Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Intrekking bijstand. Terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. De feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, gaat hetgeen in een zakelijke kostgangersrelatie gebruikelijk is te boven en wijst uit dat betrokkenen ten tijde van belang er blijk van gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Het College heeft terecht vastgesteld dat betrokkenen ten tijde van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is er geen grond voor het oordeel dat de vordering van het College deels is verjaard. Het College heeft serieus beoordeeld of er aanleiding is geheel of gedeeltelijk van terugvordering en medeterugvordering af te zien. Geen sprake van een dringende reden. Vernietiging aangevallen uitspraak. Beroepen ongegrond.

Uitspraak



09/6774 WWB

09/6791 WWB

10/5 WWB

10/7 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene 1] en [Betrokkene 2], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene 1 en 2),

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (hierna: College),

tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 24 november 2009, 09/801 en 09/800 (hierna: aangevallen uitspraak 1 en 2),

in de gedingen tussen:

betrokkene 1 en 2

en

het College

Datum uitspraak: 13 december 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkenen heeft mr. A.J.D.D. Burhenne, advocaat te Weert, hoger beroepen ingesteld. Het College heeft in beide zaken eveneens hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2011. Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door mr. R. Bouts, kantoorgenoot van mr. Burhenne. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Paulissen, werkzaam bij de gemeente Weert.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene 1 ontving vanaf 1 december 1982 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op het uitkeringsadres van betrokkene 1, aanvankelijk [adres 1] te [gemeente] en vanaf 1 april 2000 [adres 2] te [gemeente], woonde vanaf 1 mei 1990 ook betrokkene 2. Betrokkene 2 stond bij het College als kostganger bekend.

1.2. Naar aanleiding van een door betrokkene 2 op 3 juni 2008 ingediende aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en in het bijzonder de daarbij gevoegde rekeningafschriften van een op naam van betrokkenen staande en/of-rekening, heeft de Sociale Recherche van de gemeente Weert een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene 1 verleende bijstand. In dat kader is onder andere dossieronderzoek verricht, is Woningstichting St. Joseph om inlichtingen verzocht en zijn betrokkenen verhoord.

1.3. In de bevindingen van dit onderzoek, die zijn neergelegd in het rapport van 18 juli 2008, heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van 22 juli 2008 de bijstand van betrokkene 1 met ingang van 1 januari 1998 in te trekken en de over de periode van 1 januari 1998 tot 1 juni 2008 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 106.687,49 van betrokkene 1 terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit van 22 juli 2008 heeft het College dit bedrag mede van betrokkene 2 teruggevorderd. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat betrokkenen in deze periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en daarvan geen mededeling aan het College hebben gedaan.

1.4. Bij besluiten van respectievelijk 20 april 2009 en 7 mei 2009 heeft het College het bezwaar van betrokkene 1 en het bezwaar van betrokkene 2 tegen de besluiten van 22 juli 2008 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank, met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht, het beroep van betrokkene 1 gegrond verklaard, het besluit van 20 april 2009 vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering en het College opgedragen om in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Niet betwist is dat betrokkenen in de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Uit het onderzoek van de Sociale Recherche heeft het College terecht de conclusie getrokken dat de relatie een kostgangersrelatie te boven gaat en er sprake is van wederzijdse zorg. Dit brengt mee dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Betrokkenen hebben de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door geen mededeling aan het College te doen van de en/of-rekening, de inboedelverzekering op naam van betrokkene 2 voor de woning van betrokkene 1 en het medehuurderschap van betrokkene 2 sinds 18 april 2008. Het College was dan ook ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van betrokkene 1 in te trekken en heeft op goede gronden van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Het College was ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tevens bevoegd tot terugvordering. Het jaar in jaar uit niet verhogen van het kostgeld, waarvan het College op de hoogte was, levert zodanige informatie op dat het College, in ieder geval bij de invoering van de euro, duidelijk had kunnen en moeten zijn dat aan betrokkene 1 onverschuldigd bijstand was verleend op basis waarvan een besluit tot terugvordering in de rede lag. Nu dit niet is gebeurd en er ook geen stuitingshandelingen zijn verricht, was het College, gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op het moment van het primaire besluit van 22 juli 2008 nog slechts bevoegd tot terugvordering over de periode vanaf 22 juli 2003. Nu mede door het late ingrijpen van het College de schuld is opgelopen tot een aanzienlijk bedrag, betrokkene 1 niet te kwader trouw informatie heeft achtergehouden en zij zich ter zake beroept op het vertrouwensbeginsel, had het College, gelet ook op de financiële positie van betrokkene 1, serieus moeten bezien of er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien dan wel of er aanleiding is om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van zijn beleid af te wijken.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht, het beroep van betrokkene 2 gegrond verklaard en het besluit van 7 mei 2009 vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak 1, overwogen dat, nu niet is komen vast te staan dat het College in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot terugvordering van de bijstand van betrokkene 1, evenmin is komen vast te staan dat het College ten aanzien van betrokkene 2 in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot medeterugvordering als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de WWB .

3.1 Betrokkene 1 heeft zich tegen de aangevallen uitspraak 1 gekeerd en, samengevat, het volgende aangevoerd. Er was geen sprake van een gezamenlijke huishouding, omdat betrokkene 2 slechts kostganger was en wederzijdse zorg ontbrak. Betrokkene 1 heeft de wettelijke inlichtingenverplichting niet geschonden, omdat er geen gezamenlijke huishouding was en de situatie van het kostwinnerschap is ontstaan op initiatief en met medeweten van de ambtenaar van de toenmalige gemeente Stramproy, dhr. [B.] (hierna: [B.]). Omdat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en er geen gezamenlijke huishouding was, is het College niet bevoegd tot intrekking en terugvordering. Voor zover het College wel bevoegd zou zijn tot terugvordering, heeft betrokkene 1, onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen, aangevoerd dat de vordering gedeeltelijk is verjaard en het College geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

3.2. Betrokkene 2 heeft zich tegen de aangevallen uitspraak 2 gekeerd en, onder verwijzing naar het hoger beroep van betrokkene 1, aangevoerd dat het College niet bevoegd is tot medeterugvordering, en subsidiair, dat de vordering gedeeltelijk is verjaard en het College geheel of gedeeltelijk van medeterugvordering had moeten afzien.

3.3. Het College heeft zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd, voor zover die zien op de gebruikmaking door het College van de bevoegdheid tot terugvordering en medeterugvordering. Het College heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Pas na afronding van het onderzoek door de Sociale Recherche is komen vast te staan dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden door hiervan geen mededeling aan het College te doen. Dit brengt mee dat van verjaring als bedoeld in artikel 3:309 van het BW geen sprake kan zijn en dat het College evenmin kan worden verweten dat door toedoen van het College de vordering is opgelopen. Voorts is in de besluiten van 20 april 2009 en 7 mei 2009 duidelijk gemotiveerd waarom er geen reden is om geheel of gedeeltelijk van terugvordering en medeterugvordering af te zien dan wel van het beleid af te wijken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkenen in de hier te beoordelen periode - de periode van 1 januari 1998 tot en met 22 juli 2008 - hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Wel is in geschil of er in die periode tevens sprake is geweest van wederzijdse zorg. De Raad stelt vast dat uit de verklaringen die betrokkenen op 9 juni 2008 ten overstaan van de Sociale Recherche hebben afgelegd, blijkt dat betrokkene 1 de vaste lasten betaalt, betrokkene 2 de boodschappen doet en betrokkene 1 de boodschappen betaalt, betrokkene 1 voor beiden wast, poetst en eten kookt, betrokkene 2 ook wel eens kookt, betrokkenen gezamenlijk eten, betrokkene 2 vanaf haar intrek bij betrokkene 1 fl. 400,-- per maand (later € 181,51) aan betrokkene 1 heeft betaald en dit bedrag nooit is verhoogd, betrokkene 1 wekelijks gebruik maakt van de auto van betrokkene 2 en daarvoor niets hoeft te betalen. Verder is uit het onderzoek van de Sociale Recherche gebleken dat betrokkenen steeds over een gezamenlijke bankrekening hebben beschikt, de inboedelverzekering voor de woning op het adres [adres 1] op naam van betrokkene 2 stond en door haar werd betaald en het huurcontract voor de woning op het adres [adres 2] sinds 1 mei 2008 op naam van beiden is gezet. De Raad is, anders dan betrokkenen, van oordeel dat voormelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, hetgeen in een zakelijke kostgangersrelatie gebruikelijk is te boven gaan en uitwijzen dat betrokkenen ten tijde van belang er blijk van gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De Raad wijst er daarbij op dat betrokkenen desgevraagd ter zitting hebben verklaard dat hetgeen zij op 9 juni 2008 hebben verklaard over hun wijze van huishouding, geldt voor de gehele periode hier van belang. Dat de gezamenlijke rekening alleen bij betrokkene 2 in gebruik is en betrokkene 1 alleen in gevallen van nood van die rekening gebruik zal maken, zoals betrokkenen hebben aangevoerd, doet er niet aan af dat deze rekening wijst op een financiële verstrengeling. Daarbij is van belang dat bij de bank geen voorbehoud is gemaakt ten aanzien van het gebruik van de rekening door betrokkene 1. De stelling van betrokkenen dat zij niet inzien waarom de inboedelverzekering voor de woning op het adres [adres 1] niet op naam van betrokkene 2 mocht staan, treft evenmin doel. Betrokkene 1 heeft verklaard dat zij aanvankelijk beiden een verzekering hadden, zij haar verzekering toen heeft beëindigd en betrokkene 2 de premie betaalt. Dit wijst niet op een zakelijke kostgangersrelatie, maar op wederzijdse zorg tussen betrokkenen. Hetzelfde geldt voor de inschrijving van betrokkene 2 als medehuurder op het adres [adres 2]. De stelling van betrokkenen dat deze inschrijving is geschied in de onjuiste veronderstelling dat betrokkene 2 als kostganger geen volledig AOW-pensioen zou kunnen krijgen en die inschrijving nadien teniet is gedaan, leidt niet tot een ander oordeel. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het College terecht heeft vastgesteld dat betrokkenen ten tijde van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.3. Nu betrokkene 1 aan het College geen mededeling heeft gedaan van de onder 4.2 beschreven gezamenlijke (huishoudelijke) activiteiten en wederzijds verrichte diensten, de gezamenlijke bankrekening, de inboedelverzekering op naam en rekening van betrokkene 2 en het medehuurderschap van betrokkene 2, is de Raad met de rechtbank en het College van oordeel dat betrokkene 1 de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. De enkele stelling van betrokkenen dat de gemeente Weert, en voorheen de gemeente Stramproy, van meet af aan op de hoogte zijn geweest van het feit dat betrokkene 2 bij betrokkene 1 als kostganger inwoont en dat [B.] in 1990 nota bene zelf met het voorstel omtrent het kostgangerschap is gekomen, kan hier niet aan afdoen. Immers wat daarvan zij, dit betekent niet dat [B.] of de gemeenten er aldus noodzakelijkerwijs van op de hoogte waren dat betrokkenen feitelijk een gezamenlijke huishouding voerden of zijn gaan voeren.

4.4. Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, brengt mee dat de stelling van betrokkenen dat het College niet bevoegd was tot intrekking, terugvordering en medeterugvordering geen doel treft.

4.5. De Raad ziet met het College, en anders dan de rechtbank en betrokkenen, geen grond voor het oordeel dat de vordering van het College deels is verjaard. Ingevolge artikel 3:309 van het BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand aan op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op grond waarvan voldoende duidelijk is dat ten onrechte bijstand is verleend en een besluit inzake terugvordering in de rede ligt. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het enkele feit dat het kostgeld, dat betrokkene 2 jarenlang aan betrokkene 1 heeft betaald en waarvan steeds opgave is gedaan, nimmer is verhoogd, niet de conclusie rechtvaardigt dat voldoende duidelijk was dat een besluit inzake terugvordering in de rede lag. De Raad is met het College van oordeel dat pas na afronding van het onderzoek door de Sociale Recherche is komen vast te staan dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat zij de wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden door hiervan geen mededeling aan het College te doen.

4.6. De Raad kan de rechtbank voorts niet volgen in haar oordeel dat het College niet serieus heeft beoordeeld of er aanleiding is geheel of gedeeltelijk van terugvordering en medeterugvordering af te zien. Uit de besluiten van 20 april 2009 en 7 mei 2009 blijkt dat die beoordeling wel heeft plaatsgevonden. Het College voert het beleid dat bij schending van de inlichtingenverplichting in beginsel steeds wordt teruggevorderd, tenzij sprake is van een kruimelbedrag of van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het College heeft zich met recht op het standpunt kunnen stellen dat zodanige dringende redenen hier niet aanwezig zijn. Het oordeel van de rechtbank dat de hoge terugvordering te wijten is aan het late ingrijpen van het College, kan de Raad niet onderschrijven. Het College wist immers pas na afronding van het onderzoek door de Sociale Recherche dat de bijstand ten onrechte was verleend, waarna hij vrijwel direct tot besluitvorming is overgegaan. Dat betrokkene 1 niet te kwader trouw informatie heeft achtergehouden en zich beroept op het vertrouwensbeginsel, kan, gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, niet afdoen aan de schending van de inlichtingenverplichting en is geen reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Hetzelfde geldt voor de financiële situatie van betrokkene 1. De Raad wijst er in dit verband op dat uit artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig geschiedt dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d Rv . Hetgeen betrokkenen hebben aangevoerd, leidt voorts niet tot het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van zijn beleid had moeten afwijken.

4.7. Het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van betrokkenen niet slaagt. Het hoger beroep van het College slaagt wel, zodat de aangevallen uitspraken voor vernietiging in aanmerking komen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de besluiten van 20 april 2009 en 7 mei 2009 ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 20 april 2009 en 7 mei 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.J.M. Heijs en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature