Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Omzetbelasting

Aanleg van een rotonde is niet een voorziening met het oog op de bebouwing van nog onbebouwde grond in de zin van art. 15, vierde lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet OB 1968. De te bebouwen grond is uitgegeven door de gemeente. Omdat het initiatief voor de aanleg van de rotonde bij de provincie lag, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de rotonde met het oog op bebouwing is aangelegd.

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/2224

Uitspraakdatum: 26 september 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.Belanghebbende heeft over het tijdvak november 2009 in haar aangifte omzetbelasting een verschuldigd bedrag aan omzetbelasting vermeld van € 971.358 en dat bedrag op 29 december 2009 voldaan.

1.2.Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt en om teruggaaf verzocht van een bedrag van € 859.870.

1.3.Met dagtekening 1 mei 2010 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 27 mei 2010, ontvangen bij de rechtbank op 28 mei 2010, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298.

1.5.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [gemachtigden], vergezeld van gemachtigden [gemachtigden], verbonden aan [adviesbureau] te Rotterdam, alsmede namens de inspecteur,

[gemachtigden]

1.7.Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur.

1.8.Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.9.De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd op 26 september 2011.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende heeft in 2009 percelen grond (de grond) in het plangebied “[plangebied A]”, bestemd voor woningbouw, geleverd aan particulieren. De grond was onbebouwd.

2.2.In de nabijheid van [plangebied A] is in 2006 een rotonde aangelegd ter vervanging van de kruising van de provinciale weg N[X] met de [straat A] en [straat B] te [woonplaats]. Dat is gebeurd naar aanleiding van een planstudie van de provincie Noord-Brabant (de provincie) en op initiatief van de provincie. De gemeenteraad van belanghebbende heeft op [datum] 2004 ingestemd met een raadsvoorstel (nr. 2004/58) betreffende de herinrichting van de provinciale weg N[X], traject [straat C] te [woonplaats].

2.3.Het raadsvoorstel vermeldt onder andere:

“Doelstelling

De aanleg van een rotonde heeft als hoofddoelstelling het verbeteren van de verkeersveiligheid en de verkeersafwikkeling. Voor de verkeersveiligheid is de hoofddoelstelling het voorkomen van (zware) ongevallen, als gevolg van de huidige vormgeving van het kruispunt. Voor de verkeersafwikkeling is als doel gesteld een goede capaciteit tot minimaal het jaar 2015.

Tevens voorziet de aanleg van de rotonde in de mogelijkheid voor een verkeerontsluiting van [plangebied B].

Uitgangspunten

Uitgangspunten voor het ontwerp zijn:

-de aansluiting van [plangebied B] op de [straat B] wordt voorlopig uitgevoerd in een T-kruising (…)

Verkeerskundig ontwerp

Van grote invloed op het verkeerskundig ontwerp is de toekomstige aansluiting van [plangebied B] op de [straat C] ter plaatse van de kruising N[X]-[straat A]. (…)”

2.4.In september 2005 hebben belanghebbende en de provincie een uitvoeringsovereenkomst gesloten ter realisering van de rotonde. Belanghebbende en de provincie namen ieder 50% van de financiering op zich, dit op basis van de zogenoemde “wegvakkentheorie”, een verdeelsleutel op basis van het aantal op de rotonde aansluitende wegvakken dat elk overheidslichaam in beheer heeft. Belanghebbende heeft de kosten van de aanleg van de rotonde ten laste gebracht van het project [project]. In de loop van 2006 is de rotonde in gebruik genomen.

2.5.In 2005 is door [belanghebbende] een concept “Startnotitie [plangebied B] en [plangebied A]” opgesteld. Daarin is, ter voorbereiding van een Structuurschets, ingegaan op de mogelijkheden van toekomstige woningbouw in [woonplaats], onder meer in het gebied [plangebied B]- [plangebied A]. Mogelijke woningbouw in [plangebied A] was voorzien – kort gezegd - aan de zuidoostkant van de later aangelegde rotonde. In maart 2006 is een deelnotitie verschenen over hetzelfde onderwerp. Daarin is de woningbouw in [plangebied A] op een andere lokatie gepland dan in de Startnotitie, namelijk – kort gezegd - aan de zuidwestkant van de later aangelegde rotonde. De gemeenteraad van belanghebbende heeft op [datum] 2007 het bestemmingsplan “[plangebied A]” aangenomen met daarin voor de laatstgenoemde locatie de bestemming woningbouw. Bij uitspraak van de Raad van State van [datum] 2008 is dit bestemmingsplan definitief komen vast te staan. .

2.6.Blijkens de onder 2.5. vermelde deelnotitieinzake [plangebied A] geschiedt de verkeersontsluiting van de nieuwe woningen in [plangebied A] via de [straat B].

2.7.Belanghebbende heeft in november de grond geleverd die voor woningbouw in [plangebied A] was bestemd en ter zake een bedrag van € 859.870 aan omzetbelasting op aangifte voldaan. De grond was toen onbebouwd.

3.Geschil

3.1.In geschil is of de aanleg van de rotonde een voorziening is die is getroffen met het oog op bebouwing van de in geding zijnde grond waardoor de grond moet worden aangemerkt als “bouwterrein” in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, ten eerste, in combinatie met artikel 11, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet ). Niet in geschil is dat op het tijdstip van levering niet aan één of meer criteria in artikel 11, vierde lid, van de Wet, was voldaan.

3.2.Belanghebbende stelt dat ten tijde van de levering van de grond die grond niet als bouwterrein in evenbedoelde zin was aan te merken. De inspecteur stelt dat dit wel het geval was. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van € 859.870 aan omzetbelasting.De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1..Artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, 1º, van de Wet bepaalt:

“Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:

a. de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, met uitzondering van:

1º, de levering van een gebouw (….), alsmede de levering van een bouwterrein;

(….)”

4.2.Artikel 11, vierde lid, van de Wet luidt, voor zover hier van belang:

“Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1º, wordt als bouwterrein beschouwd onbebouwde grond:

a. (…)

c. in de omgeving waarvan voorzieningen worden of zijn getroffen; of

d. (…)

met het oog op de bebouwing van de grond.”

4.3.Vaststaat dat het initiatief voor de aanleg van de rotonde bij de provincie Noord-Brabant lag. Aannemelijk is dat de doelstelling daarvan was - zoals ook vermeld in het raadsbesluit - een verbetering van de verkeersveiligheid en verbeterde doorstroming van het verkeer. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan niet gezegd worden dat de rotonde is aangelegd met het oog op de bebouwing van de grond. Dat was immers niet het doel van de aanleg van de rotonde. De omstandigheid dat bij de aanleg van de rotonde tevens de toekomstige aansluiting van [plangebied B] in de beschouwingen is betrokken, doet daar niet aan af nu dat blijkbaar slechts een bijkomend belang was en niet de doelstelling van de aanleg van de rotonde. Die overweging zag niet op de aanleg van de rotonde als zodanig, maar in meer algemene zin op de capaciteit van de rotonde met het oog op de mogelijke ontwikkeling van de verkeersstromen. Dit klemt te meer nu de potentiële woningbouw in [plangebied A] ten tijde van de aanleg van de rotonde op een hele andere locatie was geprojecteerd dan de locatie waar die uiteindelijk is gerealiseerd. De rechtbank acht niet uitgesloten dat de bewoners van de op de definitieve locatie gebouwde woningen uiteindelijk gebaat waren bij de verbeterde verkeersveiligheid en -doorstroming waartoe de rotonde heeft geleid. Dat betekent echter nog niet dat de rotonde is aangelegd met het oog op die woningbouw. Dit te minder nu de weg die [plangebied A] ontsluit niet rechtstreeks is aangesloten op de rotonde. Naar het oordeel van de rechtbank is het verband tussen de aanleg van de rotonde en de invloed daarvan op in [plangebied A] gelegen gronden te zwak en van te algemene aard om aannemelijk te achten dat de aanleg van de rotonde met het oog op de bebouwing van die gronden is geschied.

4.3.Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de in geding zijnde leveringen van grond vrijgesteld van omzetbelasting. Het beroep van belanghebbende is derhalve gegrond. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat aan belanghebbende teruggaaf van omzetbelasting moet worden verleend tot een bedrag van € 859.870.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs voor de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Voor de door belanghebbende gevraagde vergoeding van de kosten van de bezwaarfase ziet de rechtbank geen aanleiding nu belanghebbende daar niet om heeft verzocht voordat de uitspraak op bezwaar is gedaan. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-verleent teruggaaf van omzetbelasting tot een bedrag van € 859.870;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 874;

-gelast de inspecteur het door belanghebbende voldane griffierecht van € 298 aan haar te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. K.M. Braun, voorzitter, mr. D.B. Bijl en mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechters, en door de voorzitter en mr. M.J.M. Mies, griffier, ondertekend.

De griffier, de voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 5 oktober 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature