Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Cassatie in belang der wet. Richtlijn ‘4.7.2 Kinderalimentatie’ uit Rapport Alimentatienormen versie 2010 onverenigbaar met art. 295 lid 3 F. waarin discretionaire bevoegdheid rechter-commissaris tot verhoging vrij te laten bedrag. Bewerkstelligen van feitelijke voorrangspositie kinderalimentatievordering gaat, mede gelet op art. 3:278 BW, rechtsvormende taak rechter te buiten. Bij vaststelling of wijziging kinderalimentatie dient rechter zich te richten naar HR 14 november 2008, LJN BD7589, NJ 2009/52.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



18 november 2011

Eerste Kamer

11/03698 (CW 2634)

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen de beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 14 december 2010.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 104595/FA RK 09-988 van de rechtbank Almelo van 13 januari 2010 en naar de beschikking in de zaak 200.067.741 van het gerechtshof te Arnhem van 14 december 2010.

De beschikking van het gerechtshof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet. De voordracht tot cassatie van de Procureur-Generaal is aan deze beschikking gehecht.

De vordering van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking onder aantekening dat deze vernietiging geen nadeel toebrengt aan door de partijen bij die beschikking verkregen rechten.

De partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn gewezen echtelieden, wier huwelijk door echtscheiding op 7 oktober 2003 is ontbonden.

(ii) Uit het huwelijk van partijen zijn, respectievelijk in 1997 en 2000, twee kinderen geboren.

(iii) Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 150,-- per kind per maand zal voldoen.

(iv) Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 10 september 2008 heeft de rechtbank die beschikking gewijzigd en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voor de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 bepaald op een bedrag van € 100,-- per kind per maand en vanaf l januari 2008 weer op het in de echtscheidingsbeschikking bepaalde bedrag.

3.2 De man, die hertrouwd is met een vrouw die uit een eerder huwelijk twee kinderen heeft, heeft de rechtbank verzocht de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten en verzorging van de kinderen met ingang van 14 juli 2009 vast te stellen op nihil. Hij heeft zich daartoe beroepen op een wijziging in de omstandigheden, daarin bestaande dat bij vonnis van de rechtbank Almelo van 14 juli 2009 ten aanzien van hem en zijn huidige echtgenote de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.

Op het hoger beroep van de man heeft het hof bij de bestreden beschikking de door de man te betalen bijdrage voor de periode van 14 juli 2009 tot 1 juli 2010 bepaald op nihil en met ingang van laatstgenoemde datum, totdat de schuldsaneringsregeling zal zijn beëindigd, op € 136,-- per maand en per kind.

3.3 Met betrekking tot de eerstgenoemde periode heeft het hof, met verwijzing naar HR 14 november 2008, LJN BD7589, NJ 2009/52, overwogen, kort gezegd, dat niet gebleken is dat de rechter-commissaris het in art. 295 lid 2 F. bedoelde vrij te laten bedrag heeft verhoogd met een component voor de voldoening van de onderhoudsbijdragen voor de kinderen, zodat hij over de genoemde periode niet over draagkracht beschikt.

Ten aanzien van de periode vanaf 1 juli 2010 heeft het hof overwogen (rov. 4.7):

"Ten aanzien van de periode vanaf 1 juli 2010 overweegt het hof dat aansluiting kan worden gezocht bij de vanaf die datum in het Rapport Alimentatienormen van de Werkgroep Alimentatienormen opgenomen richtlijn inzake kinderalimentatie en schuldsanering, inhoudend dat in geval een onderhoudsplichtige ouder is toegelaten tot de schuldsanering ervan kan worden uitgegaan dat zijn vrij te laten bedrag is, dan wel zal worden verhoogd met de bij rechterlijke uitspraak vastgestelde kinderalimentatie, zij het per kind tot een maximum van € 136,- per maand.

Vanaf 1 juli 2010 zal daarom tot het einde van de schuldsaneringsregeling de bijdrage van de man tijdelijk worden vastgesteld op € 136,- per kind per maand."

3.4 Het door de Procureur-Generaal aangevoerde middel richt zich tegen rov. 4.7. Onderdeel 1 voert aan dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft geoordeeld (a) dat indien iemand die jegens een minderjarige onderhoudsplichtig is, tot de wettelijke schuldsanering wordt toegelaten, tot uitgangspunt kan worden genomen dat de rechter-commissaris op grond van art. 295 lid 3 F. in het algemeen bevoegd is het in art. 295 lid 2 bedoelde vrij te laten bedrag te verhogen met een bedrag, gelijk aan de door de betrokkene verschuldigde onderhoudsuitkering, zij het met een maximum van € 136,-- per maand en per kind, alsmede (b) dat de alimentatierechter in een dergelijk geval bij de beslissing omtrent de hoogte van die onderhoudsbijdrage dat uitgangspunt kan aanhouden. Onderdeel 2 betoogt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft geoordeeld dat het in onderdeel 1 bedoelde oordeel kan worden gedragen door de richtlijn inzake kinderalimentatie en schuldsanering uit het Rapport Alimentatienormen (versie juli 2010), nu die richtlijn slechts een aanbeveling inhoudt, die het bepaalde in art. 295 F. niet opzij kan zetten.

3.5.1 Art. 295 lid 2 F. bepaalt, kort gezegd, dat van het inkomen en van periodieke uitkeringen die de schuldenaar verkrijgt, slechts een bedrag - hierna: het vrij te laten bedrag - buiten de boedel gelaten wordt dat gelijk is aan de beslagvrije voet van art. 475d Rv., hetgeen neerkomt op 90% van de bijstandsnorm. Lid 3 kent de rechter-commissaris de bevoegdheid toe om op verzoek van de schuldenaar, de bewindvoerder dan wel ambtshalve het vrij te laten bedrag te verhogen met een door hem vast te stellen nominaal bedrag.

3.5.2 Naar blijkt uit de in de vordering van de Procureur-Generaal onder 3.1-3.6 vermelde gegevens, is in overleg tussen de Werkgroep Alimentatienormen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en het landelijk overleg van rechters-commissarissen in insolventies (Recofa) met ingang van 1 juli 2010 een nieuwe richtlijn tot stand gekomen - hierna: de richtlijn - neergelegd in paragraaf 4.7.2 van het Rapport alimentatienormen 2010 ("Tremarapport") van de genoemde werkgroep, waarnaar wordt verwezen in het Vtlb-rapport van juli 2010 van de Werkgroep rekenmethode vtlb van Recofa. De richtlijn luidt:

"In het geval een onderhoudsplichtige ouder is toegelaten tot de schuldsanering, kan ervan worden uitgegaan dat het VTLB (vrij te laten bedrag) van die ouder is, dan wel zal worden verhoogd met de bij rechterlijke uitspraak of overeenkomst vastgestelde kinderalimentatie, zij het per kind tot een maximum van het bedrag dat recht geeft op de persoonsgebonden aftrek als gevolg van de bijdrage in de onderhoudskosten van een kind (in 2010 € 136,- per maand). Deze aanbeveling geldt niet in het geval waarin de onderhoudsgerechtigde dan wel de rechthebbende ouder een Wwb-uitkering geniet. In dat geval is er geen reden af te wijken van het uitgangspunt dat de belangen van de overige crediteuren prevaleren boven die van de collectiviteit. Daarbij wordt eveneens ervan uitgegaan dat de rechtbank bij de toelating reeds heeft getoetst of die toelating gegrond is."

De richtlijn is blijkens het voorwoord van het rapport tot stand gebracht omdat de voordien bestaande, uit 2002 daterende richtlijn - die, kort gezegd, erop neerkwam dat aanbevolen werd het alimentatiebedrag voor de duur van de schuldsanering desverzocht op nihil te stellen - in bepaalde gevallen als onredelijk werd ervaren, in het bijzonder indien de schuldsanering is uitgesproken ten aanzien van (aanmerkelijke) schulden die zijn ontstaan na de scheiding of de vaststelling van de onderhoudsverplichting en het om kinderen gaat van ouder dan omstreeks vijftien jaar omdat die in de regel niet meer zullen profiteren van een als gevolg van de sanering toegenomen draagkracht van de desbetreffende ouder.

Daarbij heeft de werkgroep ook de in art. 1:400 lid 1 BW neergelegde voorrangsregel in aanmerking genomen.

3.5.3 De in art. 295 lid 3 F. aan de rechter-commissaris toegekende bevoegdheid het vrij te laten bedrag te verhogen is, zoals blijkt uit de in de vordering van de Procureur-Generaal onder 3.11 vermelde totstandkomingsgeschiedenis van dat voorschrift, niet bedoeld om de schuldenaar in staat te stellen al zijn niet in de schuldsanering betrokken financiële verplichtingen te voldoen, ook niet voor zover het daarbij gaat om alimentatieverplichtingen. De bevoegdheid is een discretionaire, bij het gebruik waarvan de rechter-commissaris met de omstandigheden van het geval rekening kan houden. Met dat uitgangspunt is niet verenigbaar dat rechters-commissarissen stelselmatig en zonder acht te slaan op de omstandigheden van het geval, voor schuldenaren op wie onderhoudsverplichtingen jegens minderjarige kinderen rusten, het vrij te laten bedrag verhogen met het bedrag waarop de alimentatie laatstelijk is vastgesteld, zij het met het vermelde maximum van € 136,-- per maand en per kind.

Hoezeer het op zichzelf uit een oogpunt van de bevordering van rechtszekerheid ook wenselijk is dat rechters in onderling overleg regelingen of aanbevelingen tot stand brengen op gebieden waar de wet hun grote beoordelingsvrijheid geeft, de hier bedoelde richtlijn staat op gespannen voet met het wetsvoorschrift waaraan deze invulling wil geven. Met de richtlijn wordt de kinderalimentatievordering bovendien een feitelijke voorrangspositie ten opzichte van de (overige) in de schuldsanering betrokken vorderingen verleend.

Het bewerkstelligen daarvan gaat, mede gelet op art. 3:278 BW, de rechtsvormende taak van de rechter te buiten. Dat klemt temeer, nu, naar in de vordering van de Procureur-Generaal onder 3.14 is uiteengezet, de minister in 2010 naar aanleiding van een in de Tweede Kamer aangenomen motie een onderzoek in het vooruitzicht heeft gesteld naar de vraag of aan onderhoudsverplichtingen jegens minderjarigen een wettelijk voorrecht moet worden toegekend. Dat uit de wet, in art. 1:400 lid 1 BW, voortvloeit dat onderhoudsverplichtingen jegens kinderen voorrang hebben boven andere alimentatieverplichtingen doet aan het vorenstaande niet af, nu dat voorschrift betrekking heeft op de vaststelling van de hoogte van die verplichtingen en enkel ziet op de rangorde van onderhoudsverplichtingen.

3.5.4 Het vorenstaande brengt mee dat de rechter die tot taak heeft een onderhoudsbijdrage ten behoeve van een kind van een schuldenaar op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is, vast te stellen of te wijzigen, zich dient te richten naar hetgeen is overwogen in het hiervoor in 3.3 vermelde arrest van 2008 (rov. 3.3.2). Hij zal dus niet mogen vooruitlopen op een verhoging van het vrij te laten bedrag, in het bijzonder niet indien die verwachting stoelt op de richtlijn, nu die onverenigbaar is met de wet. Onderdeel 1 slaagt dan ook, nu het hof aansluiting heeft gezocht bij de meerbedoelde richtlijn en er op voorhand van is uitgegaan dat het vrij te laten bedrag was of zou worden verhoogd met de geldende alimentatiebedragen, zij het tot een maximum van € 136,--.

3.6 Onderdeel 2 kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu het hof zijn oordeel dat de alimentatie op € 136,-- per maand en per kind moet worden bepaald niet enkel heeft doen steunen op de richtlijn, maar mede op de aan de richtlijn ontleende verwachting dat de rechter-commissaris overeenkomstig de richtlijn had beslist of zou beslissen. De aan het onderdeel ten grondslag liggende opvatting dat de richtlijn slechts een aanbeveling behelst, is intussen juist, zoals het Rapport waarin deze is opgenomen, ook vermeldt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt, in het belang der wet, de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 14 december 2010;

verstaat dat deze vernietiging geen nadeel toebrengt aan de rechten door partijen verkregen.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, F.B. Bakels, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 18 november 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature