Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Terecht ontslag op staande voet wegens opzettelijk onjuist invullen van tijdregistratieformulieren. Deelvonnis: niet tijdig (incidenteel) appel tegen afwijzing reconventionele vorderingen.

Uitspraak



zaaknummer 200.076.263/01

11 oktober 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANTE ],

wonend te [ H ], gemeente [ H ],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. Raaijmakers te Hoofddorp,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALPHA FLIGHT SERVICES B.V.,

gevestigd te Boesingheliede, gemeente Haarlemmermeer,

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.B.M. van Poorten te Haarlem.

Partijen worden hierna [ Appellante ] en Alpha genoemd.

1. Het verloop van het geding in hoger beroep

[ Appellante ] is bij exploot van 2 september 2010 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 15 juli 2010 van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Haarlem (verder: de kantonrechter), onder zaak- en rolnummer 434841/CV EXPL 09-8702 in conventie gewezen tussen haar als eiseres en Alpha als gedaagde.

[ Appellante ] heeft bij memorie tegen voormeld vonnis en het (tussen)vonnis van 13 januari 2010 zes grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar vordering alsnog zal toewijzen, met verwijzing van Alpha in de kosten van het geding in beide instanties.

Alpha heeft bij memorie de grieven bestreden, harerzijds in incidenteel hoger beroep vier grieven aangevoerd (twee tegen voormelde in conventie gewezen vonnissen en twee tegen voormelde vonnissen, voor zover in reconventie gewezen tussen haar als eiseres en [ Appellante ] als verweerster), een productie overgelegd en geconcludeerd, naar het hof begrijpt, dat het hof het principaal hoger beroep zal verwerpen en de bestreden in conventie gewezen vonnissen – onder verbetering van gronden – zal bekrachtigen, alsmede, in het incidenteel hoger beroep, de bestreden in reconventie gewezen vonnissen zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met verwijzing van [ Appellante ] in de kosten van – begrijpt het hof – de eerste aanleg in reconventie, het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [ Appellante ] de grieven van Alpha bestreden, wederom bewijs aangeboden en geconcludeerd, zakelijk, tot verwerping van het incidenteel hoger beroep en verwijzing van Alpha in de kosten daarvan.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. De feiten en de behandeling van grief I in het principaal hoger beroep

De kantonrechter heeft in het vonnis van 13 januari 2010 onder het kopje “De feiten in conventie en in reconventie” een aantal feiten, genummerd 1 tot en met 9, als tussen partijen vaststaand opgesomd. Tegen de vaststelling onder 5 maakt [ Appellante ] met grief I in het principaal hoger beroep in zoverre bezwaar dat de kantonrechter volgens haar heeft miskend dat bij “de uitgang bij de afwas” geen videocamera was geplaatst. In verband hiermee zal het hof dit niet als vaststaand aanmerken. Overigens ligt in de stellingen van Alpha besloten dat volgens haar op deze uitgang wel een (elders geplaatste) camera was gericht. Voor het overige zijn de vastgestelde feiten niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

3. De (verdere) beoordeling in hoger beroep

3.1. In deze zaak gaat het om het volgende.

(a) Alpha exploiteert een cateringbedrijf dat diensten verleent aan luchtvaartmaatschappijen op Schiphol en onder meer maaltijden verzorgt voor vliegtuigpassagiers.

(b) [ Appellante ] is op 11 januari 1993 in dienst getreden van (thans) Alpha. Laatstelijk was zij werkzaam in de functie van procescoördinator op de afdeling Bond Stores, tegen een salaris van bruto € 2.324,35 per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

(c) Iedere medewerker van Alpha, dus destijds ook [ Appellante ], heeft een eigen persoonsgebonden toegangspasje, dat toegang geeft tot het bedrijfsterrein van Alpha via elektronisch afgesloten deuren. Het toegangspasje wordt daarnaast gebruikt om in- en uit te klokken en de aan- en afwezigheid van de betrokken werknemer te registreren. Op basis van dit tijdregistratiesysteem wordt het salaris van de betrokken werknemer uitgerekend. Overuren worden, afhankelijk van het tijdstip waarop deze worden gemaakt, tegen 125%, 150% of 200% uitbetaald.

(d) Bij Alpha zijn de procescoördinatoren verantwoordelijk voor het coördineren van de door hun medewerkers uit te voeren werkzaamheden. Een procescoördinator ontvangt twee keer per week, op maandag en donderdag, van de afdeling Human Resources de in- en uitkloktijden en het rooster van hemzelf en van zijn medewerkers over de daaraan voorafgaande dagen. De proces-coördinator is bevoegd deze formulieren te controleren en zo nodig handmatig te corrigeren. Op basis van de (eventueel) gecorrigeerde lijsten worden onder meer overuren uitbetaald.

(e) Voor de beveiliging van haar bedrijfspand maakt Alpha gebruik van een videocamerasysteem. Er zijn in totaal zestien videocamera’s geplaatst, bij alle althans nagenoeg alle in- en uitgangen en bij de parkeerplaatsen op het bedrijfsterrein. Deze camera’s leggen de aankomst en het vertrek van bezoekers en werknemers van Alpha vast.

(f) Nadat zowel op 10 als op 11 maart 2009 tussen partijen een gesprek had plaatsgevonden, is [ Appellante ] op laatstgenoemde datum op staande voet ontslagen, volgens Alpha wegens een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ter bevestiging van dit ontslag heeft Alpha [ Appellante ] op 12 maart 2009 een brief gestuurd waarvan de inhoud, voor zover van belang, als volgt luidt:

“Op dinsdag 10 maart 2009 heeft u met uw leidinggevende [ X ] (...) en [ Y ] (...) een gesprek gehad over het handmatig aanpassen van uw eigen aanwezigheidstijden.

In dit gesprek heeft de heer [ X ] u geconfronteerd met de verdenking dat u gedurende het 1e kwartaal van 2009 de aanwezig-heidsregistratieformulieren meerdere keren aantoonbaar in strijd met de waarheid en dus valselijk hebt ingevuld. Op 10 januari 2009, 25 januari 2009, 8 februari 2009 en op 1 maart 2009 hebt u, voorafgaand aan uw vertrek, niet uitgeklokt, hoewel dat voor iedere Alpha-medewerker gebruikelijk en verplicht is. U hebt de aanwezigheidsregistratieformulieren nadien handmatig ingevuld en gecorrigeerd, waartoe u uit hoofde van uw functie (...) ook bevoegd bent, maar u hebt van die bevoegdheid misbruik gemaakt door met betrekking tot u zelf andere (latere) vertrektijden in te vullen dan de (vroegere) tijdstippen waarop u het Alpha terrein op voornoemde dagen daadwerkelijk hebt verlaten. Dit heeft Alpha aan de hand van de camerabeelden van het videobeveiligingssysteem kunnen vaststellen. (...)

Wij zijn van oordeel dat u Alpha hiermee dringende redenen hebt gegeven voor een ontslag op staande voet, ieder voor zich en in hun onderlinge verband en samenhang, en dat een voortzetting van de arbeidsovereenkomst met u onder (lees: deze; hof) omstandighe-den niet van ons kan worden gevergd.

(...)”.

(g) Bij brief van haar advocaat van 13 maart 2009 heeft [ Appellante ] de nietigheid van dit ontslag ingeroepen en zich beschikbaar gehouden voor haar werkzaamheden.

(h) Bij beschikking van 16 juni 2009 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor het geval deze nog bestaat, ontbonden tegen 1 juli 2009, onder toekenning aan [ Appellante ] ten laste van Alpha van een vergoeding van € 60.000,= bruto, eveneens voor het geval de arbeidsovereen-komst tussen partijen nog bestaat.

3.2. Bij inleidende dagvaarding van 18 augustus 2009 heeft [ Appellante ] gevorderd dat de kantonrechter:

1. het [ Appellante ] op 11 maart 2009 gegeven ontslag op staande voet vernietigt dan wel nietig verklaart,

2. Alpha veroordeelt tot wedertewerkstelling van [ Appellante ],

3. Alpha veroordeelt tot betaling aan [ Appellante ] van achterstallig salaris vanaf maart 2009 totdat de arbeids-overeenkomst rechtsgeldig is geëindigd, met wettelijke rente,

4. Alpha veroordeelt tot betaling aan [ Appellante ] van een bedrag van € 700,= ter zake van buitengerechtelijke kosten,

een en ander met veroordeling van Alpha in de kosten van het geding.

3.3. Alpha heeft tegen deze vorderingen verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat de kantonrechter:

1. voor recht verklaart dat de arbeidsovereenkomst tussen par-tijen op 11 maart 2009 door middel van ontslag op staande voet wegens dringende reden op rechtsgeldige wijze is geëindigd,

2. [ Appellante ] veroordeelt tot betaling aan Alpha van de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in art. 7:680 BW, zijnde € 6.973,05, met wettelijke rente,

alles met verwijzing van [ Appellante ] in de kosten van het geding in conventie en in reconventie.

3.4. Nadat [ Appellante ] tegen de reconventionele vordering verweer had gevoerd en op 17 december 2009 een comparitie van partijen had plaatsgevonden, heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis van 13 januari 2010, voor zover thans van belang en zakelijk weergegeven, geoordeeld:

i) dat, indien sprake is geweest van het opzettelijk invullen van onjuiste werktijden op de tijdregistratieformulieren, dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, te meer omdat [ Appellante ] als procescoördinator verantwoorde-lijk is voor het correct invullen van deze formulieren en zij als leidinggevende een voorbeeldfunctie voor haar medewerkers heeft, alsmede, dat daaraan niet afdoet dat [ Appellante ] lang bij Alpha naar volle tevredenheid heeft gewerkt,

ii) dat zij de door Alpha in dit geding genoemde datum 4 januari 2009 buiten beschouwing zal laten, omdat het opzettelijk verkeerd invullen van het tijdregistratieformulier met betrekking tot die datum niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd,

iii) dat niet is komen vast te staan dat [ Appellante ] heeft gefraudeerd met haar urenregistratie met betrekking tot 10 januari 2009,

iv) dat tot op door [ Appellante ] te leveren tegenbewijs vast-staat dat [ Appellante ] haar tijdregistratieformulier ten aan-zien van 25 januari 2009 opzettelijk onjuist heeft ingevuld,

v) dat op door [ Appellante ] te leveren tegenbewijs vaststaat dat [ Appellante ] haar tijdregistratieformulier ten aanzien van 8 februari 2009 opzettelijk onjuist heeft ingevuld,

vi) dat voldoende aannemelijk is geworden dat [ Appellante ] haar tijdregistratieformulier met betrekking tot 1 maart 2009 opzettelijk onjuist heeft ingevuld.

Bij het dictum van dit vonnis liet de kantonrechter [ Appellante ] toe, zakelijk weergegeven, tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat [ Appellante ] haar op 25 januari 2009 en 8 februari 2009 betrekking hebbende tijdregistratieformulieren opzettelijk onjuist heeft ingevuld.

3.5. In reconventie honoreerde de kantonrechter bij voormeld vonnis het verweer van [ Appellante ] dat de vordering van Alpha is verjaard. Zij wees de vordering bij het dictum van dat vonnis af, maar hield de beslissing met betrekking tot de proceskosten aan omdat [ Appellante ] nog geen toevoeging had overgelegd.

3.6. Nadat zij op 13 april 2010 [ Appellante ] als getuige had gehoord, heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis van 15 juli 2010 in conventie geoordeeld, kort en zakelijk gezegd, dat [ Appellante ] het reeds bijgebrachte bewijs niet heeft ontzenuwd, dat geconcludeerd moet worden dat [ Appellante ] in elk geval ten aanzien van de data 25 januari 2009, 8 februari 2009 en 1 maart 2009 opzettelijk de tijdregistratieformulieren onjuist heeft ingevuld, dat dit (zowel subjectief als objec-tief bezien) een dringende reden voor ontslag op staande voet is, dat de vorderingen van [ Appellante ] dus moeten worden afgewezen en dat de proceskosten in conventie voor rekening van [ Appellante ] komen. Tevens veroordeelde de kantonrechter bij dat vonnis Alpha in reconventie in de proceskosten.

3.7.1. De grieven in het principaal hoger beroep houden onder meer in dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [ Appellante ] de tijdregistratieformulieren met betrekking tot 25 januari 2009, 8 februari 2009 en 1 maart 2009 opzettelijk onjuist heeft ingevuld. In dit verband betoogt [ Appellante ] dat de kantonrechter ten onrechte haar bij het vonnis van 13 januari 2010 op grond van een bewijsvermoeden met tegen-bewijs heeft belast, terwijl de bewijslast van de dringende reden op Alpha lag en ligt. Het hof beoordeelt deze grieven, die in zoverre gezamenlijk kunnen worden besproken, als volgt.

3.7.2. Uitgangspunt dient te zijn dat het (inderdaad) aan Alpha is de door haar aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden te bewijzen. In het navol-gende zal worden onderzocht of de kantonrechter, die dit op zichzelf niet heeft miskend, terecht een bewijsvermoeden heeft aangenomen en [ Appellante ] met tegenbewijs heeft belast.

3.7.3. [ Appellante ] heeft gesteld dat zij op de onder 3.7.1 genoemde drie dagen telkens haar toegangspasje had vergeten. Om die reden kunnen de stellingen van partijen over het al dan niet deugdelijk functioneren van het pasje van [ Appellante ] en van de toegangsklok onbesproken blijven. Juist omdat zij haar pasje telkens (beweerdelijk) was vergeten, wist [ Appellante ], althans kon zij weten, dat zij haar uren met betrekking tot deze dagen handmatig zou hebben te verantwoorden. Mede gelet op haar verantwoordelijke functie bij Alpha, lag het op de weg van [ Appellante ] haar werkzame handel en wandel (op of buiten het bedrijfsterrein van Alpha) deze dagen precies bij te houden opdat zij daarover desgevraagd tegenover Alpha verantwoording zou kunnen afleggen. Om die reden kan [ Appellante ] niet met vrucht ten aanzien van deze dagen stellen dat zij zich “onmogelijk alles nog kan herinneren wat zij maanden geleden op één specifieke dag heeft gedaan aan werkzaamheden en (lees:) waar zij de betreffende werkzaamheden voor Alpha heeft doen verrichten” (toelichting op grief IV). Integendeel, in de gegeven omstandigheden ligt het (mogelijke) onvermogen van [ Appellante ] aan te geven wat zij die dagen precies heeft gedaan, en waar zij dat heeft gedaan, in haar risicosfeer.

3.7.4. Voorts heeft Alpha onweersproken gesteld (conclusie van antwoord, sub 10) dat het toegangspasje toegang geeft tot het bedrijfsterrein en tot elektronisch afgesloten (kantoor)-deuren, dat dit pasje elektronisch afgesloten hekken en deuren opent en dat zonder dat pasje het hek, de buitendeur, de deur van de personeelsingang, de deuren tussen de verschillende afdelingen en de toegangsdeur van het douanemagazijn van de Bonded Stores niet elektronisch konden worden geopend. Niet gesteld of gebleken is dat op de bewuste drie dagen het elektronische systeem niet werkte of om een andere reden (wel) zonder pasje toegang kon worden verkregen. De vraag rijst dan ook hoe [ Appellante ] er die dagen zonder pasje in is geslaagd op het bedrijfsterrein en in het -gebouw van Alpha te komen en zich in dat gebouw tussen de verschillende afdelingen te verplaatsen. [ Appellante ] heeft hierover niet meer aangevoerd dan dat zij “vaak” het toegangspasje van haar collega [ G ] heeft gebruikt, maar aan deze stelling gaat hof voorbij, omdat zij in het licht van de betwisting ervan door Alpha en de schriftelijke verklaringen van [ G ] van 14 september 2009 en [ K ] van 4 september 2009 (produc-ties 4 respectievelijk 18 bij conclusie van antwoord/ eis) onvoldoende feitelijk is toegelicht. Zo is in het bijzonder onduidelijk hoe [ Appellante ] deze pas (telkens) van [ G ] ter beschikking kreeg als bleek dat zij haar eigen toegangspas niet bij zich had. Overigens staat op zichzelf wel vast dat [ Appellante ] de toegangspas van [ G ] één dag heeft gebruikt, maar niet voldoende concreet is gesteld dat dit op een van de in dit geding relevante data het geval was. Evenmin is dat gebleken.

3.7.5. Tegen de achtergrond van de vorige overwegingen zal het hof thans ingaan op de drie data ten aanzien waarvan de kantonrechter (uiteindelijk) bewezen heeft geacht dat [ Appellante ] de urenregistratiekaart opzettelijk onjuist heeft ingevuld.

3.7.6. Zondag 25 januari 2009:

3.7.6.1. Niet ter discussie staat dat [ Appellante ] om 13.01 uur het bedrijfsterrein van Alpha heeft verlaten, dat zij op latere tijdstippen niet is te zien op door de videocamera’s van Alpha gemaakte videobeelden, dat zij na 12.51 uur geen printopdrachten meer heeft gegeven en dat zij op het desbetreffende tijdregistratieformulier heeft aangegeven tot 16.00 uur te hebben gewerkt. [ Appellante ] heeft gesteld dat zij naar de normaliter op zondag gesloten AM Groep is gegaan om de Korean Air dekens op te halen die Alpha niet voldoende op voorraad had liggen. [ B ] van de AM Groep zou – na telefonisch contact - de deur hebben geopend en samen met [ Appellante ] de dekens hebben gevouwen en klaar gelegd, waarna [ Appellante ] de dekens aan de heer [ S ] van Alpha zou hebben afgegeven. Alpha heeft een en ander betwist en in dit verband (als productie 13 bij conclusie van antwoord/eis) een e-mail overgelegd van de directeur van de AM Groep, [ H ], van 26 mei 2009. Volgens [ H ] hebben werkzaamheden als door [ Appellante ] gesteld plaatsgevonden op 17 augustus (lees:) 2008 en kan hij geen verdere informatie vinden.

3.7.6.2. Op de inhoud van voormeld mailtje van [ H ] is [ Appellante ] niet ingegaan. Anders dan zij, voorts, in hoger beroep betoogt, kon, gezien het onder 3.7.3 overwogene, wel degelijk van [ Appellante ] worden verwacht dat zij exact aangaf wat zij die dag voor werkzaamheden voor Alpha heeft verricht. Op de gevolgen van een en ander voor de beoordeling van de bewijsbeslissingen van de kantonrechter komt het hof hierna, 3.7.9, terug.

3.7.7. Zondag 8 februari 2009:

3.7.7.1. Vaststaat dat [ Appellante ] om 11.59 uur het bedrijfsterrein heeft verlaten, dat zij op latere tijdstippen niet is te zien op door de videocamera’s van Alpha gemaakte videobeelden en dat zij op het desbetreffende tijdregistratie-formulier heeft aangegeven tot 16.00 uur te hebben gewerkt. [ Appellante ] heeft aangevoerd dat zij rond 12.00 uur naar Schiphol is vertrokken om voor Cathay Pacific spullen te halen of te brengen. De kantonrechter spreekt in dit verband in overweging 6 van het vonnis van 13 januari 2010, kennelijk naar aanleiding van de verklaring [ Appellante ] ter comparitie, van “het bestek voor een bepaalde vlucht”. In hoger beroep heeft [ Appellante ] tevens gesteld na haar bezoek aan Schiphol bij Alpha te zijn teruggekomen. Alpha heeft een en ander betwist en in dit verband (als productie 14 bij conclusie van antwoord/eis) een schriftelijke verklaring overgelegd van [ S ] van 26 mei 2009. Die verklaring houdt in dat [ S ] die dag Cathay Pacific heeft uitgecheckt, dat [ Appellante ] daarbij niet aanwezig was en dat [ S ] [ Appellante ] niet aan boord van Cathay Pacific noch in de omgeving daarvan heeft gezien. Tevens heeft Alpha in dit kader gesteld dat [ Appellante ] weliswaar over een Schipholpasje beschikte, maar niet over een voertuigpas waarmee zij met haar eigen auto het “airside-gebied” van Schiphol kon betreden, alsmede, dat [ Appellante ] die dag geen bedrijfswagen van Alpha met voertuigpas heeft gebruikt.

3.7.7.2. [ Appellante ] is niet op de verklaring van [ S ] ingegaan. Voorts heeft zij niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij met haar eigen auto niet op het “airside-gebied” van Schiphol kon komen noch dat zij op die dag geen bedrijfswagen van Alpha heeft gebruikt. Op de gevolgen hiervan voor de beoordeling van de bewijsbeslissingen van de kantonrechter komt het hof hierna, 3.7.9, terug.

3.7.8. Zondag 1 maart 2009:

3.7.8.1. Onomstreden is dat [ Appellante ] om 12.39 uur het bedrijfsterrein heeft verlaten, dat zij op latere tijdstippen niet is te zien op door de videocamera’s van Alpha gemaakte videobeelden, dat zij na 11.32 uur geen printopdrachten meer heeft gegeven en na 11.10 uur geen e-mails meer heeft verzon-den, alsmede, dat zij op het desbetreffende tijdregistratie-formulier heeft aangegeven tot 16.00 uur te hebben gewerkt. [ Appellante ] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep opgemerkt zich niet goed te herinneren waarom zij toen het bedrijfsterrein heeft verlaten maar dat “ongetwijfeld een plausibele verklaring hiervoor is te geven”.

3.7.8.2. Als onder 3.7.3 overwogen, mocht van [ Appellante ] worden verwacht dat zij, vanwege het feit dat zij haar toegangspasje (beweerdelijk) had vergeten, bijhield wat zij die dag aan werkzaamheden had verricht.

3.7.9.1. In het licht van de overwegingen 3.7.3 en 3.7.4 en de concrete feiten en omstandigheden als hierboven ten aanzien van de onderhavige drie data vermeld, heeft de kantonrechter naar het oordeel van het hof in het vonnis van 13 januari 2010 terecht geoordeeld dat tot op door [ Appellante ] te leveren tegenbewijs moet worden aangenomen dat zij de tijdregistratie-formulieren met betrekking tot 25 januari 2009 en 8 februari 2009 opzettelijk onjuist heeft ingevuld en dat voldoende aannemelijk is geworden (namelijk bij gebreke van een voldoende concrete verklaring voor de vaststaande gegevens) dat zij het formulier ten aanzien van 1 maart 2009 opzettelijk onjuist heeft ingevuld. In dit verband wordt nog opgemerkt dat [ Appellante ] niet heeft aangevoerd dat zij de formulieren telkens per ongeluk onjuist heeft ingevuld. Haar verweer is er immers op gericht dat zij de formulieren correct heeft ingevuld. Nu de kantonrechter dat verweer terecht voorshands niet steekhoudend achtte, heeft zij in de omstandigheden van het geval evenzeer terecht voorshands aangenomen dat dat onjuiste invullen telkens opzettelijk geschiedde.

3.7.9.2. [ Appellante ] heeft, voorts, geen grieven gericht tegen het bestreden vonnis van 15 juli 2010, voor zover dat inhoudt dat zij met haar getuigenverklaring het met betrekking tot 25 januari 2009 en 8 februari 2009 aangenomen bewijsvermoeden niet heeft ontzenuwd. Overigens onderschrijft het hof dat oordeel.

3.7.10. De slotsom van een en ander is dat in rechte is komen vast te staan dat [ Appellante ] de tijdregistratieformulieren met betrekking tot 25 januari 2009, 8 februari 2009 en 1 maart 2009 opzettelijk onjuist heeft ingevuld en dat de grieven van [ Appellante ], voor zover deze iets anders betogen, falen.

3.8.1. Met de grieven III en VI in het principaal hoger beroep betoogt [ Appellante ] verder dat, ook als zou komen vast te staan dat zij opzettelijk tijdregistratieformulieren onjuist heeft ingevuld, geen dringende reden voor een ontslag op staande voet aanwezig is. In dat verband merkt zij op dat zij “als de meest ijverige werknemer is te beschouwen” en dat zij ruim zeventien jaar met een zeer goede reputatie en vaak buiten haar roosteruren actief is geweest voor Alpha. Volgens [ Appellante ] zou het grote aantal door haar gemaakte en niet bijgehouden overuren “enkele (fraude)uren” kunnen rechtvaardi-gen. Zij stelt dat veel (andere) werkgevers in een geval als het onderhavige hoor en wederhoor zouden hebben toegepast en bij daadwerkelijke constatering van onjuiste urenregistratie tot een waarschuwing of andere maatregel zouden komen, alsmede dat Alpha andere werknemers in vergelijkbare gevallen (herhaaldelijk) heeft doen waarschuwen.

3.8.2. Het hof verwerpt dit onderdeel van de grieven, omdat het zich geheel kan verenigen met overweging 2 van het bestreden vonnis van 13 januari 2010 en die tot de zijne maakt. Het hof acht begrijpelijk en rechtens aanvaardbaar dat Alpha niet voor een alternatieve en minder drastische maatregel heeft gekozen. Anders dan [ Appellante ] opmerkt, stond het haar niet vrij eventuele niet geregistreerde overuren eigenmachtig te compenseren. Dat Alpha, zoals [ Appellante ] stelt, andere werknemers in vergelijkbare gevallen (herhaaldelijk) heeft doen waarschuwen doet aan dit alles niet af, reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat het werknemers met een voorbeeldfunctie betrof, zoals [ Appellante ]. De stellingen van [ Appellante ] dat Alpha geen behoorlijk onderzoek naar de feiten zou hebben gedaan en haar geen gelegenheid tot weerwoord zou hebben geboden worden gelogen-straft door wat Alpha te dezen in dit geding naar voren heeft gebracht en waarmee zij [ Appellante ] onweersproken op 10 en 11 maart 2009 heeft geconfronteerd. Dat Alpha daarbij wel indringend te werk zal zijn gegaan kan haar, gelet op de aard van de (reëel gebleken) beschuldiging, niet worden verweten.

3.9.1. Grief II in het principaal hoger beroep houdt, voor zover nog niet behandeld, in dat Alpha de dringende reden niet onverwijld aan [ Appellante ] heeft meegedeeld.

3.9.2. De grief wordt (ook in zoverre) verworpen, omdat Alpha voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij pas op 10 maart 2009 voldoende duidelijkheid over de feiten had om [ Appellante ] daarmee te kunnen confronteren. Een eerder optreden zou dus juist onzorgvuldig ten opzichte van [ Appellante ] zijn geweest. Dat [ Appellante ] op 26 januari 2009 door mevrouw [ medewerker pz ], medewerkster personeelszaken van Alpha, is aangesproken over onjuistheden in de urenregistratie van [ Appellante ] ([ Appellante ] had in 2008 23 keer niet in- of uitgeklokt) maakt dat niet anders, omdat Alpha onweersproken heeft gesteld dat zij toen nog geen verdenking tegen [ Appellante ] koesterde en dat deze verdenking pas op 5 maart 2009 is ontstaan nadat Alpha in het kader van gesprekken over kostenreductie en efficiency van verschillende medewerkers het advies had gekregen om eens wat beter op [ Appellante ] te letten omdat zij stelselmatig in het weekend eerder naar huis zou gaan maar wel in strijd met de waarheid overuren zou registreren.

3.10. Uit al het voorgaande volgt dat het principaal hoger beroep geen doel treft. De door [ Appellante ] geponeerde (en door Alpha betwiste) stellingen met betrekking tot houding en uitspraken van haar leidinggevende [ G ] kunnen onbesproken blijven, omdat de eventuele juistheid daarvan aan al het voorgaande niet afdoet. Het in dat kader door [ Appellante ] gedane bewijsaanbod wordt dan ook als niet ter zake dienend verworpen.

3.11.1. Hoewel uit het voorgaande volgt dat Alpha geen belang heeft bij de grieven I en II in het incidenteel hoger beroep, zal het hof laatstgenoemde grief niettemin bespreken. Deze houdt in dat de kantonrechter in overweging 4 van het vonnis van 13 januari 2010 ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [ Appellante ] met betrekking tot (zaterdag) 10 januari 2009 heeft gefraudeerd. Het hof oordeelt hierover als volgt.

3.11.2. Vaststaat dat [ Appellante ] op 10 januari 2009 de ziek thuis verblijvende [ K ], lid van het management, naar het ziekenhuis heeft gebracht en in verband daarmee van 12.50 uur tot 15.45 uur afwezig is geweest. Op het tijdregistratieformu-lier met betrekking tot die dag heeft [ Appellante ] ingevuld dat zij van 06.00 uur tot 15.45 uur heeft gewerkt. In het midden kan blijven van wie het initiatief is uitgegaan dat [ Appellante ] [ K ] naar het ziekenhuis zou brengen (volgens [ Appellante ] ging dit van [ K ] uit, volgens Alpha van [ Appellante ]). Het hof is namelijk - anders dan de kantonrechter - van oordeel dat deze activiteit, naar [ Appellante ] in haar functie van procescoördinator wel wist althans had moeten weten, niet als werk kan worden beschouwd. [ Appellante ] had derhalve hetzij Alpha toestemming moeten vragen om [ K ]n in werktijd naar het ziekenhuis te brengen, hetzij – zonder die toestemming - de hiermee gemoeide uren op het desbetreffende formulier niet als gewerkt mogen vermelden. Nu zij dit laatste (toch) heeft gedaan, gaat het hof er van uit dat [ Appellante ] dat formulier opzettelijk onjuist heeft ingevuld en dus (ook in zoverre) heeft gefraudeerd. Bezien in verband met de opzettelijk onjuiste invulling van de tijdregistratieformulie-ren van 25 januari 2009, 8 februari 2009 en 1 maart 2009 levert ook dit een dringende reden voor het [ Appellante ] op 11 maart 2009 gegeven ontslag op staande voet op. Grief II in incidenteel hoger beroep is dus gegrond.

3.12.1. Grief III in het incidenteel hoger beroep is gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de reconventione-le vorderingen van Alpha.

3.12.2. De kantonrechter heeft de desbetreffende vorderingen, met uitzondering van de gevorderde proceskostenveroordeling, bij het dictum van het vonnis van 13 januari 2010 afgewezen en daarmee bij dat vonnis aan dit onderdeel van het door Alpha gevorderde een eind gemaakt. In zoverre is dat vonnis dan ook een eindvonnis, waartegen gedurende drie maanden hoger beroep openstond (artikel 339 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ). Alpha is echter pas bij haar memorie van 15 februari 2011 tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen, hetgeen te laat is. Het bepaalde in lid 3 van het zojuist genoemde wetsartikel gaat niet op, omdat [ Appellante ] tegen het vonnis van 13 januari 2010, voor zover in reconventie gewezen, niet (principaal) heeft geappelleerd. Vanwege het voorgaande zal Alpha niet-ontvankelijk worden verklaard in haar beroep tegen het vonnis van 13 januari 2010, voor zover in reconventie gewezen. De grief behoeft dus geen bespreking. Overigens had het hof, gelet op de samenhang tussen de conventie en de reconventie, het verkieslijk geacht, indien de kantonrechter de afwijzing van de reconventionele vorderingen nog niet in het dictum van het vonnis van 13 januari 2010 weliswaar zou hebben neergelegd, maar slechts zou hebben aangekondigd.

3.13.1. Grief IV in het incidenteel hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter in het vonnis van 15 juli 2010 om Alpha in de kosten van het geding in reconventie te verwijzen.

3.13.2. Nu Alpha niet-ontvankelijk is in haar beroep tegen het in reconventie gewezen vonnis van 13 januari 2010, is de afwijzing van haar reconventionele vorderingen onherroepelijk. Bij die stand van zaken moet thans worden geconcludeerd dat Alpha terecht in de desbetreffende proceskosten is verwezen. De grief faalt dus.

3.14. Het bewijsaanbod van ieder van partijen, voor zover nog niet besproken, wordt als te vaag en/of niet ter zake dienend van de hand gewezen.

4. Slotsom en kosten

4.1. De grieven in het principaal hoger beroep treffen geen doel, reden waarom de bestreden vonnissen, voor zover in conventie gewezen, zullen worden bekrachtigd en [ Appellante ], als de in zoverre in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dat beroep zal worden verwezen.

4.2. Alpha is niet-ontvankelijk in haar incidenteel hoger beroep, voor zover gericht tegen het in reconventie gewezen vonnis van 13 januari 2010. Om die reden blijft grief III in het incidenteel hoger beroep onbesproken. Bij een beoordeling van de grieven I en II in dat beroep heeft Alpha geen belang, maar het hof acht grief II niettemin gegrond. Grief IV in dat beroep faalt. Alpha zal, als de in zoverre in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Hierbij wordt opgemerkt dat de grie-ven I en II ook bij wege van verweer naar voren hadden kunnen worden gebracht en dat het hof het ongelijk van Alpha te dezen dus aanneemt op grond van het lot van de grieven III en IV.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden vonnissen van 13 januari 2010 en 15 juli 2010, voor zover in conventie gewezen;

verklaart Alpha niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het bestreden vonnis van 13 januari 2010, voor zover in reconventie gewezen;

bekrachtigt het bestreden vonnis van 15 juli 2010, voor zover in reconventie gewezen;

verwijst [ Appellante ] in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van Alpha gevallen en tot op heden begroot op € 640,= wegens verschotten en op € 894,= wegens salaris van de advocaat;

verwijst Alpha in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [ Appellante ] gevallen en tot op heden begroot op € 447,= wegens salaris van de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D.J. van der Kwaak en C. Uriot, en is in het openbaar uitgesproken op

11 oktober 2011 door de rolraadsheer.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature