, dat wil zeggen dat de feitelijke werkzaamheden van de organisatie op het plegen van misdrijven gericht dienen te zijn.

Het oogmerk is niet gekoppeld aan een bepaalde gedraging, maar moet aanwezig zijn bij de organisatie waaraan wordt deelgenomen. Het gaat daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet om het oogmerk bij de afzonderlijke leden van de organisatie, maar om het oogmerk van het samenwerkingsverband als geheel.

De voor strafbaarheid op grond van artikel 140 Sr vereiste opzet bij de deelnemers moet naar het oordeel van de rechtbank gericht zijn geweest op het criminele oogmerk van de organisatie. Daarvoor is voldoende dat de deelnemer in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Gelet op de in de aanhef van dit onderdeel geformuleerde uitgangspunten en de bovenstaande bewijsmiddelen in paragraaf 4.3, betekent het voorgaande tezamen genomen en in onderling verband bezien dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren. Voorts is in het bewezenverklaarde samenwerkingsverband sprake geweest van het oprichten en in stand houden van meerdere rechtspersonen en kunnen de verdachten die bij die afzonderlijke rechtspersonen werkzaam waren tot genoemd samenwerkingsverband worden gerekend. De desbetreffende rechtspersonen en de daarbij werkzame personen hebben naar het oordeel van de rechtbank een aandeel gehad in dan wel gedragingen ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de criminele organisatie.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat de organisatie waaraan wordt deelgenomen het plegen van misdrijven tot oogmerk had, immers de feitelijke werkzaamheden van de organisatie waren gericht op het onttrekken van gelden aan het vermogen van [stichting 1] door middel van oplichting en het verdelen van deze gelden onder verdachten door middel van valsheid in geschrift en witwassen. Dat gebeurde in de periode 2005 tot en met 2010 volgens een vast patroon. Voor een onderbouwing van deze bewezenverklaring verwijst de rechtbank naar de paragrafen 4.3.2.1.2, 4.3.2.2.1. en 4.3.2.3.1. De rechtbank acht bewezen dat sprake is geweest van een organisatie, in de zin van een samenwerkingsverband tussen natuurlijke personen en rechtspersonen.

Niet bewezen acht de rechtbank dat de organisatie het plegen van verduistering in dienstbetrekking tot oogmerk had. [medeverdachte 2] heeft het uit misdrijf verkregen geld niet onder zich gehouden, noch over dit geld kunnen beschikken, omdat hij eerst toestemming van de Raad van Toezicht nodig had voordat er geldstromen vrijkwamen. Niet is gebleken dat [medeverdachte 2] meer geld heeft overgemaakt dan het geld waarvoor hij door de Raad van Toezicht toestemming had gekregen. De rechtbank zal verdachten daarom van dit onderdeel vrijspreken. De rechtbank acht evenmin bewezen dat de organisatie niet-ambtelijke omkoping beoogde. Uit het misdrijf van oplichting vloeit voort dat er gelden zijn verschaft, aangenomen en verdeeld. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gelden niet meer worden aangemerkt als giften bedoeld om een ander om te kopen, nu vaststaat dat over deze gelden vooraf verdeelafspraken zijn gemaakt. Voor omkoping is bovendien vereist dat het initiatief uitgaat van degene die probeert om te kopen, waardoor de omgekochte bewogen wordt om iets te doen of na te laten. Niet gebleken is hier dat het initiatief voor de fraude van [medeverdachte 1] is uitgegaan en dat hij met het aanbieden van gelden [medeverdachte 2] daartoe heeft bewogen. De rechtbank zal verdachten daarom ook van dit onderdeel vrijspreken.

Naar het oordeel van de rechtbank behoorde verdachte tot de organisatie en is betrokken is geweest bij de gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Uit voorgaande bewijsmiddelen vloeit bovendien voort dat verdachte wetenschap had van het criminele oogmerk van de organisatie.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

1.

Project [project 2]

[bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [bedrijf 1]) op tijdstippen in de periode van 27 februari 2007 tot en met 11 september in Nederland geschriften, te

weten:

- de factuur 07/001 d.d. 27-02-2007 van [bedrijf 1] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW, en

- de factuur 07/004 d.d. 09-03-2007 van [bedrijf 1] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW, en

- de factuur 07/006 d.d. 05-07-2007 van [bedrijf 1] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW, en

- de factuur 07/007 d.d. 05-07-2007 van [bedrijf 1] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW, en

- de factuur 07/008 d.d. 05-07-2007 van [bedrijf 1] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW, en

- de factuur 07/010 d.d. 03-09-2007 van [bedrijf 1] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW, en

- de factuur 07/011 d.d. 11-09-2007 van [bedrijf 1] aan [naam] ter

grootte van EURO 35.700,- ex BTW

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft [bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd

[bedrijf 1]) valselijk en in strijd met de waarheid

in die factuur telkens opgenomen dat er door [bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 1]), werkzaamheden (adviezen en projectmanagement) zijn verricht ten behoeve van [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam])

terwijl in werkelijkheid de genoemde werkzaamheden niet zijn verricht,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te

gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte en haar mededaders

telkens feitelijk leiding hebben gegeven

2.

[bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [bedrijf 1]) op tijdstippen in de periode van 1 juni 2007 tot en met 11 september 2007 in Nederland, van een voorwerp, te weten een

geldbedrag van circa EURO 350.000,-, de werkelijke aard heeft verhuld

en heeft verborgen wie de rechthebbende op het voorwerp was

door voor te wenden dat dit voorwerp verkregen was door (een

voorschot op)

- een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 27-02-2007 ter grootte

van EURO 35.700,- ex BTW, en

- een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 09-03-2007 ter grootte

van EURO 35.700,- ex BTW, en

- een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 05-07-2007 ter grootte

van EURO 35.700,- ex BTW, en

- een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 05-07-2007 ter grootte

van EURO 35.700,- ex BTW, en

- een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 05-07-2007 ter grootte

van EURO 35.700,- ex BTW, en

- een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 03-09-2007 ter grootte

van EURO 35.700,- ex BTW, en

- een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 11-09-2007 ter grootte

van EURO 35.700,- ex BTW

terwijl in werkelijkheid de op die facturen vermelde werkzaamheden niet

waren verricht of verricht zouden gaan worden en de op die facturen vermelde

afkoopsom niet verschuldigd was,

terwijl [bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 1]) wist dat

bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was uit enig misdrijf

aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte en haar

mededaders (telkens) feitelijk leiding hebben gegeven

3.

Project [project 1]

[bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [bedrijf 1]) op tijdstippen in de periode van 17 oktober 2005 tot en met 17 januari 2006 in Nederland, geschriften, te weten:

-een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 17 oktober 2005 ten bedrage van

EURO 265.000,- ex BTW (B.5.912), en

-een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 17 november 2005 ten bedrage van

EURO 265.000,- ex BTW (B.5.909), en

-een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 17 december 2005 ten bedrage van

EURO 265.000,- ex BTW (B.5.908), en

-een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 17 januari 2006 ten bedrage van

EURO 265.000,- ex BTW (B.5.917)

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft [bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd

[bedrijf 1]) valselijk en in strijd met de waarheid

in die facturen opgenomen dat er door [bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 1]) werkzaamheden zijn verricht (adviezen en projectbegeleiding) ten behoeve van [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) en dat er een afkoopsom diende te worden betaald

terwijl in werkelijkheid de genoemde werkzaamheden niet zijn verricht en

geen afkoopsom verschuldigd was,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te

gebruiken en door anderen te doen gebruiken

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte en haar

mededaders (telkens) feitelijk leiding hebben gegeven

4.

[bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [bedrijf 1]) op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31 januari 2006 in Nederland van een voorwerp, te weten een

geldbedrag van EURO 1.061.274,58 de werkelijke aard verhuld en heeft verborgen wie de rechthebbende op het voorwerp was

door voor te wenden dat dit voorwerp verkregen was op basis van (een voorschot op)

-een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 17 oktober 2005 ten bedrage van

EURO 265.000 ex BTW (B.5.912), en

-een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 17 november 2005 ten bedrage van

EURO 265.000 ex BTW (B.5.909), en

-een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 17 december 2005 ten bedrage van

EURO 265.000 ex BTW (B.5.908), en

-een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 17 januari 2006 ten bedrage van

EURO 265.000 ex BTW (B.5.917)

terwijl in werkelijkheid de op die facturen vermelde werkzaamheden niet

waren verricht en de op die facturen vermelde afkoopsom niet verschuldigd was,

terwijl [bedrijf 1] (vanaf 31-05-2007 genaamd [bedrijf 1]) wist dat

bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was uit enig misdrijf

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte en haar

mededaders (telkens) feitelijk leiding hebben gegeven

5.

Project [project 3]

[bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [bedrijf 1]) in de periode van 1 maart 2007 tot en met 31 juli 2007 te Amsterdam en/of elders in Nederland, een geschrift, te weten

- de factuur 07-009 d.d. 23-07-2007 van [bedrijf 1] aan [naam] ter

grootte van EURO 1.149.500,- ex BTW (B5.041)

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt, immers heeft/hebben [bedrijf 1] valselijk en

in strijd met de waarheid

in die factuur en/of in de begeleidende brief d.d. 23-07-2007 opgenomen dat er door [bedrijf 1] werkzaamheden zijn verricht (adviezen en projectmanagement) ten behoeve van [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) en er tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] (h.o.d.n. [naam]) een afkoopsom voor ontwikkeling en risico is overeengekomen

terwijl in werkelijkheid de genoemde werkzaamheden niet zijn verricht en

geen afkoopsom voor ontwikkeling en risico is overeengekomen,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door anderen te doen gebruiken

aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte en haar

mededaders feitelijk leiding hebben gegeven;

6.

[bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [bedrijf 1]) in de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 juli 2007 te Amsterdam en/of elders in Nederland, van

een voorwerp, te weten een geldbedrag van EURO 1.149.500,- ex BTW,

de werkelijke aard heeft verhuld en heeft verborgen wie de rechthebbende op het

voorwerp was

door voor te wenden dat dit voorwerp verkregen was op basis

van (een voorschot op)

- een factuur van [bedrijf 1] aan [naam] d.d. 23 juli 2007 ten bedrage

van EURO 1.149.500,- ex BTW (B5.041)

terwijl [bedrijf 1] wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf

aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte en haar,

mededaders feitelijke leiding hebben gegeven;

7.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 6 mei 2010 te Nieuw Vennep en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en rechtspersonen, bestaande

uit haar, verdachte, en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [verdachte]

en [bedrijf 2] en [bedrijf 3] h.o.d.n. [naam] en

[bedrijf 1] (tot 31-05-2007 genaamd [bedrijf 1]),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk onder

meer:

-oplichting (art. 326 WvSr)

-valsheid in geschrift (art. 225 WvSr)

-witwassen (art. 420bis WvSr)

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 en 3, telkens: Valsheid in geschrift, terwijl zij en haar mededaders feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd

Feit 5: Valsheid in geschrift, terwijl zij en haar mededaders feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging

Feit 2, 4 en 6, telkens: Witwassen, terwijl zij en haar mededaders feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging

Feit 7: Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben op grond van hetgeen zij bewezen hebben geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat de rol van verdachte zeer passief is geweest. Daarnaast heeft de verdediging verwezen naar het omtrent verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport waaruit onder meer blijkt dat verdachte mede zorg draagt voor haar zieke moeder en broertje. De verdediging meent dat een voorwaardelijke gevangenisstraf vermeerderd met een werkstraf op zijn plaats is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft tezamen met anderen meermalen opdracht en feitelijk leiding gegeven aan valsheid in geschrift en aan het witwassen van de middels de oplichting verkregen gelden. Daarnaast acht de rechtbank verdachte schuldig aan deelname aan een criminele organisatie.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het tezamen met medeverdachten feitelijk leidinggeven aan de rechtspersoon [bedrijf 1] Door deze rechtspersoon werden valse facturen gestuurd voor werkzaamheden die niet zijn verricht en voor het dragen van risico dat feitelijk niet werd gedragen. Mede door de door [bedrijf 1] verzonden en door verdachte ondertekende facturen was het mogelijk om gelden van criminele herkomst wit te wassen en deze gelden door te sluizen naar verdachte en de medeverdachten. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer.

Verdachte heeft ook grote financiële vergoedingen ontvangen voor haar werkzaamheden.

Door de verdediging is betoogd dat de rol van verdachte voornamelijk passief is geweest. Echter door in te stemmen met een directeurschap van [bedrijf 1] en vervolgens valse facturen met begeleidende brieven te ondertekenen heeft verdachte een meer dan passieve rol vervuld.

Ten gunste van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte, in tegenstelling tot haar medeverdachten, tijdens haar verhoren door de VROM IOD (gedeeltelijk) openheid van zaken heeft gegeven. Voorts wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte bij geen van de verboden gedragingen de initiatiefneemster is geweest.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 mei 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbare feit is veroordeeld en op een over haar uitgebracht reclasseringsadvies d.d. 8 juli 2011

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden en gezien hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd, alsmede de persoon van verdachte, de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf lager dient te zijn dan door de officier justitie is gevorderd.

De verdediging heeft betoogd dat een werkstraf aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf meer in de rede ligt. Gelet op de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank een werkstraf niet aan de orde.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 51, 57, 140, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 en 3, telkens: Valsheid in geschrift, terwijl zij en haar mededaders feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd

Feit 5: Valsheid in geschrift, terwijl zij en haar mededaders feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging

Feit 2, 4 en 6, telkens: Witwassen, terwijl zij en haar mededaders feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging

Feit 7: Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

heft op het geschorst bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de dag dat dit vonnis onherroepelijk is geworden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 december 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature