Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Rangorde boedelschulden in faillissement. Executoriale beslaglegging op de boedelrekening van een curator is op zichzelf mogelijk, maar niet in geval van een "negatieve boedel", zoals hier het geval is. Alsdan moet de boedelcrediteur wachten met uitwinning totdat de verdeling van het boedelactief is bepaald. Het kan niet zo zijn dat een individuele boedelschuldeiser door beslaglegging de aan de curator opgedragen taken, ter bescherming van alle schuldeisers, kan frustreren. Bovendien is de gestelde voorrang niet evident. Slotsom is dat de executant geen (voldoende) in redelijkheid te respecteren belang heeft bij verdere executie, zodat het beslag moet worden opgeheven.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 408564/ KG ZA 11-1429

Vonnis in kort geding van 15 december 2011

in de zaak van

Mr. Sander-Jan Berend DRIJBER,

handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van E & M Systems B.V.,

kantoorhoudende te Velp (Gelderland),

eiser,

advocaat mr. H.J. Ligtenbarg te Velp (Gelderland),

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.A.M. Reuser te Pijnacker.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als 'de curator' en '[gedaagde]'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 december 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 29 september 2004 is E & M Systems B.V. (hierna 'E&M') in staat van faillissement verklaard. Mr. S-J.B Drijber is aangesteld als curator. [Gedaagde] was statutair bestuurder van E&M.

1.2. De curator heeft [gedaagde] in rechte betrokken wegens (vermeende) bestuurdersaansprakelijkheid uit hoofde van artikel 2:248 van het Burgerlijk Wetboek ('BW'), dan wel artikel 2:9 BW. Bij onherroepelijk vonnis van 25 mei 2011 heeft deze rechtbank de daarop gebaseerde vorderingen van de curator afgewezen, met veroordeling van de curator in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] zijn begroot op € 1.188,-- aan griffierecht en € 5.160,-- aan salaris advocaat.

1.3. Nadat [gedaagde] de curator had verzocht om over te gaan tot voldoening aan de proceskostenveroordeling, heeft de curator hem bericht dat de vordering van [gedaagde] wordt erkend als concurrente boedelvordering en dat hij eerst bij de afwikkeling van het faillissement mogelijkerwijs tot een uitkering zal overgaan.

1.4. Op 23 september 2011 heeft [gedaagde] het vonnis van 25 mei 2011 laten betekenen aan de curator, met bevel om daaraan binnen de in het betekeningsexploot gestelde termijn te voldoen.

1.5. Nadat de curator daaraan geen gevolg had gegeven, heeft [gedaagde] op 10 november 2011 executoriaal beslag laten leggen op de door de curator bij SNS Bank N.V. aangehouden boedelrekening ten behoeve van het faillissement van E&M.

1.6. Op 21 november 2011 bevatte de boedelrekening een positief saldo van

€ 27.886,54.

1.7. Blijkens het 19e crediteurenoverzicht van de curator zijn een drietal boedelvorderingen ingediend in het faillissement van E&M, te weten:

a. een vordering van het UWV wegens overgenomen loonverplichtingen ad € 27.737,35;

b. de vordering van [gedaagde] uit hoofde van de proceskostenveroordeling in het vonnis van 25 mei 2011 van in totaal

€ 6.348,--;

c. een vordering van Yokogawa Nederland B.V. van € 20.948,99.

2. Het geschil

2.1. Zakelijk weergegeven vordert de curator:

I. opheffing van alle door [gedaagde] ten laste van de curator gelegde beslagen;

II. [gedaagde] - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te verbieden de executie van het vonnis van 25 mei 2011 voort te zetten, dan wel opnieuw ter hand te nemen;

III. [gedaagde] te veroordelen in de beslag- en de proceskosten.

2.2. Naast de hiervoor vermelde feiten voert de curator daartoe - samengevat - het volgende aan.

Niet te verwachten valt dat het saldo op de boedelrekening ad € 27.886,54 nog zal oplopen, aangezien alle activa inmiddels te gelde zijn gemaakt en de tegen [gedaagde] ingestelde vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid is afgewezen. Dat bedrag zal onvoldoende zijn om alle boedelvorderingen - waarvan het totaal nog niet kan worden vastgesteld omdat het salaris van de curator nog moet worden bepaald - te kunnen voldoen. De curator zal het uiteindelijke saldo moeten verdelen onder de boedelcrediteuren overeenkomstig de aan iedere vordering toekomende rang. In verband hiermee zal op het boedelactief allereerst in mindering strekken het - nog vast te stellen - salaris van de curator. Het resterende actief heeft te gelden als de netto-opbrengst in de zin van artikel 3:277 BW , waaruit de overige boedelschuldeisers moeten worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang. Aangezien de vordering van het UWV is bevoorrecht, zal de door hem ingediende vordering ad

€ 27.737,35 als eerste - zo mogelijk volledig en anders voor een zo groot mogelijk deel - moeten worden voldaan. Alsdan resteert niets meer voor de concurrente boedelcrediteuren [gedaagde] en Yokogawa Nederland B.V. Door middel van de executoriale beslaglegging beoogt [gedaagde] de rangorde van boedelcrediteuren te doorbreken, waardoor hij in een betere positie zou geraken dan hem rechtens toekomt. [gedaagde] stelt zich ten onrechte op het standpunt dat zijn vordering - qua rangorde - prevaleert boven die van het UWV. Beslaglegging is echter niet het juiste middel om de door [gedaagde] voorgestane rangorde van boedelcrediteuren af te dwingen. Daarvoor staan hem andere wegen ter beschikking. Zo kan hij in een bodemprocedure een daarop gerichte verklaring voor recht vorderen. Nu - naar alle waarschijnlijkheid - het faillissement van E&M zal worden opgeheven wegens gebrek aan baten is de meest geëigende weg die van artikel 18 van de Faillissementswet ('Fw'). Bovendien rust op de curator niet de plicht om de vordering van [gedaagde] zo spoedig mogelijk (lees: per omgaande) te voldoen, zonder de afwikkeling van de boedel af te wachten en met voorbijgaan aan de aanspraken van de andere boedelschuldeisers. Die gehoudenheid bestaat slechts in een enkel - hier niet aan de orde zijnde - geval. Het spoedeisende belang van de vorderingen is gelegen in de omstandigheid dat SNS Bank N.V. inmiddels een verklaring derdenbeslag heeft afgelegd en op het punt staat tot uitkering aan [gedaagde] over te gaan. Voorts moet de curator weer kunnen beschikken over de boedelrekening, teneinde het faillissement van E&M verder te kunnen afwikkelen.

2.3. [gedaagde] heeft de vorderingen van de curator gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Vooropgesteld wordt dat in een executiegeschil - zoals hier aan de orde - de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een (onherroepelijk) vonnis kan verbieden, indien hij vooralsnog van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen van de geëxecuteerde - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan.

3.2. Uit het door [gedaagde] gevoerde verweer leidt de voorzieningenrechter af dat hij ([gedaagde]) is overgegaan tot executoriale beslaglegging omdat hij van mening is dat de proceskosten waartoe de curator jegens hem is veroordeeld in het vonnis van 25 mei 2011 moeten worden aangemerkt als executie- c.q. vereffeningskosten en derhalve - evenals het salaris van de curator - in mindering moeten worden gebracht op het boedelactief, voordat wordt overgegaan tot de voldoening van de andere boedelcrediteuren, waaronder het UWV. De curator bestrijdt dat standpunt gemotiveerd.

3.3. Op zichzelf staat het een boedelschuldeiser vrij om zijn vordering zelfstandig op de boedel te verhalen en met het oog daarop over te gaan tot executie door middel van beslaglegging (zie onder meer Wessels, Insolventierecht, deel VII, Vereffening van de boedel, derde druk, pagina 49 en volgende). In het onderhavige geval moet - als niet betwist - worden aangenomen dat de boedelschulden de baten overtreffen, zodat sprake is van een 'negatieve boedel'. Alsdan moeten de schulden in beginsel worden voldaan naar evenredigheid van de omvang van elke schuld, behoudens de daarvoor geldende wettelijke redenen van voorrang (HR 28-9-1990, NJ 1991, 305). In een dergelijke situatie geldt als uitgangspunt dat de (boedel)crediteuren moeten wachten totdat de verdeling van het boedelactief is bepaald. Zover is het thans niet, mede omdat het salaris van de curator nog niet is vastgelegd.

3.4. Daar komt bij dat - zoals hiervoor onder 3.2. al min of meer aangegeven - [gedaagde] slechts is overgegaan tot beslaglegging om de door de curator voorgestane rangorde voor wat betreft de boedelschulden te doorkruisen. Daarvoor kan beslaglegging niet worden ge- c.q. misbruikt. Het kan immers niet zo zijn dat een individuele schuldeiser door beslaglegging de aan een curator opgedragen taken, ter bescherming van de belangen van alle schuldeisers, kan frustreren. Immers, verdere uitwinning van de vordering door middel van het executoriale beslag zou ertoe kunnen leiden dat de betreffende boedelcrediteur onterecht volledig wordt voldaan en de curator wordt geconfronteerd met een onomkeerbare situatie. Het voorgaande klemt te meer nu - gelet op de gemotiveerde betwisting van de curator - de door [gedaagde] gepretendeerde voorrang van zijn vordering boven die van het UWV allesbehalve evident is. Mede gelet op het beperkte karakter van een kort geding, is een bodemprocedure de meest geëigende weg om daarover duidelijkheid te verkrijgen.

3.5. Voor zover [gedaagde] met zijn verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad inzake Ontvanger/Hamm van 5 september 1997 (NJ 1998, 437) heeft willen aanvoeren dat hij op grond van specifieke omstandigheden aanspraak kan maken op onmiddellijke voldoening van zijn vordering, althans voldoening vóór de afwikkeling van het faillissement van E&M - waartoe voortzetting van de executie van het vonnis van 25 mei 2011 zou (kunnen) leiden - kan de voorzieningenrechter hem niet volgen. Uit dat arrest volgt slechts dat een daartoe strekkende verplichting van de curator bestaat indien als gevolg van een onmiskenbare vergissing onverschuldigd is betaald door de schuldeiser. Een dergelijke, dan wel daarmee vergelijkbare situatie doet zich hier niet voor.

3.6. Op grond van het bovenstaande moet - vooralsnog - worden aangenomen dat [gedaagde] geen (voldoende) in redelijkheid te respecteren belang heeft om gebruik te maken van het onherroepelijke vonnis van 25 mei 2011. Binnen het stelsel van de Fw moet het belang van [gedaagde] bij onverwijlde executie van dat vonnis wijken voor het hogere belang van de curator bij een ongestoorde en juiste afwikkeling van het faillissement van E&M.

3.7. De vorderingen van de curator zullen dan ook worden toegewezen op de hieronder in het dictum vermelde wijze. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing betreffende de (eventuele) verdere executie van het vonnis van 25 mei 2011, is aangewezen. Die dwangsom zal - in afwijking van hetgeen de curator vordert - worden vastgesteld op € 10.000,--. Voorts zal worden bepaald dat de dwangsom vatbaar is voor (verdere) matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan het onderhavige vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

3.8. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde beslagkosten worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat de curator beslag heeft laten leggen.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- heft op het op 10 november 2011 ten verzoeke van [gedaagde] gelegde executoriale beslag op de door de curator bij SNS Bank N.V. aangehouden boedelrekening ten behoeve van het faillissement van E&M;

- verbiedt [gedaagde] - op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- - de executie van het vonnis van 25 mei 2011 voort te zetten en opnieuw ter hand te nemen, anders dan door zijn vordering in te dienen bij de curator, zolang sprake is van een negatieve boedel en het faillissement van E&M niet is afgewikkeld;

- bepaalt dat voormelde dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.7 vermeld;

- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de curator begroot op € 1.466,81, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 560,-- aan griffierecht en € 90,81 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2011.

jvl


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature