Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Inkomstenbelasting.

Bestelauto is door aard en inrichting uitsluitend geschikt voor goederenvervoer. Navordering wegens privégebruik niet terecht.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 11/00493 en 11/00494

uitspraakdatum: 13 december 2011

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 juni 2011, nummers AWB 10/2684 en 10/2685, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het jaar 2004 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.687 en een belastbaar inkomen uit sparen beleggen van € 2.922, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 84. Bij beschikking is tevens een bedrag van € 75 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Aan belanghebbende is over het jaar 2004 eveneens een navorderingsaanslag premie Ziekenfondswet (hierna: ZFW) opgelegd, berekend naar een premie-inkomen van € 9.254, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 28. Bij beschikking is tevens een bedrag van € 25 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2 Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 29 juni 2010 de navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd. De Inspecteur heeft de boetebeschikkingen vernietigd. Tot deze uitspraken op bezwaar behoort een brief van 14 juni 2010, waarbij aan belanghebbende een vergoeding van kosten gemaakt in de bezwaarfase is toegekend van € 327.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 14 juni 2011, nummers AWB 10/2684 en 10/2685 het beroep gegrond verklaard en bepaald dat aan belanghebbende ter zake van de behandeling van de bezwaren een kostenvergoeding van € 654 verschuldigd was. De Rechtbank heeft de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende zijn gemachtigde, A, alsmede de Inspecteur.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Voor de feiten verwijst het Hof naar de door de Rechtbank vastgestelde feiten. In onderdeel 2 van haar uitspraak heeft de Rechtbank de feiten als volgt vastgesteld (waarbij ‘eiser’ dient te worden gelezen als belanghebbende en ‘verweerder’ als de Inspecteur):

“Eiser is gehuwd met X-Y. Samen hebben zij drie kinderen. Eiser drijft samen met zijn echtgenote een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma met de naam V.o.f. B en de handelsnamen C en D. De activiteiten van de onderneming bestaan uit ontwerpen en interieurbouw (C) en verhuur van studioruimte (D). Tot het ondernemingsvermogen behoren een vrachtauto van het merk Iveco en een bestelauto van het merk Peugeot, type Partner 170c 1,9D, met het kenteken 01-aa-bb (hierna ook genoemd: de auto of de Peugeot Partner). De Peugeot Partner is aangeschaft op 31 oktober 2003. In de cabine bevinden zich twee zitplaatsen. Achter de cabine bevindt zich een laadruimte zonder zitplaatsen. Het linker- en rechterachterraam aan de zijkant van de auto zijn geblindeerd. In de laadruimte bevinden zich geen stellages voor het vervoer van goederen of gereedschap.

Verweerder is met ingang van 16 maart 2004 een boekenonderzoek gestart naar de aanvaarbaarheid van onder meer de aangiften IB/PVV over de jaren 1999 tot en met 2002. Bij brief van 19 maart 2004 heeft verweerder aan de toenmalige gemachtigde van eiser, VOF E, in het kader van dat onderzoek onder meer het volgende geschreven:

“5 Privé gebruik zakelijke auto met grijs kenteken

Met ingang van het jaar 2001 moet de ondernemer d.m.v. en controleerbare kilometerregistratie aantonen dat er met het betreffende voertuig niet privé is gereden.

Normaal gesproken moet er een bijtelling plaats vinden van 25%

Bij voertuigen die naast het vervoer van goederen ook zijn ingericht voor het vervoer van meerdere personen ( 2 of meer ) geldt een bijtelling van 10% van de cataloguswaarde inclusief omzetbelasting.

De volgende correcties dienen dan ook te worden aangebracht:

Correctie in de jaren 2001 en 2002 10% van f 30.0000,- ( c.w incl btw ) = f 3000,- per jaar”.

Bij fax van 8 april 2004 heeft eiser in reactie daarop onder meer het volgende geschreven:

“5. Privé gebruik zakelijke auto met grijs kenteken.

Met de mutsibusi L300 is heel weinig gereden. Het busje was in slechte staat en zeker niet representatief.

Om die reden werd bij klanten bezoek, of ander zakelijke ritten waarbij weinig materiaal vervoerd werd vaak gebruik gemaakt van de privé personen auto. Er is daarom eerder sprake van een zakelijk gebruik privé auto dan andersom. Aan de hand van de verreden km’s met de verschillende voertuigen is dit ook aantoonbaar.(zie bijlage 5.1)

Via garage en nationale autopas hebben wij de km standen kunnen achterhalen.

De correcties staan niet in verhouding tot de totale kosten van de verreden km’s”.

Met dagtekening 1 november 2004 is van dit onderzoek een rapport opgemaakt. In onderdeel 4.2.1 van dit rapport is onder het opschrift Privé-gebruik auto het volgende opgenomen:

“ De auto van de onderneming Mutsibishi L300 wordt niet of nagenoeg niet voor privé-doeleinden gebruikt.

De in privé gehouden auto Volvo 440 is ook zakelijk gebruikt.

De zakelijke kilometers zijn niet aan de hand van een kilometeradministratie bijgehouden.

De zakelijk gereden kilometers met de privé auto vallen weg tegen de privé kilometers gereden met de zakelijk auto.” .

De Mitsubihi L300 is ingeruild bij de aanschaf van de Peugeot Partner.

Eiser heeft voor het betrokken jaar aangifte IB/PVV gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.427 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.922. Verweerder heeft de aanslag overeenkomstig de aangifte opgelegd. Verweerder heeft op basis van die aangifte een aanslag ZFW opgelegd berekend naar een inkomen voor de ZFW van € 7.813.

Verweerder is met ingang van 26 januari 2009 een boekenonderzoek gestart naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV over de jaren jaar 2004 tot en met 2007. Met dagtekening 18 november 2009 is daarvan een rapport opgemaakt. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“2.5 Verzorging jaarstukken en aangifte

De adviseur verzorgt de jaarstukken en de aangiften inkomstenbelasting en loonheffing.

Belastingplichtige verzorgt de aangiften omzetbelasting. (…)

4.1.2 Privé-gebruik auto

De Peugeot Partner, die men voor de onderneming gebruikt, is voorzien van een duopassagierstoel Aangezien men nog in het bezit is van een privé-auto, heeft men geen correctie voor privé-gebruik auto gemaakt.

(…)

Voor deze auto werd geen kilometeradministratie bijgehouden. Ook is niet anderszins aangetoond dat er geen privé-gebruik plaatsvond.

Voor deze auto is derhalve ten onrechte geen correctie voor het privé-gebruik gemaakt.

Ik bereken de volgende correctie:

De catalogusprijs van de auto bedraagt € 13.107 inclusief omzetbelasting.

Meer winst voor 2004 t/m 2007 jaarlijks € 13.107 x 22% = € 2.883

(...)

8.3 Vergrijpboete inkomstenbelasting

De regeling privé-gebruik auto is zo algemeen bekend. Het moet voor belastingplichtige duidelijk zijn geweest dat er een correctie gemaakt moest worden. Dit is de belastingplichtige aan te rekenen. Er is sprake van grove schuld.

Naast de navorderingsaanslagen zullen daarom vergrijpboeten worden opgelegd ingevolge art. 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Deze vergrijpboeten zullen met toepassing van de paragrafen 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 worden vastgesteld op 25% van de na te vorderen belasting”.

Naar aanleiding van de uitkomsten van dat boekenonderzoek heeft verweerder de onder 1. genoemde navorderingsaanslagen opgelegd. De navorderingsaanslag IB/PVV is berekend naar een belastbare inkomen uit werk en woning van € 7.687 (€ 6.246 verhoogd met € 1.441 (50% x € 2.883) ter zake van privégebruik auto). Ook de belastbare inkomens uit werk en woning voor de jaren 2004 tot en met 2007 zijn bij wege van navordering met een bedrag van € 1.441 verhoogd. In verband daarmee zijn vergrijpboeten opgelegd van 25% van de nagevorderde belasting. Ook het belastbare inkomen uit werk en woning van de echtgenote van eiser is voor de jaren 2004 tot en met 2007 ter zake van het privégebruik auto verhoogd met een bedrag van € 1.441. Voor de ZFW zijn dienovereenkomstig navorderingsaanslagen opgelegd. Daarbij is het vastgestelde premie-inkomen eveneens verhoogd met € 1.441.

De bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZFW zijn door verweerder bij uitspraken op bezwaar van 29 juni 2010 afgewezen. De boeten zijn daarbij vernietigd. Bij beschikking van 14 juni 2010 is aan eiser voor de behandeling van het bezwaar IB/PVV een kostenvergoeding toegekend van € 327. Dat bedrag is door verweerder als volgt berekend:

Indienen van bezwaar € 218,00

Verschijnen op hoorzitting +€ 218,00

€ 436,00

Wegingsfactor van dit bezwaar (licht): x 0,5

€ 218,00

Vermenigvuldigingsfactor vanwege 4 of meer samenhangende zaken: x 1,5

€ 327,00

De samenhangende zaken betreffen de bezwaren tegen de aan eiser opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2005 tot en met 2007.”

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente terecht heeft opgelegd. Verder is in geschil of de Rechtbank de vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep tot een juist bedrag heeft vastgesteld.

3.2 Belanghebbende heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat de Inspecteur niet beschikte over een navordering rechtvaardigend nieuw feit, dat de Peugeot Partner (hierna: de Peugeot) (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer, dan wel dat de Inspecteur op grond van het vertrouwensbeginsel gehouden was de bijtelling van de Peugeot weg te laten vallen tegen de niet ten laste van de winst gebrachte privé-kilometers gereden met de Volvo. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente.

3.3 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Het Hof zal allereerst de vraag beantwoorden of op grond van artikel 3.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) een onttrekking in aanmerking dient te worden genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de Peugeot aan belanghebbende ook voor privé-doeleinden ter beschikking staat en dat belanghebbende niet kan doen blijken dat de Peugeot op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de Peugeot een bestelauto is in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto ’s en motorrijwielen 1992. In geschil is de vraag of de Peugeot door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen.

4.2 Volgens vaste jurisprudentie hoeft de aanwezigheid van een bijrijderstoel er niet aan in de weg te staan dat de bestelauto door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen (vergelijk HR 29 mei 2009, nr. 43.602, BNB 2009/217, LJN BB3475 en HR 18 september 2009, nr. 08/00707, BNB 2009/282, LJN BJ7918). Belanghebbende heeft in dit verband aangevoerd dat de aard van de goederen die doorgaans worden vervoerd (onder andere bouwhout) en de aard van de werkzaamheden die bestuurder en bijrijder verrichten maken dat de laadruimte en stoelen voor bestuurder en bijrijder vies en stoffig zijn. Het Hof acht dit aannemelijk. Hetgeen de Inspecteur hiertegen heeft ingebracht - te weten dat de auto eigendom van belanghebbende zelf is en het om die reden waarschijnlijk is dat deze de Peugeot ieder weekend reinigt - is onvoldoende om het Hof tot een ander oordeel te brengen. Verder heeft belanghebbende onweersproken gesteld dat de tweede stoel aanwezig is omdat vaak de aanwezigheid van een bijrijder noodzakelijk is, onder andere in verband met de noodzaak om te helpen bij het laden en lossen van goederen. Het Hof constateert verder dat op grond van artikel 58a juncto artikel 61b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, vervoer van personen in de laadruimte niet is toegestaan. Op grond van het bovenstaande is het Hof van oordeel dat de Peugeot door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. Dit brengt mee dat de navorderingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, zodat de geschilpunten met betrekking tot het navordering rechtvaardigend nieuw feit en het vertrouwensbeginsel verder onbesproken kunnen blijven.

4.3 Belanghebbende heeft verzocht om integrale proceskostenvergoeding ter zake van de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep. Zulks is slechts mogelijk indien sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht . Naar het oordeel van het Hof is van dergelijke bijzondere omstandigheden geen sprake. Niet gezegd kan worden dat de Inspecteur een besluit heeft genomen of gehandhaafd terwijl duidelijk is dat dit besluit geen stand zal houden of dat anderszins sprake is van verregaand onzorgvuldig handelen.

4.4 Ten slotte heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding heeft gegeven ter zake van de conclusie van repliek die belanghebbende bij de Rechtbank heeft ingediend. Op grond van artikel 8:43 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te repliceren. Naar het oordeel van het Hof ligt in het indienen van een conclusie van repliek besloten het verzoek om in de gelegenheid te worden gesteld te repliceren. Uit de stukken van het geding niet blijkt dat de Rechtbank op dit verzoek heeft beslist. Nu het Hof geen redenen ziet om het verzoek af te wijzen, zal het Hof alsnog de kosten ter zake van het repliceren in de beroepsfase in aanmerking nemen.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep en het repliceren in beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.092,50 (0,5 punt voor de conclusie van repliek in beroep, 1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting maal € 437, met wegingsfactor 1).

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.092,50, en

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van € 112.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 14 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 december 2011

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature